Paul Hörbiger (Boedapest, 29 april 1894 - Wenen, 5 maart 1981) was een Oostenrijkse acteur.
Jeugd en opleiding Paul Hörbiger groeide op als zoon van de ingenieur Hanns Hörbiger en zijn echtgenote Leopoldine met drie broers in het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije. In 1902 verhuisde de familie naar Wenen. Na het eindexamen aan het Stiftgymnasium St. Paul in het Lavantdal vervulde hij vrijwillig zijn militaire dienstplicht tijdens de Eerste Wereldoorlog in een bergartillerie-regiment. Meermaals onderscheiden werd hij in november 1918 bevorderd tot luitenant. Door de oorlog verloor zijn vader zijn hele vermogen wegens investeringen in oorlogsaandelen.
Carrière Als theateracteur Door toeval kwam hij in aanraking met het acteren. Hij voltooide de Schauspielschule Otto in Wenen en startte in 1919 een artiestenloopbaan bij het Stadttheater Reichenberg (tegenwoordig Liberec) in Bohemen en van 1920 tot 1926 bij het Deutsche Theater in Praag. Met een verbintenis bij het Deutsches Theater Berlin van Max Reinhardt van 1926 tot 1940 lukte Hörbiger de grote doorbraak. Vanaf 1929 speelde hij vervolgens bij de Baranowsky-podia en bij het Cabaret der Komiker. Van 1940 tot 1943 was hij te zien in het ensemble van het Weense Burgtheater. Hij trad op bij de Salzburger Festspiele in 1943 als Papageno, samen met Gusti Huber in Die Zauberflöte van Wolfgang Amadeus Mozart. In 1936 richtte hij met de regisseur E.W. Emo en de Oostenrijkse consul Karl Künzel in Berlijn de Algefa-Film op.
In 1964 nam hij samen met Hans Moser het muziekalbum Servus Wien op. Vanaf medio jaren 1960 wijdde hij zich meer aan het theaterwerk, omdat hij in zijn filmrollen te erg werd afgerekend op de rol van de gemoedelijke persoon. Vanaf 1965 was hij weer lid van het ensemble van het Burgtheater. Daarnaast speelde hij in talrijke tv-films. Hörbigers laatste première bij het Burgtheater vond plaats in 1979 met Komödie der Eitelkeit van Elias Canetti, waarin hij nogmaals de pet droeg van de diender, zoals eerder in de film Hallo Dienstmann van Franz Antel.
Als filmacteur In de jaren 1930 werd Hörbiger met geluidsfilms een der populairste Duitstalige acteurs. In zijn rollen vertolkte hij het type van een lieftallige, levenslustige persoon. In Hans Moser vond hij een partner.
Na de oorlog kon Hörbiger in tegenstelling tot zijn schoonzus Paula Wessely zijn carrière zonder onderbreking voortzetten. Bij de commissie ter bevrijding van het nationaalsocialisme getuigde hij ten gunste van zijn broer Attila. Terwijl deze in de jaren 1950 hoofdzakelijk theater speelde, was Paul meestal in film en televisie te zien. Tot zijn bekendste films in deze tijd behoorden onder andere Der dritte Mann, Hallo Dienstmann, Der Raub der Sabinerinnen, Mädchenjahre einer Königin, Die Deutschmeister en Charleys Tante.
Politiek Net als zovele andere artiesten stelde ook Hörbiger zich in 1938 beschikbaar voor de oproep voor de volksstemming over de samenvoeging van Oostenrijk en Duitsland. In zijn autobiografie vermeldde hij, dat hij en zijn vrouw bij de stemming met nee had gestemd.
Hij gebruikte zijn populariteit om veel Joodse collega's uit de Weense artiestenwereld te helpen vluchten naar Zwitserland. In 1944 werd hij door Joseph Goebbels op de Gottbegnadeten-Liste geplaatst als onvervangbare artiest, die geen dienstplicht of verplicht werk hoefde te verrichtten en een bepaalde bewegingsvrijheid genoot. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog sloot Hörbiger zich aan bij een kleine verzetsgroep, die was opgericht in Wenen door Richard Patsch en kon meerdere persoonlijkheden overhalen voor het verzet, waaronder Theo Lingen en Oskar Sima. Zijn politieke status en zijn onaantastbaarheid had hij blijkbaar onderschat na overhandiging van een cheque van 3000 Reichsmark aan de verzetsgroep met zijn handtekening. Nadat dit bekend werd, werd hij door het nazi-regime gearresteerd en wegens hoogverraad ter dood veroordeeld. Het einde van de oorlog redde hem waarschijnlijk het leven.
Sport Van 1947 tot 1949 was Hörbiger president van de voetbalclub First Vienna FC 1894.
Privéleven en overlijden Paul Hörbiger was sinds 1921 getrouwd met de actrice Josepha 'Pipa' Gettke. Hij had vier kinderen: Christl (geb. 1922), Hansi (1926 – 1929), Monica (geb. 1930) en Thomas, die ook acteur werd.
