miniatuur|11e eeuw Angelsaksisch ivoren kruis gesneden uit walrus-ivoor Ivoorsnijwerk is snijwerk uit ivoor, een materiaal afkomstig van de slagtanden van dieren, door middel van scherpe werktuigen.

Deze kunstvorm gaat terug tot de prehistorie. Waarschijnlijk was houtsnijwerk toen ook zeer populair maar daarvan bleef weinig of niets bewaard door de vergankelijkheid van het materiaal. Van ivoorsnijwerk daarentegen, zijn talloze voorbeelden bewaard gebleven. Ivoor was door zijn herkomst een zeldzaam en schaars materiaal, in kostprijs vergelijkbaar met edelmetalen, en het werd dus meestal gebruikt voor de vervaardiging van luxeproducten. Ivoorsnijwerk was zeer populair wereldwijd. Het ivoorsnijden komt voor in de meeste culturen, van het oude Egypte over het oude Griekenland en het antieke Rome en Byzantium, maar het werd ook beoefend in Rusland, Japan, China en India. In het westen bleef het in zwang tot de 15e eeuw. Daarna verminderde het gebruik van ivoor en werd meer houtsnijwerk geproduceerd, zeker ten noorden van de Alpen. Het materiaal bleef wel in gebruik en het ivoorsnijden kende nog heroplevingen tijdens de barokperiode en in de periode van de art deco. Dankzij het feit dat ivoor gemakkelijk bewaard blijft, is het zeer belangrijk voor de kennis van de middeleeuwse en Byzantijnse kunst omdat er veel meer van bewaard bleef dan van de kunstproductie in andere materialen.

Materiaal Het materiaal dat afkomstig is van tanden of slagtanden van dieren wordt ivoor genoemd en werd al sinds de prehistorie gebruikt in snijwerk. Het overgrote deel van het gebruikte ivoor was afkomstig van de slagtanden van olifanten maar ook walrustanden, narwalhoorn en tanden van potvissen werden veelvuldig gebruikt. In het oude Egypte en in het Syrisch-Palestijnse gebied werden eveneens nijlpaardtanden gebruikt. Sporadisch werd ook ivoor uit slagtanden van andere diersoorten voor snijwerk gebruikt. Bij gebrek aan ivoor werd snijwerk ook uitgevoerd op dierenbeenderen en hoornen.

In de prehistorie leverden de mammoeten het materiaal voor ivoorsnijwerk en in de negentiende eeuw ontstond een levendige handel in mammoetivoor na de ontdekkingen van bewaarde dieren in de permafrost van Siberië en Noord-Amerika.

Sinds het CITES (Convention of International Trade in Endangered Species) van 1989 is de handel in ivoor wereldwijd verboden.Martha Chaiklin, Ivory in World History: Early Modern Trade in Context, History Compass (2010), pp. 530–542, p.531. Gearchiveerd op 17 februari 2023.

Olifantentanden zijn niet bedekt met een glazuurlaag, maar hebben een buitenlaag, een soort schors. Bewerkt en gepolijst is de kleur wit tot geelachtig, soms rozig, groenachtig tot bruin. Het is een poreus materiaal en kan dus perfect geschilderd worden. Het is glad en koel, heeft een aangename grip en is dus een tactiel aantrekkelijk materiaal. Het is bovendien vrij resistent en slijtvast. Dat maakte van ivoor al heel snel een luxemateriaal dat gebruikt werd voor juwelen en sculpturen sinds de prehistorie tot op vandaag.

Geschiedenis Prehistorie

Uit de steentijd is vooral snijwerk in been en ivoor bewaard gebleven. Van houtsnijwerk, dat waarschijnlijk even populair was, is nagenoeg niets bewaard gebleven. Populair in de steentijd waren de vrouwenbeeldjes die men onder de algemene benoeming "Venusbeeldjes" onderbrengt. Ze komen voor gedurende het laatpaleolithicum tussen ca. 33.000 - 20.000 v.Chr. over gans Europa, van het huidige Frankrijk tot Siberië. Ze werden gemaakt uit de meest diverse materialen: hout, steen, been, ivoor en keramiek. Over de functie van deze beeldjes bestaan er verschillende theorieën, maar het blijft bij hypotheses. Ondanks de enorme tijdsperiode waaruit de beeldjes afkomstig zijn en de geografische spreiding, hebben de beeldjes dikwijls dezelfde vorm. Ze zijn ruitvormig en de voorgestelde vrouwen hebben een dikke buik, billen, dijen, heupen en grote borsten. Het hoofd is in verhouding klein en zeer zelden uitgewerkt. Handen en voeten ontbreken meestal.

