Archaeoceratops oshimai is een basale neoceratopide dinosauriër behorend tot de Ceratopia. Fossielen zijn bekend uit het late Onder-Krijt (Albien)Tang, F., Luo, Z.−X., Zhou, Z.−H., You, H.−L., Georgi, J. A., Tang, Z.−L., and Wang. X.−Z. 2001. Biostratigraphy and paleoenvironment of the dinosaur−bearing sediments in Lower Cretaceous of Mazongshan area, Gansu Province, China. Cretaceous Research 22: 115–129. van het Mazongshangebied in de provincie Gansu in Noordwest-China.

Vondst en naamgeving Archaeoceratops oshimai werd in 1992 ontdekt door de Silk Road Dinosaur Expedition. Het holotype, IVPP V11114, werd in 1997 door Dong Zhiming en Yoichi Azuma preliminair beschreven, waarbij de typesoort Archaeoceratops oshimai benoemd werd.Dong, Z.−M. and Azuma, Y. 1997. On a primitive neoceratopsian from the Early Cretaceous of China. In: Z.−M. Dong (ed.), Sino−Japanese Silk Road Dinosaur Expedition, 68–89. China Ocean Press, Beijing. De genusnaam Archaeoceratops werd afgeleid van het Grieks archaios (archaïsch, oud), keras (hoorn) en oops (gelaat). De soortaanduiding oshimai is een eerbetuiging aan Torao Ohshima, directeur en uitgever van de Japanse krant Chunichi Shimbun en geldschieter voor de Silk Road Dinosaur Expedition. In 2003 publiceerden You Hailu en Peter Dodson een geheel nieuwe beschrijving van deze plantenetende dinosauriër in het wetenschappelijk tijdschrift Acta Palaeontologica Polonica.

In 2010 benoemden en beschreven You et al. een tweede soort, Archaeoceratops yujingziensis You et al. 2010, afkomstig uit het Aptiaan/Albiaan van het Yujingzibekken, Xinminbao Group, Gansu Provincie, Noordwest-China.H.-L. You, K. Tanoue, and P. Dodson. 2010. A new species of Archaeoceratops (Dinosauria: Neoceratopsia) from the Early Cretaceous of the Mazongshan area, northwestern China. New Perspectives on Horned Dinosaurs: The Royal Tyrrell Museum Ceratopsian Symposium. Indiana University Press, Bloomington 59-67. Het specimen, CAGS-IG-VD-003, bestaat uit een gedeeltelijk skelet. Het werd in 2002 ontdekt door de Chinese Academy of Geological Sciences (CAGS).

Geologie Twee specimina van de soort Archaeoceratops oshimai, het holotype en het paratype IVPP V11115, werden opgegraven uit de Middle Gray Unit van de Xinminbao Group in het Gongpoquan-bekken van het Mazongshangebied. Ze worden bewaard in de verzamelingen van het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology in Beijing (IVPP). De Xinminbao Group verschijnt in een grote depressieEen depressie is een bekken met een geringe diepte maar met een groot oppervlak. tussen het Altaj-gebergte van Mongolië in het noorden en het Qilian Shan-gebergte van het Qinghaiplateau in het zuiden, in de Gongpoquan- en Suànjǐngzi-bekkens en ook in het naburige Jiuquan-bekken. Beide gebieden zijn inlandse bekkens die uit sedimenten bestaan die afgezet werden door meren, rivieren en puinwaaiers tussen bergen. Deze afzetting gebeurde waarschijnlijk tijdens het Aptien (ongeveer 125,0 tot 113,0 Ma) of mogelijk Barremien (ongeveer 129,4 tot 125,0 Ma). Het toenmalige klimaat was semi-aride en subtropisch.

De tweede soort, Archaeoceratops yujingziensis, werd ook in de Xinminbao Group verzameld, maar in sedimenten van het Yujingzibekken.

De Xinminbao Group bestaat uit drie hoofdformaties, de Chijinbao-formatie, de Digou-formatie en de Zhongghou-formatie. Beide specimina van Archaeoceratops komen uit de Digou-formatie. Deze is samengesteld uit grijze siltsteen en kalkhoudende gelithificeerde modder of klei (Engels: mudstone) die twee laagpakketten rivier-moerassedimenten met enkele puinwaaier- en littorale afzettingen omvatten.