Privé investeerde Paul Hörbiger in de jaren 1950 veel energie in het onderzoek naar de mysterieuze dood van zijn derde broer Alfred op 31 juli 1945, die op 54-jarige leeftijd in de Innsbrucker Universiteitskliniek was overleden. Terwijl zijn andere broer Attila geloofde in een natuurlijke oorzaak, deed Paul aangifte tegen onbekend van moord. Er volgden 15 processen met opgravingen en autopsies van het lichaam. Zijn verhouding met zijn broer raakte hierdoor ontwricht. Wegens een gebrek aan bewijs werden in 1963 meerdere gerechtsprocedures gestaakt. Later verzoende hij zich weer met zijn broer.
Paul Hörbiger overleed op 5 maart 1981 op 86-jarige leeftijd in Wenen. Hij werd bijgezet in een eregraf van de stad Wenen op de Weense Zentralfriedhof.
Onderscheidingen 1942: Staatsacteur 1964: Ereteken van de Republiek Oostenrijk 1964: Eremedaille van de bondshoofdstad Wenen 1969: Kameracteur 1969: Goldenes Filmband voor jarenlang en voortreffelijk werk in de Duitse film 1972: Girardi-Ring 1974: Österreichisches Ehrenkreuz voor Wetenschap en Kunst Eerste Klasse 1977: Erering van de stad Wenen 1980: Nestroy-Ring
Filmografie (selectie)
1928: Dyckerpotts Erben 1928: G'schichten aus dem Wienerwald 1928: Heut' spielt der Strauß 1928: Das letzte Souper 1928: Die Räuberbande 1928: Schmutziges Geld 1928: Sechs Mädchen suchen Nachtquartier 1928: Spione 1928: Die große Abenteuerin 1928: Der fesche Husar 1928: Die Dame mit der Maske 1928: Die tolle Komteß 1928: Die Wochenendbraut 1929: Asphalt 1929: Möblierte Zimmer 1929: Wer wird denn weinen, wenn man auseinandergeht 1929: Der Sträfling aus Stambul 1929: Drei um Edith 1929: Die Frau, die jeder liebt, bist du! 1929: Das grüne Monokel 1929: Ein kleiner Vorschuß auf die Seligkeit 1929: Frauen am Abgrund 1930: Das alte Lied 1930: Drei Tage Mittelarrest 1930: Der Herr auf Bestellung 1930: Nur Du 1930: Ich glaub nie mehr an eine Frau 1930: Delikatessen 1930: Wie werde ich reich und glücklich? 1930: Der unsterbliche Lump 1930: Zwei Herzen im Dreivierteltakt 1931: Arm wie eine Kirchenmaus 1931: Ihre Hoheit befiehlt 1931: Der Kongreß tanzt 1931: Kyritz – Pyritz 1931: Mein Herz sehnt sich nach Liebe 1931: Der Zinker 1931: Der verjüngte Adolar 1931: Die lustigen Weiber von Wien 1931: Walzerparadies 1931: Kabarett-Programm Nr. 4 1931: Die Försterchristl 1931: Der ungetreue Eckehart 1931: Der Stumme von Portici 1931: Reserve hat Ruh 1931: Grock 1931: Sein Scheidungsgrund 1932: Ein blonder Traum 1932: Friederike 1932: Johann Strauß, k. u. k. Hofkapellmeister 1932: So ein Mädel vergißt man nicht 1932: Ein steinreicher Mann 1932: Ein toller Einfall 1932: Die unsichtbare Front 1932: Quick 1932: Paprika 1932: Zwei glückliche Tage 1932: Scampolo, ein Kind der Straße 1932: Annemarie, die Braut der Kompanie 1932: Peter Voß, der Millionendieb 1932: Es war einmal ein Walzer 1932: Lügen auf Rügen
1932: Das Geheimnis um Johann Orth 1932: Drei von der Kavallerie 1932: Trenck 1932: Kaiserwalzer 1933: Liebelei 1933: Walzerkrieg 1933: Heimkehr ins Glück 1933: Zwei gute Kameraden 1933: Ein Lied für Dich 1933: Skandal in Budapest 1933: Gruß und Kuß – Veronika 1933: Pardon, tévedtem 1933: Keinen Tag ohne Dich 1933: Der große Bluff 1934: … heute abend bei mir 1934: Frühjahrsparade 1934: Rosen aus dem Süden 1934: Der Herr ohne Wohnung 1934: Ich heirate meine Frau 1934: Die Czardasfürstin 1934: Mein Herz ruft nach dir 1934: Spiel mit dem Feuer 1934: Besuch am Abend 1934: Die Abschieds-Symphonie 1934: Herz ist Trumpf 1934: Fräulein Frau 1935: Petersburger Nächte. Walzer an der Newa 1935: Königswalzer 1935: Endstation 1935: Liebeslied 1935: Das Einmaleins der Liebe 1935: Wenn die Musik nicht wär 1935: Frischer Wind aus Kanada 1936: Die Puppenfee 1936: