thumb|De schedel van Zuul Zuul crurivastator is een plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de Ankylosauria, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving Op 16 mei 2014 was vijf kilometer ten noorden van de John Wodarz Bridge nabij Havre in Montana een compactlader bezig tien meter diep een rotswand in, de toplaag te verwijderen boven een skelet van een tyrannosauride, wellicht Gorgosaurus, toen de kleine bulldozer onverwacht stuitte op de knots van een ankylosauriër. Er bleek een uitzonderlijk compleet ankylosaurisch skelet aanwezig te zijn dat met de buik naar boven omhoog lag. Omdat het nog niet aan het oppervlak geërodeerd was, waren alle skeletdelen vrijwel gaaf. Bij de berging door het commerciële Theropoda Expeditions LLC bleken ook resten van weke delen bewaard gebleven en trof men het lichaamspantser in de oorspronkelijke positie aan. Het bedrijf voerde een eerste preparering van het skelet uit. Het specimen kreeg de codenaam "TE-72 Sherman" en werd in eerste instantie gezien als een nieuwe soort van Euoplocephalus. left|thumb|De vondstlocatie en de schedel Het grote wetenschappelijke belang van de vondst werd onmiddellijk onderkend. Met financiële ondersteuning van de Louise Hawley Stone Charitable Trust wist het Canadese Royal Ontario Museum het stuk in juni 2016 te verwerven zodat het verder geprepareerd kon worden en bestudeerd door een van de belangrijkste experts op het gebied van de studie naar ankylosauriërs, Victoria Megan Arbour. Het specimen ligt in twee delen, de romp en staart en de nek en kop. De romp weegt al vijftien ton. Besloten werd eerst de kop en de staartknots bloot te leggen, waaraan het bedrijf al begonnen was. In 2017 verscheen een beschrijving van deze delen. Toen was ook al duidelijk dat het om een nog onbekende soort ging.

In 2017 werd de typesoort Zuul crurivastator benoemd en beschreven door V.M. Arbour en David Christopher Evans. De geslachtsnaam is die van de demon en halfgod Zuul the Gatekeeper of Gozer uit de film Ghostbusters waarvan de kop een opmerkelijke gelijkenis vertoont met die van het specimen. Een verder motief was dat Zuul in 2017 in alfabetische volgorde de laatste dinosauriër zou zijn. De naam wordt uitgesproken als "Zoel". De soortaanduiding is afgeleid van het Latijn crus, "onderbeen" en vastator, "verwoester", een verwijzing naar het functioneren als een "scheenbeenkraker" van de staartknots.

Het holotype, ROM 75860, is gevonden in een laag van de Judith River Formation, de middelste Coal Ridge Member die tussen de 76,2 en 75,2 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een vrijwel compleet skelet met schedel. Het werd aangeboden als voor 99% volledig. Het is een "dinosauriërmummie" met gefossiliseerde weke delen en, in dit geval ook osteodermen. Resten van hoornschubben en hoornschachten van stekels zijn bewaard gebleven. Het is het meest complete ankylosaurische skelet dat uit de formatie bekend is, welke tot nu toe weinig resten van die diergroep had opgeleverd, en het meest complete ankylosauride skelet uit Noord-Amerika. Het ligt grotendeels in verband. Twee halswervels zijn verschoven geraakt en ook het linkerdarmbeen. Een laserscan werd van de schedel uitgevoerd waarna een computerprogramma een "retrodeformatie" uitvoerde die voor vervorming door samendrukking compenseerde zodat de vermoedelijke oorspronkelijke vorm weer bereikt werd. Hiervan werd weer een model geprint.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De lengte van Zuul kan vrij nauwkeurig worden vastgesteld op zes meter. Het bedrijf ging uit van zeven meter. Het lichaamsgewicht is geschat op tweeënhalve ton.

