thumb|Sint-Juliaan Het Psychiatrisch Centrum (PC) Sint-Amandus bestaat uit een psychiatrisch ziekenhuis (PZ) en een psychiatrisch verzorgingstehuis (PVT). De PVT heeft een campus in Beernem en een campus in Torhout.

Hervormingsschool Het groengebied Bulskampveld werd omstreeks eind 18 eeuw ontgonnen door kasteelheren en herenboeren. Een van die ontginners was Louis Jacobsen. De Belgische Staat kocht de kasteelboerderij (’t Kasteeltje, 64 ha) in 1852 van het echtpaar Jacobusen - Van den Bogaerde. De kasteelboerderij met de grondgebieden, werd mits een paar verbouwingen bestemd om er een Hervormingsschool op te richten. De wet van 1848 organiseerde hervormingsscholen voor bedelaars en landlopers van minder dan 18 jaar zowel voor jongens als voor meisjes. Bij koninklijk besluit van 28 maart 1853 opende de Hervormingsschool van Beernem voor 400 meisjes. De school werd bestuurd vanuit de Hervormingsschool voor jongens te Ruiselede (Sint-Pietersveld). Tussen de twee scholen werd de aardeweg verhard om als verbindingsweg te dienen. De school was bekend als “ ’t Gesticht van de Rode Rokjes” en werd uitgebaat van tot 1926. De bijnaam verwees naar de rode baaien onder hun schort. Zo konden de meisjes vlug herkend worden bij ontsnappingen.

Verbouwingen 1853: Nieuw gebouwencomplex in de vorm van een rechthoek, waarvan drie zijden bebouwd zijn. De oorspronkelijke kasteelboerderij werd verbouwd tot hoofdingang. De vleugel rechts van de hoofdingang was 94 meter lang, de twee haakse zijvleugels 32 m lang, alles was 9 meter breed. 1876: Er werd een korte vleugel gebouwd links van de hoofdingang en over de lengte naast het hoofdgebouw werd een verdieping met zadeldak opgetrokken. 1898: De linkervleugel werd verlengd tot 94 m waarop haaks nog een vleugel kwam. De hoofdingang werd opnieuw verbouwd. Een kapel werd opgetrokken haaks op de middelste vleugel.

De wet van 15 mei 1912 op de Kinderbescherming bracht veranderingen in de organisatie van de jeugdbescherming. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de gebouwen opgeëist door de Duitse bezetter en de meisjes werden tijdelijk ondergebracht in Namen. Na de Oorlog kwamen de meisjes terug en werden de hervormingen in de jeugdsector doorgevoerd. In 1923 werd de Hervormingsschool een rijksopvoedingsgesticht. Ondanks de naamsverandering bleven er in 1926 slechts 38 meisjes over. Vanwege besparingen werd het Rijksopvoedingsgesticht gesloten en werden de resterende bewoners ondergebracht in een leegstaande gevangenis in Saint-Servais (Namen).

Broeders van Liefde Na twee jaar onderhandelen met het Ministerie van Justitie, kochten de Broeders van Liefde op 28 januari 1928 de Hervormingsschool met de omliggende domeinen. Dit op voorwaarde dat het bestaande gebouw zou gebruikt worden om de “abnormale” kinderen uit het Sint-Jan-Baptistgesticht in Zelzate over te brengen en op voorwaarde dat er een nieuw gesticht moest worden opgericht voor volwassen zwakzinnigen. De naam van het ‘Gesticht’ Sint-Amandus verwijst naar de kerk van Beernem met als patroon de heilige Amandus.

Op 22 februari 1928 namen de eerste vier broeders hun intrek in enkele lokalen rond de bestaande hoofdingang met als bijnaam de ‘Oude Bouw’. Na twee jaar leegstand moest de ‘Oude Bouw’ dringend opgeknapt worden. Broeder Hilarius stond in voor de leiding van de nieuwe instelling. Hij had ervaring als “krankzinnigenverpleger” en als hoofd van de Sint-Vincentiusafdeling van het Strop in Gent. Voor de technische kant werd Broeder Godard ingeschakeld. Hij stond in voor de verbouwingen, inrichting, de boerderij en installatie van nutsvoorzieningen. Broeder Sylvanius en Broeder Nemesius werden respectievelijk ingeschakeld als secretaris en kok en in vergelijking met de andere twee broeders relatief onervaren.