Seine Tochter ist der Peter 1936: Lumpacivagabundus 1936: Drei Mäderl um Schubert 1936: Schabernack 1936: Fiakerlied 1936: Kinderarzt Dr. Engel 1937: Peter im Schnee 1937: Der Scheidungsgrund 1937: Florentine 1937: Die Landstreicher 1938: Der Blaufuchs 1938: Einmal werd' ich Dir gefallen 1938: Es leuchten die Sterne 1938: Heimat 1938: Heiraten – aber wen? 1938: Immer wenn ich glücklich bin 1938: Des jungen Dessauers große Liebe 1938: Die kleine Prinzessin (Prinzessin Sissy) 1938: Liebelei und Liebe 1939: Maria Ilona 1939: Mutterliebe 1939: Opernball 1939: Salonwagen E 417 1939: Hochzeitsreise zu dritt 1939: Drunter und drüber 1939: Ich bin Sebastian Ott 1939: Unsterblicher Walzer 1939: Kitty und die Weltkonferenz
1939: Männer müssen so sein 1940: Falstaff in Wien 1940: Herzensfreud – Herzensleid 1940: Der liebe Augustin 1940: Operette 1940: Wunschkonzert 1940: Wiener G'schichten 1941: Oh, diese Männer 1941: Wir bitten zum Tanz 1942: Die große Liebe 1942: Die heimliche Gräfin 1942: So ein Früchtchen 1942: Wen die Götter lieben 1942: Brüderlein fein 1943: Lache Bajazzo 1943: Schwarz auf Weiß 1943: I Pagliacci 1944: Romantische Brautfahrt 1944: Schrammeln 1944: Die Zaubergeige 1947: Der Hofrat Geiger 1948: Leckerbissen 1948: Der Engel mit der Posaune 1948: Kleine Melodie aus Wien 1948: The Mozart Story 1949: The Third Man 1949: Der Bagnosträfling 1949: Die seltsame Geschichte des Brandner Kaspar 1950: Epilog – Das Geheimnis der Orplid 1950: Glück muß man haben 1950: Schwarzwaldmädel 1950: Eine Nacht im Separee 1950: Der Seelenbräu 1951: Verklungenes Wien 1951: Wenn die Abendglocken läuten 1951: Frühlingsstimmen 1951: Die Frauen des Herrn S. 1951: Der Teufel führt Regie 1951: Der alte Sünder 1951: Der fidele Bauer 1951: Was das Herz befiehlt 1952: Hallo Dienstmann 1952: Das Land des Lächelns 1952: Mein Herz darfst du nicht fragen 1952: 1. April 2000 1952: Mikosch rückt ein 1952: Ich hab' mein Herz in Heidelberg verloren 1952: Man lebt nur einmal 1952: Ich heiße Niki 1952: Ich tanze mit Dir in den Himmel hinein 1953: Von Liebe reden wir später 1953: Die Rose von Stambul 1953: Das tanzende Herz 1953: Die Perle von Tokay 1953: Der Feldherrnhügel 1953: Junges Herz voll Liebe 1953: Die Privatsekretärin 1953: Mit siebzehn beginnt das Leben 1953: Die Fiakermilli 1954: Die schöne Müllerin 1954: Mädchenjahre einer Königin 1954: Schützenliesel
1954: Bruder Martin 1954: Der Raub der Sabinerinnen 1954: Der Zigeunerbaron 1954: Meine Schwester und ich 1954: Una Parigina a Romantische 1955: Die Stadt ist voller Geheimnisse 1955: Banditen der Autobahn 1955: Du mein stilles Tal 1955: Der fröhliche Wanderer 1955: Ehesanatorium 1955: Die Deutschmeister 1955: Eine Frau genügt nicht 1955: Ein Herz bleibt allein 1955: Die Försterbuben 1955: Hilfe – sie liebt mich 1955: An der schönen blauen Donau 1956: Lügen haben hübsche Beine 1956: Charleys Tante 1956: Die Christel von der Post 1956: … und wer küßt mich? 1956: Lumpazivagabundus 1956: Manöverball 1956: Bademeister Spargel 1956: Was die Schwalbe sang 1956: Das Donkosakenlied 1956: Der schräge Otto 1957: Wien, du Stadt meiner Träume 1957: Heiratskandidaten 1957: Heimweh … dort, wo die Blumen blühn 1957: Der schönste Tag meines Lebens 1957: … und die Liebe lacht dazu 1957: Hoch droben auf dem Berg 1957: Die Winzerin von Langenlois (Und so was will erwachsen sein) 1957: Ober, zahlen! 1958: Hallo Taxi 1958: Sebastian Kneipp – Ein großes Leben 1958: Hoch klingt der Radetzkymarsch 1959: Heimat – Deine Lieder 1960: Kauf Dir einen bunten Luftballon 1961: … und du mein Schatz bleibst hier 1961: Der Orgelbauer von St. Marien 1962: Drei Liebesbriefe aus Tirol 1962: Tanze mit mir in den Morgen 1962: … und ewig knallen die Räuber