De beschrijvers wisten verschillende onderscheidende kenmerken vast te stellen. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, die Zuul onderscheiden van alle andere Ankylosauridae. De caputegulae, panterplaatjes op de kop, die op het achterste neusbeen, het voorhoofdsbeen en het wandbeen liggen, overlappen elkaar en hebben bovenop een punt. De hoorn op het squamosum, de achterhoek van de schedel, heeft opvallende lengtegroeven op het zijoppervlak. De zijdelingse osteodermen van de staart, de knots zelf uitgezonderd, hebben een sterk holle voorrand, terwijl hun punten achteraan geplaatst zijn. De staartknots is verticaal afgeplat met een hoogte die minder dan een vijfde bedraagt van de lengte.

Sommige kenmerken zijn niet uniek maar onderscheiden Zuul van zijn bepaalde nauwere verwanten in de Ankylosaurinae. De caputegulae op het prefrontale, het frontoparietale en het middelste supraorbitale zijn piramidevormig in tegenstelling tot de kegelvormige caputegulae bij Nodocephalosaurus en Talarurus. De hoorn op het squamosum steekt naar achteren tot voorbij de achterrand van het schedeldak, net als bij Scolosaurus maar anders dan bij Anodontosaurus, Euoplocephalus of Ziapelta. De caputegulae achter de oogkas zijn klein en slechts her en der aanwezig, opnieuw net als bij Scolosaurus maar anders dan bij Anodontosaurus, Euoplocephalus of Ziapelta. De osteodermen die op de staarthendel van de staartknots staan, zijn relatief groter en scherper gepunt dan bij Aziatische ankylosaurinen van de Nemegtformatie van Mongolië.

Skelet Schedel thumb|De schedel in bovenaanzicht en onderaanzicht De schedel is opvallend laag en plat maar dat kan ten dele het gevolg zijn van samendrukking. In bovenaanzicht is de schedel trapeziumvormig, met een recht afgesneden snuitpunt. De schedel is met een lengte van een halve meter relatief groot en wordt onder de ankylosauriërs van Laramidia slechts in omvang overtroffen door de drie bekende schedels van Ankylosaurus, de specimina AMNH 5214, AMNH 5895 en CMN 8880. left|thumb|Het patroon van de koposteodermen vergeleken tussen Zuul, middelste rij boven en midden, en andere ankylosauriden De praemaxilla vormen de beenkern van een tandeloze bovensnavel. De neusgaten zijn naar voren gericht en hebben de vorm van liggende ovalen. Slechts één neusopening is hierin zichtbaar, wellicht overeenkomend met "Opening A" bij verwanten. De neusgaten worden bovenop begrensd door smalle nasale beenplaatjes die opvallend zijdelings uitsteken. Daarachter strekken zich caputegulae uit tot over de voorhoofdsbeenderen. Deze plaatjes overlappen elkaar waarbij de achterrand dikker is. Deze verdikking wordt sterker naar de achterzijde van het schedeldak. Achter twee paar bredere plaatjes ligt een kleine centrale zeshoekige caputegula op de snuit. Nog meer naar achteren verandert het profiel van plaatsje van rechthoekig naar vierkant en zeshoekig. Op het achterste schedeldak lijken osteodermen geheel te ontbreken en zijn er diepe rimpels overdwars waarin de plaatsjes verdwijnen; Arbour verklaarde dit als het gevolg van vervorming van het fossiel. Op de achterrand liggen vier bredere caputegulae, overlapt door vier kleinere plaatjes van de wandbeenderen. De hoeken van de schedel worden bekroond door squamosale hoorns. Deze zijn robuust en hoog, ver naar achteren krommend. Bovenop hebben ze een kiel en aan de zijkanten diepe groeven die schuin omhoog en naar achteren lopen.