Het effectieve priesterwerk werd verzorgd door de paters kapucijnen. Deze samenwerking bestond al in het Sint-Juliaan te Brugge. Voor hen werd een bewoonbaar klooster met kapel opgericht. Op 25 april 1931 werd er de heilige mis voor het eerst officieel gecelebreerd. Het klooster deed dienst als rusthuis voor zieke paters. De Broeders van Liefde hebben er hun eigen klooster dat in 2014 dienstdoet als rusthuis (Huize Sint-Arnoldus). Om de gebouwen zo snel mogelijk klaar te maken voor de patiënten werden meteen een aantal knechten aangeworven. Onder leiding van broeder Godard werden de gebouwen opgeruimd, bomen geveld, moerassen droog gelegd, bestaande wegen opgehoogd enz. Binnen werd in samenwerking met lokale zelfstandigen alles zo vlug mogelijk bewoonbaar gemaakt.

Op 15 mei 1928 kwamen de eerste zestig kinderen afkomstig van Sint-Jan-Baptist te Zelzate aan in Sint-Amandus, samen met een aantal nieuwe broeders. Op 25 juni werden de eerste volwassen zwakzinnigen opgenomen. Toen op 25 en 27 juli 1928 twee zware branden uitbraken in het Dokter Guislaininstituut te Gent bood de linkervleugel van de ‘Oude Bouw’ tijdelijk onderdak aan 100 volwassen patiënten. Eind 1929 verzorgden de broeders al 182 kinderen en 130 volwassen zwakzinnigen.

Het nieuwe gesticht moest dienen als vervanging voor het noodlijdende Sint-Juliaan te Brugge dat de deuren moest sluiten. De heilige kreeg een voorname plaats, boven de ingang van de keuken. Op 1 januari 1931 kon de nieuwe vakschool (Vrije Beroepsschool) haar intrek nemen in de gebouwen van Sint-Juliaan te Brugge. In het jaar 1930 verlaten de kinderen geleidelijk Sint-Amandus en worden overgebracht naar het Sint-Jozefsinstituut te Gent. Het oude Sint-Jozefsinstituut werd omgedoopt tot Sint-Juliaan als herinnering aan het Sint-Juliaan in Brugge. In de periode van 14 april tot december 1930 werden in hun plaats ongeveer 600 volwassenen overgebracht uit Brugge. Een deel hiervan kwam terecht in de nieuw opgetrokken paviljoenen.

Paviljoenstelsel De eerste werken van de bouw van de nieuwe campus verliep gelijktijdig met de renovatiewerken aan de Oude Bouw. Dit nog voor de eerste bouwvergunning was toegekend. In opdracht van de Broeders van Liefde te Gent lieten de twee Brugse architecten Jozef Viérin en Antoine Dujardin zich inspireren op het paviljoenenstelsel van de Nederlandse instelling in Venray. Het verschil zit hem in de toepassing van de Vlaamse stijl door middel van gebruik van trapgeveltjes, kleine ruitjes en boogvormen boven de ramen.

De eerste bouwfase bestond uit het optrekken van de Voorbouw waar de hoofdingang zou komen met kantoren, klooster, keuken en refter voor de broeders. Er werden vier paviljoenen voorzien voor de verzorging van patiënten: Sint-Marie, Sint-Aloïsus, Sint-Cornelius en Sint-Paulus. Daarnaast werd ook een mortuarium, lazaret, algemene badzaal, nieuwe wasserij en een doktersvilla opgericht. Het was een indrukwekkende werf des te meer omdat de gebouwen allemaal tegelijk werden opgetrokken. De tweede bouwfase vond plaats tussen 1931 en 1932. Er zouden in die periode onder andere vier bijkomende verzorgingspaviljoenen worden gebouwd: Sint-Pieter, Sint-Dymfa, Sint-Jozef en Sint-Vincentius. Aan het einde van de tweede bouwfase telde Sint-Amandus 17 paviljoenen in totaal. Eind 1932 telde Sint-Amandus 1025 patiënten, 402 nieuwe opnames, 114 ontslagen en 85 sterfgevallen.

In bijna alle paviljoenen werden ateliers ingericht waar patiënten arbeidstherapie konden verrichten. Zo hadden de patiënten iets omhanden en konden ze een zakcentje verdienen. Arbeidstherapie was toen een zeer belangrijk concept in de verpleging. In de nieuwe paviljoenen konden de patiënten ook ontspannen in de ruime en ingerichte zalen.

Tweede Wereldoorlog In 1939 werd Vader Hilarius opnieuw aangesteld als overste van Sint-Amandus. Met de Tweede Wereldoorlog in zicht vond de toenmalige minister van Justitie Paul-Emile Janson het nodig om in ieder belangrijk ziekenhuis iemand aan het hoofd te hebben die de plaatselijke omstandigheden kende. Vader Hilarius was er van bij het begin (1928) tot 1937 overste geweest.

