De Duitse migratie naar de Verenigde Staten begon in de 17e eeuw, toen de eerste Europese nederzetting werd gesticht op het grondgebied van de latere Verenigde Staten. Daarbij moeten de aanduidingen "Duits", "Duitsers" en "Duitsland" in de context van de betreffende historische periode worden gezien. Er bestond tot aan de Duitse eenwording van 1871 geen Duitse (eenheids)staat met Duitse staatsburgers, die eenzelfde taal spraken. De meeste uit de vele Duitse staten afkomstige emigranten identificeerden zich in de 17e en 18e eeuw primair als behorend tot dissidente religieuze gemeenschappen. Bij de kolonisatie van het Noord-Amerikaanse vasteland waren van meet af aan zulke 'Duitsers' in de brede zin van het begrip betrokken.
Tot in de 20e eeuw waren zij in aantallen sterker vertegenwoordigd dan Joodse, Britse, Ierse en Italiaanse bevolkingsgroepen. Het grootste deel van de Duitse immigranten uit de Duitse staten, met name Pruisen, Zwitserland en uit Oostenrijk arriveerde in de jaren tussen 1848, het jaar van de Maartrevolutie in de Duitstalige landen, en het eind van de Eerste Wereldoorlog in 1918. In 1882 bereikte de immigratie een absoluut hoogtepunt, toen 250.000 Duitsers naar Amerika emigreerden.
Duitse immigranten hebben het maatschappelijke, geestelijke en culturele leven in de Verenigde Staten mede vorm gegeven, vooral op het gebied van pers en religie. Tot in de 20e eeuw waren de Duitse kolonisten een van de best georganiseerde en hoogst in aanzien staande bevolkingsgroepen waaruit leden met groot economisch en maatschappelijk succes voortkwamen. Zie daarvoor Duitse Amerikanen. Echter, in de loop van de 20e eeuw ging hun eigen culturele identiteit bijna geheel verloren. Debet aan deze plotseling assimilatie was de deelname van de Verenigde Staten aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Afgezien van enkele minderheden zoals de Duitse Texanen en de Amish, die delen van hun cultuur tot op heden hebben weten te bewaren, houden de meeste Duitse Amerikanen alleen nog de folkloristische elementen van hun cultureel erfgoed in ere. Toch heeft de noodzaak om te assimileren de Duits-Amerikaanse migratie nooit belemmerd, en ook nu leeft zij nog voort in de vorm van arbeidsmigratie van academici.
De koloniale tijd (1607-1776) thumb|Duitse les in een mennonietengemeente in Pennsylvania, 1942 Sporadisch zaten er onder de eerste pioniers die de Britse koloniën in Noord-Amerika stichtten en bevolkten al wat Duitsers, maar pas in de jaren tachtig van de 17e eeuw werden dat serieus te nemen aantallen. De bestemming van deze migranten was soms Upstate New York (bijv. Mohawk Valley) of New Jersey, maar vaker nog Pennsylvania. Oprichter William Penn, bekend om zijn liberalisme, had in de jaren zeventig van de 17e eeuw tot twee keer toe een bezoek gebracht aan Duitsland om pioniers te werven die zijn kolonie konden bevolken. Ook reisverslagen, zoals het in 1756 verschenen boek Gottlieb Mittelbergers Reise nach Pennsylvanien im Jahr 1750. Und Rückreise nach Teutschland im Jahr 1754, inspireerden tot migratie.
De redenen voor emigratie waren veelvuldig. Sommigen werden ertoe gedreven hun vaderland te verlaten vanuit economische motieven, bijvoorbeeld omdat het onmogelijk was geworden om van de landbouw rond te komen. Anderen, zoals doopsgezinden, anders gezegd Mennonieten, en dan in het bijzonder die uit Zwitserland onder de naam, Amish, herrnhutters uit Moravië, Schwenckfelders uit Silezië, Schwarzauer Brüder en orthodoxe Piëtisten werden vervolgd omwille van hun geloof. Na de individuele bevrijding van de plattelandsbevolking kozen velen van hen voor emigratie boven een armzalig bestaan als landarbeider of keuterboer. De Noord-Amerikaanse koloniën beloofden aantrekkelijker economische voorwaarden dan Midden-Europa, en bovenal stelden zij het bezit van eigen land in het vooruitzicht. De prijs voor de overtocht bedroeg ongeveer een jaarinkomen, zodat 60% van de Duitse emigranten de reis alleen via indentured labour (contractarbeid) kon bekostigen. Deze ‘tijdelijke lijfeigenen’ werden veelal in Hudsonvallei ondergebracht waar zij voor de Britse kroon teer of hennep moesten produceren tot hun schuld was afgelost.
