Het christendom ontstaat uit het jodendom, daar de christenen het Oude Testament of Tenach erkennen. De christenen geloven dat Jezus de zoon van God is en de messias (Hebreeuws; in het Grieks christos) die voorspeld en aangekondigd werd in het Oude Testament. De term christenen voor aanhangers van het christelijk geloof werd voor het eerst gebruikt in Antiochië,Handelingen 11:26. Gearchiveerd op 16 juli 2023. en is gebaseerd op het feit dat het geloof in Jezus Christus centraal staat in het christendom. Twee gebeurtenissen worden gezien als belangrijke oorzaken voor het feit dat de joodse stroming binnen de christelijke kerk steeds meer terrein verloor en dat de christelijke kerk helemaal los kwam te staan van het jodendom, de Val van Jeruzalem (70) en het verbod van keizer Hadrianus met alles wat met het joodse geloof te maken had.

Vroege christendom

De periode voor het Edict van Milaan (313) wordt beschreven in het artikel over het vroege christendom.

Oost-Romeinse dominantie (313-751) Bepalend voor het christendom is de houding van keizer Constantijn de Grote, die geloofde in godsdienstvrijheid en geïnteresseerd was in het christelijk geloof via zijn moeder Helena van Constantinopel. Zijn interesse ging zover dat hijzelf het Eerste Concilie van Nicea (325) bijeenriep. Tijdens dat concilie werd de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel of de fundamentele doctrines van het christendom vastgelegd. Zijn interesse ging natuurlijk over macht en de controle er over. De christelijke geschiedschrijving eindigt dat Constantijn zich op zijn sterfbed liet dopen.

De pausen hadden reeds in de 4e eeuw aanzienlijke grondgebieden rond Rome verworven door privéschenkingen, het Patrimonium Petri. De eerste schenking zou het Lateraans Paleis zijn geweest door keizer Constantijn. Later zullen de pausen dit opblazen tot de Donatio Constantini. Ze wisten dit in de 5e eeuw uit te breiden door in de nadagen van het instortende West-Romeinse Rijk bescherming tegen invallende barbaren te bieden. Deze bezittingen maakten de bisschop van Rome in de 6e eeuw tot een van de grootste grondbezitters in Italië.

Keizer Theodosius I, die in 381 slechts keizer was van het Oost-Romeinse Rijk, wou de kerk aan zijn zij en riep het Concilie van Constantinopel I bijeen. Zijn bedoeling was de macht van de ariaanse keizerin Iustina, keizerin in het West-Romeinse Rijk, aan te tasten, door bisschop Ambrosius van Milaan te steunen. Ten tweede wilde hij zijn hoofdstad Constantinopel opwaarderen tot bisschopstad. Er was nu een tetrarchie (vier patriarchaten), Rome, Constantinopel, Alexandrië en Antiochië. Paus Damasus I (366-384), reageerde hierop met de term (voor het eerst) paus en stelde hiermee de kerk van Rome boven de andere kerken stond.

Alhoewel de kerk een krachtige geloofsbelijdenis had, waren er nog veel onduidelijkheden. De positie over de christologie in de geloofsleer en het primaatschap van Petrus. Een groot diplomaat was paus Leo I (440-461). Hij leefde ten tijde toen Attila de Hun, West-Europa onder de voet liep en de Vandalenkoning Geiseric, Rome plunderde. Op kerkelijk gebied trok keizerin Aelia Pulcheria de lakens naar zich toe. Paus Leo I ging bij de nieuwe keizer Marcianus pleiten voor een nieuw concilie, om de dingen duidelijk te stellen. In 451 kwam het Concilie van Chalcedon bijeen. Dit concilie wordt beschouwd als een van de grote pijlers van het christendom. Tijdens dit concilie werd de positie van Constantinopel opnieuw bevestigd en werd Jeruzalem als vijfde patriarchaatszetel erkend (pentarchie).

Sinds Constantijn I is de invloed van de keizer zeer groot. De keizer moeide zich met aanstellingen en geloofszaken. Zo ook keizer Justinianus I, die het Tweede Concilie van Constantinopel bijeenriep en de pausen aanstelde.