Beschrijving Het holotype IVPP V 11114 bestaat uit een goed bewaarde, bijna volledige schedel met onderkaken, een onvolledige wervelkolom en een gedeeltelijk bekken. Het paratype IVPP V 11115 is afkomstig van een wat kleiner dier en is samengesteld uit een gedeeltelijke wervelkolom met een bijna volledige staart, een onvolledig bekken, fragmentarische achterpoten en een volledige voet.

Archaeoceratops oshimai is een vrij kleine soort. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op negentig centimeter, het gewicht op tien kilogram.Paul, G.S., 2010, The Princeton Field Guide to Dinosaurs, Princeton University Press p. 283

Schedel thumb|links|Archaeoceratops oshimai Dong & Azuma, 1997. Holotype IVPP V11114. Schedel en tekening van de schedel met de samenstellende beenderen in rechts lateraal aanzicht. Onder-Krijt (Albien) van het Mazongshangebied, provincie Gansu, Noordwest-China. De schedel van Archaeoceratops oshimai heeft een lengte van 145 mm gemeten tussen de tip van het rostrum tot het uiteinde van het quadratojugaal been. Het quadratojugaal been is een klein been in de kaak van de meeste amfibieën, reptielen en vogels. Het is verbonden met het jugaal been (het jukbeen) en met andere schedelbeenderen. De breedte tussen de quadrata bedraagt 95 mm en tussen de jukbeenderen ongeveer 125 mm. De schedel is door samendrukking tijdens het fossilisatieproces licht vervormd. De rechterzijde is het best bewaard. De linkerzijde is samengedrukt in het gebied van de antorbitale fossa, de depressie die vóór de oogkas gelegen is. Een nekkraag, karakteristiek voor Ceratopia, is niet te onderscheiden omdat de parietale beenderen, de beenderen die de zijkanten en het dak van de schedel vormen, door erosie verdwenen zijn. De onderkaak vormt één geheel met de schedel, waardoor het moeilijk is de tanden te bestuderen. De beschrijving van de schedel is vooral op de rechterzijde ervan gebaseerd. De schedelnaden zijn zichtbaar, wat betekent dat dit specimen nog onvolwassen was, maar de aankomende verbening van de naden wijst erop dat het het volwassen stadium bijna bereikt had. De schedel heeft de voor Ceratopia op het schedeldak bekeken kenmerkende driehoekige vorm, heeft een smalle bek en weinig zijdelings uitstekende jukbeenderen (het been onder en achter de oogkas). Er zijn geen hoorns boven de oogkassen (orbitale hoorns) en evenmin op het neusbeen (nasale hoorn).

Het gebied van de schedel vóór de oogkassen (preorbitaal) is relatief kort en daalt sterk ventraal van de oogkassen naar de bek.Bij typische basale Neoceratopia ligt de antorbitale fossa vóór de oogkas, maar bij Archaeoceratops werd de antorbitale fossa achterwaarts verplaatst, tot onder de voorkant van de oogkas. Dit is inherent met het lage "aangezicht". De antorbitale fossa is niet semi-rond zoals bij BagaceratopsMaryańska, T. and Osmólska, H. 1975. Protoceratopsidae (Dinosauria) of Asia. Palaeontologica Polonica 33: 133–182. of ProtoceratopsBrown, B. and Schlaikjer, E.M. 1940. The structure and relationships of Protoceratops. Annals of the New York Academy of Sciences XL: 133–266. maar driehoekig met de punt achterwaarts gericht.

In verhouding tot de lengte van de schedel zijn de oogkassen zeer groot. Hun diameter beslaat 25 % van deze lengte, wat vergelijkbaar is met de gemiddelde oogkasgrootte bij Psittacosaurus,Sereno, P.C.1990. Psittacosauridae. In: D.B. Weishampel, P. Dodson, and H. Osmólska (eds.), The Dinosauria, 579–592. University of California Press, Berkeley maar wat groter is dan de gemiddelde grootte van de oogkas bij volwassen Neoceratopia.