Jamestown en Nieuw-Nederland De uit Breslau in het toenmalig Habsburgse Silezië afkomstige arts Johannes Fleischer geldt als de eerste 'Duitser' die zich op het latere grondgebied van de Verenigde Staten vestigde. Hij arriveerde in 1607 met de eerste generatie pioniers in wat de Britse kolonie Jamestown zou worden, maar stierf al een jaar later. In september 1608 volgden drie Duitse glazenmakers die eveneens snel om het leven kwamen.
In 1625 reisde Peter Minuit, afkomstig uit het hertogdom Kleef, in opdracht van de West-Indische Compagnie naar de jonge kolonie Nieuw-Nederland. Hij vervulde daar van 1626 tot 1632 het ambt van gouverneur en zou volgens de legende het eiland Manhattan voor glazen kralen en wat andere snuisterijen van de Algonkinindianen of de Canarsie-indianen hebben gekocht. Historisch valt dit echter niet te bewijzen.
Duitse nederzettingen in Pennsylvania Germantown thumb|Mennonietenkerk in Germantown, circa 1903 De eerste Duitse nederzetting van blijvende aard was Germantown in de kolonie Pennsylvania. Samen met dertien families uit Krefeld en omstreken die de ‘original 13’ genoemd worden – voornamelijk quakers en doopsgezinden, streek grondlegger Franz Daniel Pastorius er in 1683 neer. Veel van deze kolonisten waren wevers. Op initiatief van vier inwoners van Germantown (Franz Daniel Pastorius, Abraham en Herman Isacks op den Graeff en Gerrit Henderich) werd in 1688 het eerste protest tegen de slavernij in Amerika opgesteld. Twee jaar later opende William Rittenhouse, papiermaker van Duitse afkomst, er de eerste papiermolen van Noord-Amerika. In 1743 werden in Germantown door Johann Christoph Sauer de eerste Bijbels gedrukt – in het Duits.
Immigratie vanuit de Palts De Palts was destijds een door oorlogen en godsdiensttwisten geteisterd gebied. Van daaruit was de emigratie dan ook enorm. De eerste Paltsers die naar overzeese gebieden vertrokken waren op de vlucht vanwege hun geloof. Zo vestigde zich al in 1675 een groep Franse hugenoten, die eerder in de Palts een tijdelijk toevluchtsoord had gevonden, aan de Hudson en stichtte daar in 1677 de kolonie New Paltz in herinnering aan hun gastvrije tijdelijke vaderland. Ook in Germantown vestigden zich in de 17e eeuw al veel Paltische kolonisten. De massale toestroom begon echter pas na de na de zeer strenge winter van 1708/09; hierbij ging het vooral om boeren. Hoewel de Britse koningin in de Palts voor vestiging in haar kolonie Carolina liet werven, hadden de meeste Paltsers Pennsylvania op het oog. Men reisde via Rotterdam en Londen. Dat was toen een hachelijke onderneming die tienduizenden slachtoffers eiste voordat het beloofde land werd bereikt. Ook werden mensen gedwongen in Ierland gehuisvest of naar Duitsland teruggestuurd. Desondanks arriveerden er in de jaren tot 1727 ongeveer 15.000 nieuwkomers uit de Palts in Philadelphia; tegen 1775 waren er nog 70.000 bijgekomen.
Terwijl de immigranten aanvankelijk alleen aan de kust waren neergestreken breidde het kolonisatiegebied zich door de forse bevolkingstoename geleidelijk uit richting westen, tot aan andere kant van de rivier de Susquehanna. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw droogde de toestroom uit de Palts op, toen er in het oosten en zuidoosten van Europa alternatieve uitwijkmogelijkheden kwamen. Tegen de tijd van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog was een derde van de bevolking van Pennsylvania van Duitse afkomst, waaronder naast gereformeerden en lutheranen ook veel doopsgezinden en amish. Zij leidden veelal een geïsoleerd bestaan. Daardoor heeft het uit het Paltisch ontstane Pennsylvaanse dialect, Pennsylvania-Duits, de tand des tijds tot op heden doorstaan.