De situatie in de 6de eeuw in de stad Rome was rampzalig, na nog eens tweemaal te zijn geplunderd in 546 en 549. Qua uitstraling stelde Rome niets meer voor. Door de hervormingen van paus Gregorius I en het overstappen op een centraal bestuur kreeg de kerk het karakter van een eenheidsstaat. Door missiewerk kan hij de landen in West-Europa terug bij de Roomse Kerk doen aansluiten. De Gregoriaanse missie onder Augustinus van Canterbury naar Engeland is de meest gekende. Tal van andere hervormingen zijn van zijn hand. Voor de Katholieke Kerk is keizer Phocas een goede vorst, omdat hij het bestuur van de Stad Rome aan de Paus overliet.

Zijn opvolger keizer Herakleios was minder toegefelijk. In 640 liet hij het Lateraans Paleis plunderen en eiste dat de pausen zijn standpunt, de Ecthesis, in verband met de Christologie, zouden uitdragen. De weigering van paus Martinus I om dit te doen leidde tot zijn verbanning. De plooien werden gladgestreken met het Concilie van Constantinopel III (680-681). De relatie met volgende Byzantijnse keizers verliep steeds stroef.

Keizer Leo III, die Byzantium ternauwernood van de ondergang redde, had een groot gebrek aan geld. Ook was hij beïnvloed door de islamitische visie op religie, vooral de kijk op beeldenverering. Rond 730 begon het iconoclasme. Toen paus Gregorius II weigerde keizer Leo III financieel te steunen, noch zijn ideeëngoed wilde volgen, werden er moordplannen opgesteld. Dit dreef Gregorius in de armen van de Longobarden. De verstandhouding tussen Gregorius en Liutprand van de Longobarden gaf de Pauselijke Staat bescherming en een gift, de Donatio di Sutri.

Opkomst van de Franken (751-962) In 751 vermoordde de Longobarden-koning Aistulf de laatste exarch van Ravenna, Eutychius, en hield het exarchaat Ravenna op te bestaan. Paus Stefanus II (III) riep in 754 de hulp van de Frankische koning Pepijn de Korte in. Pepijn versloeg de Longobarden en schonk de voormalige Byzantijnse gebieden, het exarchaat Ravenna, het hertogdom Rome en de Pentapolis aan de paus, de Pepijnse Schenking.

De precaire situatie van de pausen, was tijdens de beginperiode van Pepijns' opvolger, Karel de Grote, er niet op verbeterd. Het Tweede Concilie van Nicea (787) waarbij de westerse en oosterse kerk een gezamenlijk standpunt innamen, over het iconoclasme, liet Karel de Grote niet onberoerd (zie Libri Carolini). In Constantinopel, was er in 797 een vrouw aan de macht gekomen, Irene van Byzantium. Het werd tijd om positie in te nemen. Op kerstdag van het jaar 800 kroonde paus Leo III, Karel tot keizer van het 'Romeinse Rijk', waarmee hij feitelijk een concurrent creëerde voor de (Oost-)Romeinse keizer. Hiervoor steunde Karel de pausen in hun strijd tegen de Romeinse adel en eventuele islamitische invallen van de Saracenen.

Na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote, kan paus Nicolaas I beschouwd worden als de meest invloedrijke van de 9de eeuw. Hij stelde dat hij suzereiniteit had over alle christenen, zelfs koningen, bisschoppen en adel, in kwesties van geloof en moraal.Durant, Will. The Age of Faith. New York: Simon and Schuster. 1972. Chapter XXI: Christianity in Conflict 529–1085. p. 517–551 Hij ging in de aanval tegen de patriarch van Constantinopel en speelde een belangrijke rol in de kerstening van Scandinavië. Hij had goede relaties met Boris I van Bulgarije.

Na de dood van Karel de Dikke viel de Kerkelijke Staat, zoals de rest van het Karolingische Rijk, in handen van plaatselijke heersers. De graven van Tusculum zullen gedurende zestig jaar de paus aanduiden, beginnende met paus Sergius III tot en met paus Johannes XII.

Ottoonse hervormingen (962-1061) Toen Berengarius II in 960 het noorden van de Kerkelijke Staat bezette, vroeg paus Johannes XII, Otto I de Grote om hulp. Op 2 februari 962 werd Otto in Rome, naar voorbeeld van Karel de Grote, door de paus tot keizer gekroond. In navolging van de Pepijnse schenking, sloot hij met de paus een overeenkomst, de Diploma Ottonianum. De invloed van keizer Otto II en keizer Otto III op de Kerkelijke Staat was groot. Paus Gregorius V en paus Silvester II waren nauw verbonden met de keizerlijke familie.