Na de inval van Hitler in Oostenrijk begon België aan de mobilisatie van zijn manschappen. De broeders, verzorgers en medisch personeel werden opgeëist. Vader Hilarius kon bekomen dat het medisch personeel en de hoofdgeneesheer vrijgesteld werden van dienst en konden terugkeren naar de instelling.

Op 20 oktober 1939 moest er in Sint-Amandus plaats gemaakt worden voor 200 patiënten uit Dave bij Namen die werden geëvacueerd. Op 10 mei 1940 werd het Sint-Amedeus-ziekenhuis in Mortsel gebombardeerd waardoor Sint-Amandus nog eens plaats moest vinden voor 172 zieken, 14 broeders en 10 juvenisten. Daarnaast waren er nog tientallen patiënten uit andere instellingen die er onderdak zochten. Ondanks de ziekenhuiskruisen op het dak deelde Sint-Amandus ook in de brokken tijdens die eerste veldslag. Vader Hilarius moest ervoor zorgen dat de steeds aangroeiende populatie van Sint-Amandus genoeg te eten kreeg. Voedsel werd uiteraard gerantsoeneerd. Alle beschikbare lapjes grond, ook de siertuinen werden gebruikt om voedsel te telen. Op enkele stukken werd zelfs tabak geplant, gezien de zware belastingen hierop werden niet alle planten aangegeven. De gastoevoer werd een tijdlang stilgelegd en dus moest de oude keuken op basis van kolen opnieuw gebruiksklaar gemaakt worden.

Om het voedsel dat Vader Hilarius opkocht te kunnen aanvoeren mocht hij van de Duitsers de vrachtwagen van Sint-Amandus gebruiken. Meermaals werd hij betrapt op het vervoeren van niet-geregistreerde goederen. Dankzij relaties bij zowel vriend en vijand kwam hij gelukkig nooit in serieuze problemen. Sint-Amandus is een paar keer bijna opgeëist door zowel het Belgisch leger, de Duitsers en later de Canadezen om het te gebruiken voor andere doeleinden dan ziekenzorg. Toen Vader Hilarius dreigde om te vertrekken met de andere broeders en het personeel om zo de zorg aan hen over te laten, zagen deze er gelukkig snel vanaf. Ook bij huiszoekingen bleek de schrik voor patiënten een zegen. Zo zagen de Duitsers ertegenop om ziekenzalen volledig te doorzoeken en zo konden enkele onderduikers opgelucht adem halen.

Tijdens de oorlog waren natuurlijk vele zaken in de instelling kapot gegaan en door gebrek aan grondstoffen en materiaal niet meer hersteld geweest. Ondanks enkele incidenten is Sint-Amandus toch van het meeste oorlogsgeweld gespaard gebleven. Ter ere hiervan werd in 1951 de Boskapel gebouwd. Niet alleen op vlak van infrastructuur kwam Sint-Amandus tot een stilstand. Ook op het vlak van de psychiatrische zorg bleef de tijd even stilstaan ondanks de evoluties die voor de oorlog werden gemaakt.

Evolutie in de verzorging In het begin van Sint-Amandus bestonden er nog maar weinig medicijnen gericht op psychische problemen. De Broeders ontfermden zich over de geestelijke gezondheid in samenwerking met de pater-aalmoezeniers door middel van gebed, biecht en communie. Het was niet verplicht om het geloof te praktiseren, maar dit werd wel sterk gestimuleerd. Er werd ook sterk ingezet op de lichamelijke gezondheidszorg en algemene hygiëne. Er was reeds heel vroeg een geneesmiddelendepot en een veldhospitaal waar patiënten met besmettelijke ziektes zoals tuberculose werden opgevangen.

Na de Tweede Wereldoorlog ging de medische kennis over psychiatrische ziektebeelden en de aanpak ervan met sprongen vooruit. Hierdoor was er meer nood aan verplegers en verzorgers. Maar in tegenstelling tot vroeger werd wel van de verzorgers gevraagd dat ze een opleiding tot psychiatrisch hulpverpleger zouden volgen en examens afleggen. In 1965 werd de eerste vrouw in dienst genomen, Elza Batselaere. Een innovatie in die tijd was de EEG of de elektro-encefalografie, dit werd vroeger steeds uitgevoerd door een dokter of broeder-verpleger. Broeder Augustinus, overste op dat moment, vond dat dit ook door een verpleegster kon uitgevoerd worden. Daarvoor kwam de oudste dochter van toenmalig huisdokter Richard Batselaere in aanmerking. Ze kwam meteen in dienst, echter de toestemming van Rome kwam later.