Religieuze minderheden Pennsylvania had in de koloniale tijd een bijzonder liberale grondwet waardoor het veel geloofsvluchtelingen aantrok. Behalve om quakers, die in Engeland sinds 1662 een vergaderverbod hadden, ging het hierbij om verschillende religieuze minderheden uit Duitstalige gebieden.
Daaronder waren de Schwenkfelder, volgelingen van de leer van de dissidente Silezische reformator Kaspar Schwenkfeld. In Silezië waren spanningen met de jezuïeten die door de Habsburgse monarchen werden ingezet als verdedigers en verbreiders van het ware katholieke geloof, maar ook met de luthers kerkelijke autoriteiten en stadsbesturen, waardoor ze vanaf 1731 naar Pennsylvania begonnen uit te wijken. Tot 1736 arriveerden zij in zes fases en waaierden uit over verschillende vestigingsplaatsen.
In het gebied dat tegenwoordig Lancaster County heet stichtte de Schwarzauer Bruder Conrad Beissel in 1732 het Ephrata cloister, een kloosterachtige religieuze gemeenschap die volgens oudchristelijke ideeën leefde.
Ook de nederzetting Harmony in westelijk Pennsylvania leunde op oudchristelijke opvattingen en werd in 1804 gesticht door de radicale piëtist Johann Georg Rapp. Hij was op zoek naar leefgebied voor zijn volgelingen, buiten bereik van de religieuze vervolging van thuisland Württemberg.
De herrnhutters uit Saksen richtten in Pennsylvania de nederzettingen Nazareth (1740), Bethlehem (1741) en Litiz (1756) op.
Benjamin Franklin, zelf deïst, beschouwde juist deze Duitse immigranten als onderontwikkeld en achtergebleven in cultureel opzicht. Volgens hem waren het religieuze fanatici die hij “boors” (pejoratief: boeren) noemde. Veel Duitsers in Pennsylvania weigerden om hun kinderen naar Engelstalige scholen te sturen. Vanaf ongeveer 1755 kwamen kerk en bestuur steeds meer in actie tegen deze gevreesde anti-integratiehouding van de Duitsers. Zij eisten gedwongen huwelijken, een verbod op de Duitstalige pers en het gebruik van de Duitse taal in het openbaar, iets dat door Franklin als buitenproportioneel werd bekritiseerd. Maar ook Thomas Jefferson en James Madison waren beducht voor de weinig liberale religieuze houding van de Duitse immigranten. Zij zagen dit als vrucht van de ondemocratische en absolutistische regeringsvormen in de landen waar ze vandaan kwamen.
Duitse nederzettingen in de zuidelijke koloniën Een van de eerste Duitstalige nederzettingen in de zuidelijke koloniën was New Bern in de provincie Carolina, in 1710 gesticht door een groep Zwitsers en Paltsers. In 1714 richtten tweeënveertig pioniers uit het Siegerland (Westfalen) de vestiging Germanna (nabij het tegenwoordige Culpeper) op in de kolonie Virginia. Daar voegden zich in 1717 nog ongeveer tachtig kolonisten uit de Palts en Baden-Württemberg bij; gedurende de jaren daarna nam hun aantal nam verder toe. Germanna’s inwoners waren contractarbeiders (indentured servants) die voor gouverneur Alexander Spotswood ijzer en zilver delfden. De meesten van hen verlieten Germanna in het daaropvolgende decennium en trokken verder naar het zuiden of westen.
In de Franse kolonie Louisiana bracht John Law voor de handelsmaatschappij La Compagnie du Mississippi Duitstalige emigranten uit de Elzas, Lotharingen en Zwitserland onder. Na het faillissement van de onderneming in 1721 werden deze mensen onafhankelijk met een eigen stuk land. Tijdgenoten doopten de regio rond New Orleans German coast of Côte des Allemands.
In de provincie Georgia namen vanaf 1734 verdreven lutheranen uit het katholieke prins-aartsbisdom Salzburg hun intrek.
Op de plek waar nu de plaats Winston-Salem (North Carolina) ligt stichtten 15 Duitse herrnhutters in 1753 de vestiging Bethabara.
Duitse nederzettingen in New England Van 1742 tot 1753 arriveerden vier schepen met in totaal ongeveer 1000 Duitstalige kolonisten in New England. Verreweg de meesten ervan streken in Broad Bay neer, op de plek van de tegenwoordige stad Waldoboro (Maine), maar na overvallen door indianenstammen trokken velen verder naar Boston, Nova Scotia of North Carolina. Degenen die bleven richtten zich op de visserij of scheepsbouw.
Landbouw