Na de dood van Otto III in 1002 namen de Romeinse baronnen het heft terug over, eerst met Johannes II Crescentius en daarna opnieuw de graven van Tusculum. Het hoogtepunt werd bereikt in 1046 toen er plots drie pausen waren. De Duitse koning Hendrik III riep de Synode van Sutri bijeen en zette de drie pausen af. (2011): De pausen, een geschiedenis, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, blz. 111. Vanaf die periode is de sterke man achter de schermen, Hildebrand van Sovana, de latere paus Gregorius VII. In 1059 vaardigde paus Nicolaas II de pauselijke bul, In nomine Domini uit, die de modaliteiten van de verkiezing van een nieuwe paus bepaalde.

Investituurstrijd (1061-1198) De Investituurstrijd (het recht tot het aanstellen van een ambt) begon met de pausverkiezing van 1061 tussen paus Alexander II (kandidaat van Hildebrand) en tegenpaus Honorius II (uit het keizerlijke kamp). De strijd bereikte zijn hoogtepunt met de afzetting van paus Gregorius VII en daaropvolgende excommunicatie van Hendrik IV (1076). Uiteindelijk zal Gregorius aan het kortste eind trekken.

1095. De impasse was totaal. Er waren twee pausen, twee koningen van Duitsland en de Franse koning was geëxcommuniceerd. Paus Urbanus II vond een uitweg buiten Europa, een gemeenschappelijk doel. Hij pleitte voor een tocht naar het Heilig Land, met een verenigd leger van alle christenen om het Heilig Graf te bevrijden en de christenen van het Oosten die door de islam werden verdrukt, te bevrijden.René Grousset, Les Croisades, 1948, Que sais-je ? De oproep tot de Eerste Kruistocht.

Paus Calixtus II riep het Concordaat van Worms (1122) en het Eerste Lateraans Concilie (1123) bijeen. Er werd overeengekomen dat bisschoppen van onderuit werden verkozen en niet van bovenaf. Kerk en Staat konden met deze holle verklaring leven. Daarna ruziënde de pausen verder. Het verslag van het Tweede Lateraans Concilie (1139) werd opgetekend door Gratianus, wat later zeer belangrijk zal zijn voor het canoniek recht.

Alhoewel de kruistochten de druk van de ketel wegnamen, verdween de strijd om de Heilige Stoel niet. Nu kwam het ongenoegen van onderuit. Arnold van Brescia, een geleerde asceet, greep in 1145 de macht in Rome. Op andere plaatsen verschenen opstandige groeperingen, zoals de Waldenzen en de Katharen. Paus Lucius III vaardigde in 1184 de bul Ad abolendam uit, tegen in de ogen van de Katholieke kerk, de ketterij. Deze bul kan beschouwd worden als het begin van de Inquisitie.

Pausen aan de macht (1198-1309) De juiste man op de juiste plaats. Paus Innocentius III was voogd van de zoon van keizer Hendrik VI, Frederik II, toen de strijd uitbrak in 1198 tussen de Welfen en de Ghibellijnen, tussen Otto IV van Brunswijk en Filips van Zwaben om de troon van Duitsland. Innocentius studeerde theologie in Parijs en jurisprudentie te Bologna. Hij wordt vrij algemeen gezien als een van de machtigste en invloedrijkste pausen in de geschiedenis van het pausdom. Hij oefende een grote invloed uit op de christelijke regimes van Europa. Hij beweerde de suprematie te hebben boven alle Europese koningen, zie zijn pauselijke tiara.

Begin 13de eeuw had je vier pausen, de naam kerkelijk leider waardig. Allen hadden gestudeerd aan de universiteit van Bologna en/of Parijs. Het canoniek recht nam geschreven vorm aan. Raymundus van Peñafort zette de Penitentiaria, een van de pauselijke rechtbanken, op punt. Tegelijk kreeg hij de opdracht om de vele duizenden decretalen, pauselijke vonnissen in briefvorm, te verzamelen en te redigeren tot een goed gestructureerd kerkelijk wetboek. Het Vierde Lateraans Concilie wordt gezien als het belangrijkste van de middeleeuwse concilies.

In 1245 zette paus Innocentius IV keizer Frederik II af en later werden alle resterende Hohenstaufers geëxcommuniceerd. Dit bracht het Groot-Interregnum mee in Duitsland. De invloedrijkste koning in Europa tussen 1250 en 1270 was, Lodewijk IX van Frankrijk. Ook in het pausdom werd de Franse invloed groot.