Het rostraal been is eerder zwak en klein en staat verticaal. De premaxilla is groot en plaatvormig. De premaxillae bestaan uit gepaarde beenderen die de punt van de snuit vormen. Achteraan raakt de premaxilla de maxilla (het bovenkaakbeen). De naad tussen de premaxilla en de maxilla is min of meer verticaal. De maxilla heeft de vorm van een rechte driehoek waarvan de top zich aan het ventrale uiteinde van de premaxillaire-maxillaire naad bevindt. De maxilla heeft een lengte van 59 mm langs de tandenrij gemeten en heeft twaalf tanden. Vóór de voorste tanden is een insprong van twee centimeter. De maxilla gaat achteraan over in een lage richel horizontaal over het jukbeen. Deze richel is op de laterale zijde bezet met kleine knobbeltjes, wat een merkwaardig autapomorfisch kenmerk is. Zulke knobbeltjes komen ook voor op de jukbeenderen van pachycephalosauriërs, onder meer Stegoceras en PrenocephaleMaryańska, T. 1990. Pachycephalosauria. In: D.B. Weishampel, P. Dodson, and H. Osmólska (eds.), The Dinosauria, 564–577. University of California Press, Berkeley.

Het neusbeen is breed en vlak. In zijprofiel is er weinig van zichtbaar. Het neusgat is klein. De gepaarde frontale beenderen (voorhoofdsbeenderen) nemen het grootste deel van het schedeldak in. De centrale schedeldaknaad is duidelijk zichtbaar maar de naden met het postorbitaal en het parietaal been zijn moeilijk te onderscheiden, vooral op de rechterzijde. Het postorbitaal been bevindt zich achter de oogkas.

De onderkaken zijn volledig en in anatomisch verband. Het tandbeen is 57 mm lang langs de ventrale middellijn, ligt horizontaal en eindigt in een scherpe punt die past in de snuit. Het is robuust en recht langs de onderrand. De ramus van het os dentale, het vooruitstekende deel ervan, is met 26 mm niet echt hoog en is robuust. De tanden van de onderkaak staan sterk naar binnen en occluderen met de tanden van de bovenkaak.

De vier tanden van de premaxilla zijn goed ontwikkeld en geëmailleerd. Dat de premaxilla tanden draagt is een primitief kenmerk. De twaalf tanden van de maxilla vormen een tandenrij met een lengte van 48 mm. De grootte van de tanden neemt distaal (naar achteren) toe en de eerste twee tanden zijn de kleinste. De tanden hebben één parasagittale'Sagittaal' is een anatomische vlakaanduiding. Het sagittale vlak van bv. een tand loopt van voor naar achter en verdeelt het in een linker- en rechterhelft. Het parasagittale vlak loopt parallel aan dit sagittale vlak., primaire richel met verschillende secundaire richels aan elke tandzijde. De tandkronen zijn laag en dragen kleine tandknobbels. In lateraal aanzicht vertonen ze duidelijke slijtagepatronen met een steile hoek. De primaire richels zijn niet heel duidelijk zichtbaar.

Axiaal skelet Wervels thumb|Archaeoceratops oshimai Dong & Azuma, 1997. Holotype IVPP V11114. Sacrale wervels en ilia in dorsaal (A), links lateraal (B) en ventraal (C) aanzicht. Schaalverdeling = 2 cm. Onder-Krijt (Albien) van het Mazongshangebied, provincie Gansu, Noordwest-China. IVPP V 11114, het holotype van Archaeoceratops oshimai, bestaat uit een reeks wervels in anatomisch verband, namelijk één halswervel, twaalf ruggenwervels en een sacrum dat uit zes wervels samengesteld is. IVPP V 11115, het paratype van Archaeoceratops oshimai, is samengesteld uit een bijna volledige reeks van 36 staartwervels, drie ruggenwervels en een sacrum. De specimina kunnen met elkaar vergeleken worden op basis van het sacrum. Alle wervels hebben bij allebei de specimina vlakke centrale raakvlakken.