miniatuur|left|Venus van Brassempouy; voor- en zijaanzicht De oudste menselijke figuur die tot nu toe werd gevonden is de Venus van Hohle Fels die ontdekt werd in 2008, in de Schwäbische Alb. Dit beeldje is waarschijnlijk minstens 37.000 jaar oud.Artifact, Archaeology Vol. 62, No. 5 (September/October 2009), p. 68. Er zijn oudere Venusbeeldjes gevonden, namelijk de Venus van Berekhat Ram die 230.000 à 700.000 jaar oud zou zijn en gevonden werd op de Golanhoogten en de Venus van Tan-Tan, die tussen de 220.000 en 500.000 jaar oud zou zijn en gevonden werd in Marokko, maar de onderzoekers zijn het er niet over eens of het beeldjes zijn die op natuurlijke wijze hun vorm kregen of door mensen werden bewerkt of misschien het resultaat zijn van een combinatie van beide mogelijkheden.Andrew Pelcin, A Geological Explanation for the Berekhat Ram Figurine, Current Anthropology, Vol. 35, No. 5 (Dec., 1994), pp. 674-675.Robert G. Bednarik, A Figurine from the African Acheulian, Current Anthropology, Vol. 44, No. 3 (June 2003), pp. 405-413. Een van de oudste objecten die tot nu toe werden teruggevonden is de Leeuwmens die in 1939 werd ontdekt in de Stadelgrotten van de Schwäbische Alb. Het beeldje dat dateert uit het begin van de Oude Steentijd is ca. 38.000 jaar oud en hoort tot het Aurignacien. Het is 29,5 cm hoog en werd gesneden uit de slagtand van een jonge mammoet. Het beeldje was verbrijzeld in meer dan 220 fragmenten en er werden drie reconstructies uitgevoerd om tot het huidige resultaat te komen. Over wat het beeldje precies voorstelde en de exacte ouderdom zijn de onderzoekers het nog steeds niet eens. In dezelfde regio, in de Vogelherdgrot, werden nog verschillende beeldjes ontdekt, onder meer een (intact) beeldje van een mammoet, ook ongeveer 33.000 jaar oud.

Ongeveer 10.000 jaar jonger is de Venus van Brassempouy die gevonden werd in de Grotte du Pape, Brassempouy (Aquitanië, Landes), Frankrijk. Van dit beeldje, eveneens uit het laatpaleolithicum, werd een fragment, het hoofd, teruggevonden. Het is een van de weinige beelden uit de prehistorie met een vrij gedetailleerde afbeelding van de gelaatskenmerken. Dit beeldfragment is onder te brengen in het gravettien.

Naast de beeldjes werd in de prehistorie ook de techniek van het graveren veelvuldig gebruikt. De techniek ontwikkelde zich waarschijnlijk later dan het beeldhouwwerk maar resulteerde in prachtige afbeeldingen van eigentijdse dieren zoals mammoets, rendieren, bizons, paarden, beren en de wolharige neushoorn. Prachtige voorbeelden hiervan werden gevonden in de Abri de la Madeleine in de Dordogne in Aquitanië, Frankrijk.Alexander Marshack, Images of the Ice Age, Archaeology, Vol. 48, No. 4 (July/August 1995), pp. 28-36, 38-39, Archaeological Institute of America, p.30.

Oudheid Oude Egypte miniatuur|Ivoren beeldje van koning Khufu, Egyptisch museum, Cairo Bewerkt ivoor van olifanten en nijlpaardtanden komen voor in de Egyptische sculptuur vanaf ca. 5500 v.Chr. in de Badaricultuur en in de Naquada I periode van 4000 tot 3500 v.Chr. Zowel beeldjes als kammen, haarpinnen en amuletten werden op verschillende plaatsen teruggevonden. Onder de meest bekende vondsten horen twee beeldjes die gevonden werden bij Abydos, waarvan het ene een koning van de eerste dynastie voorstelt en het andere koning Choefoe, de tweede koning van de 4e dynastie, de man die de grote piramide bij Gizeh bouwde. Vondsten uit de vroeg-dynastieke periode tonen duidelijk dat de Egyptische ivoorsnijkunst al zeer vroeg beïnvloed werd door andere stijlen, onder meer door motieven uit Mesopotamië.Paul Rehak, John G. Younger, International Styles in Ivory Carving in the Bronze Age, in Cline and Harris-Cline , The Aegean and the Orient in the Second Millennium, Cincinnati, 1998, p. 232.