Op de zijkant van de snuit liggen twee grote rechthoekige platen, de voorste van het bovenkaaksbeen, de achterste van het traanbeen. Boven de oogkas liggen twee overkappende supraorbitalia, een voorste en een groter achterste, die samen een scherpe bovenrand vormen. Een middelste supraorbitale osteoderm is niet identificeerbaar. De eigenlijke oogkas heeft nog een verdikking langs de hele rand. Zeer opmerkelijk is dat ovale platen met een ruw oppervlak in iedere oogkas zijn aangetroffen. Volgens de beschrijvers zaten die los en bevestigt dit de oude hypothese van Walter Preston Coombs dat ankylosauriden verbeende oogleden bezaten. De platen zijn zeer diep in de oogkassen aangetroffen en hebben een hoogte gelijk aan de oogkas. Als dit inderdaad verbeende oogleden zijn in plaats van opvullende matrix of verbeende kraakbeenschotten achter de ogen, moeten de ogen zelf nog dieper hebben gelegen zodat het dier een extreme "tunnelvisie" bezat en moet er een of ander mechanisme aanwezig geweest zijn om de leden naar achteren te roteren in de platte schedel. Resultaten van een CAT-scan zullen dit vraagstuk moeten oplossen. Achter de oogkas liggen nog wat plaatjes, de grootse bij de benedenhoek. Het jukbeen is bedekt met verruwingen. De hoorns onderaan de wangen zien de beschrijvers als uitgroeisel van het quadratojugale met erop vastgegroeid een grote osteoderm. Ze zijn groot en de punten zijn schuin naar achteren en onderen gericht, in vooraanzicht schuin naar bezijden en onderen. De voorrand is bol gekromd, de achterrand is recht. De hoorn rust vooraan op het jukbeen.

Het achterhoofd heeft de typische ankylosauride vorm. Het is laag en voorzien van een niervormige achterhoofdsknobbel die in bovenaanzicht wegvalt onder de rand van het schedeldak. De tubera basilaria zijn niet meer dan verruwingen aan de onderzijde van de hersenpan maar meer naar voren zijn de processus basipterygoidei langwerpig en duidelijk gescheiden, tot aan de pterygoïden reikend.

Het verhemelte is sterk gesloten en vergroeid. Er bevinden zich geen vensters in de pterygoïden. Een beennaad met het ectopterygoïde is niet zichtbaar. De interne vleugels van de praemaxillae vormen vooraan een secundair verhemelte. De tandrijen die samen een zandlopervormig profiel hebben, zijn ongeveer dertien centimeter lang. Het bovenkaaksbeen draagt naar schattingen een achttien tot twintig tanden.

Onderkaken De onderkaak is lang en laag. Aan de achterste zijkant bevindt zich een plaatvormige verruwing die door de beschrijvers gezien wordt als het een uitgroei van het bot, niet als een osteoderm. Aan de achterste bovenkant is de opening waardoor de sluitspieren in de kaak kunnen dringen relatief klein en ondiep. Het lage dentarium buigt vooraan haaks naar binnen. Ze wordt een profiel gevormd dat past bij de brede snuit. Het dentarium draagt achtentwintig tanden en de tandrij is zestien centimeter lang. left|thumb|Onderkaken en tanden Aan de onderrand van de rechteronderkaak zijn talrijke kleinere beenschubben te zien. De grootste, met een lengte van zes tot veertien millimeter en een hoogte van twaalf tot veertien millimeter, liggen tegen de grote plaat van de achterste zijkant aan. Ze hebben een rechthoekig profiel. Daaronder liggen rijen kleinere beenschubben van minder dan zes millimeter en met een zeshoekig of ruitvormig profiel. Ze zijn gegroepeerd in rozetten.

Tanden De tanden hebben de gebruikelijke vorm met een bladvormige kroon die overdwars is afgeplat. Hun wortels zijn lang en recht. De voorste dentaire tanden van de onderkaak hebben een basisbreedte van 6.1 millimeter en een hoogte van zeven millimeter. Ze dragen twaalf tot veertien ruitvormige vertandingen waarbij de vertanding die het spits vormt iets naar achteren verplaatst is. Rond de hals van de kroon ligt een verdikt cingulum.

Postcrania thumb|De staart, met knots