Omstreeks 3000 v.Chr. gingen de Egyptenaren over op het snijden in reliëf. Veel van het Egyptische werk is louter decoratief en bedoeld als versiering van luxe gebruiksvoorwerpen zoals handvatten en lijsten voor spiegels, lepels, kistjes en dergelijke meer. Ivoor werd ook veelvuldig gebruikt voor inlegwerk. Het ivoorsnijwerk van de Egyptenaren, vooral het reliëfwerk en het inlegwerk werd verder ontwikkeld in het Syrisch-Palestijnse gebied door de Kanaänieten, voornamelijk tussen 1600 en 1200 v.Chr., en tussen 900 en 300 v.Chr. door de Feniciërs,Helene J. Kantor, Syro-Palestinian Ivories, Journal of Near Eastern Studies, Vol. 15, No. 3 (Jul., 1956), pp. 153-174, The University of Chicago Press, p.153. die deze kunstvoorwerpen via hun handelsroutes over het ganse Middellandse Zeegebied verspreidden. Het werk van de Kanaänieten werd ook beïnvloed door voorbeelden uit Mesopotamië,Helene J. Kantor, 1956, p.154.

Oude Griekenland miniatuur|Ivoren cosmeticadoosje in de vorm van een eend (1375-1380 v.Chr.). Bij het vroegste Aegeïsche ivoorsnijwerk dat bewaard is gebleven horen de kleine figuurtjes van acrobaten die gevonden werden in het Minoïsche paleis in Knossos op Kreta en die dateren van ca. de 16e eeuw v.Chr. Uit de periode van de Myceense beschaving (ca. 1600 - 1100 v.Chr.) kent men talrijke sites waar ivoorsnijwerk gevonden werd, van Megiddo in Palestina en Ras Shamra in Noord-Syrië over Cyprus en Rhodos tot in Delos, Mycene en Attica. Deze sites markeren waarschijnlijk de route waarlangs de ivoorbewerkers van oost naar west trokken. Het werk toont duidelijk oosterse invloeden en het ivoor kwam van Afrika of Azië. Het is dus duidelijk dat de betrokken ambachtslui niet uit Griekenland zelf kwamen.R. D. Barnett, Early Greek and Oriental Ivories, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 68 (1948), pp. 1-25, The Society for the Promotion of Hellenic Studies, pp. 1-2. Uit de Myceense periode kennen we vooral gebruiksartikelen zoals kammen, spiegels, doosjes voor juwelen en toiletartikels en kleine beeldjes. De ambachtslui, Kanaänieten of Feniciërs, vestigden zich in de steden langs hun route als Metoiken.

Tussen de Myceense periode en de 9e eeuw v.Chr. is er een periode waaruit weinig werk is overgeleverd. Vanaf de 9e eeuw v.Chr. wordt de ivoorsnijkunst terug actief en volgens Barnett waren er drie belangrijke scholen die de ivoorsnijkunst in Griekenland hebben beïnvloed namelijk die van Noord-Syrië, Fenicië en Anatolië.R. D. Barnett, 1948, p. 24. De eerste twee kwamen via Rhodos en Kreta naar Samos en mogelijk naar Sparta en Athene. De Anatolische school kwam via Phrygië en Lydië naar Ionië en Korinthe, waar deze stroming in contact kwam met de beide andere.

Vanaf de 6e eeuw v.Chr. werd in Griekenland gebruik gemaakt van ivoor bij de realisatie van chryselefantien beeldhouwwerk voor monumentale cultusbeelden. Ook dit type beeldhouwwerk waar de lichaamsdelen uit ivoor en de kleding uit goud of andere edelmetalen werd gemaakt, kennen we al uit het oude Egypte en het vond via Mesopotamië en Kreta zijn weg naar Griekenland en het westen. Het oudste gekende voorbeeld is de Palaikastro Kourus (1480 - 1425 v.Chr.) die opgegraven werd in een heiligdom van een Minoïsche nederzetting bij Roussolakkos op Kreta. Bekende voorbeelden hiervan zijnde kolossale beelden die door Phidias werden gemaakt: een beeld van Athena Promachos voor de Akropolis van Athene en een beeld van Zeus voor zijn tempel in Olympia. Geen van beide beelden is bewaard gebleven, maar we kennen ze vandaag uit de beschrijvingen van Pausanias (ca. 115-180).

Oude Rome miniatuur|Areolbindus diptiek, 506, Louvre