thumb|Het dorp De Meern in 1744 gezien vanuit het westen, getekend door Hendrik Spilman. In het midden de Meernbrug. Deze geschiedenis van De Meern beschrijft de ontwikkeling van het gebied van De Meern in de huidige provincie Utrecht vanaf de oudheid. Een nederzetting met de naam De Meern is in de late middeleeuwen ontstaan.

Plaatsnaam Het oudste thans bekende document waarin de plaatsnaam voorkomt, stamt uit het jaar 1208. Hierin wordt een hofstede genoemd met de naam Marremunde.Palmboom 1995: 194 De naam 'Marre' in Marremunde verwijst naar een kanaal dat gegraven is in de Romeinse tijd, en 'munde' betekent monding: even ten zuiden van Marremunde mondt de Marre uit in de Hollandse IJssel.

In die tijd, omstreeks 1200, werd een dijk aangelegd tussen de plek waar nu de Meernbrug in De Meern ligt en Marremunde. Het kanaal de Marre was in de voorafgaande eeuwen bijna geheel drooggevallen. Bovendien was de slappe omringende veengrond gaan inklinken. De bodem van de Marre bestond uit zand vermengd met stevige klei. Door de inklinking van het veen was er sprake van forse bodemdaling, maar de zand-met-klei-bodem van de Marre daalde minder sterk. Zo ontstond een lage rug die enigszins boven het naastgelegen gebied uitstak. Van de randen van deze rug schepte men klei en verplaatste deze naar het midden; zó ontstond de dijk die in de 14e eeuw Marne, Maerne of Meern werd genoemd.Borger 2016: 38-39 De hofstede Marremunde lag bij het zuidelijke uiteinde van deze dijk.

In het noorden eindigde de dijk bij wat nu de Leidse Rijn is, maar toen een smallere wetering was. De dijk stond haaks op de wetering. Aan de overzijde lag een weg. Daarom werd een brug gebouwd om op de dijk te kunnen komen. In een document uit 1301 wordt deze brug Pons Maerne (in het Nederlands Meernbrug) genoemd. Deze brug is bepalend geweest voor het ontstaan van De Meern. Het is niet bekend vanaf wanneer er sprake was van een nederzetting bij de Meernbrug. Het is alleen zeker dat een kapel bij de brug vóór 1481 werd gebouwd.

Vanaf 1385 wordt de wetering verbreed tot het scheepvaartkanaal Oude Rijn, en enkele jaren later wordt een van zuid naar noord lopende wetering gegraven die dicht bij de Meernbrug eindigt. Daardoor zijn vanaf de 15e eeuw de voorwaarden gunstig voor het ontstaan van een dorpje bij de Meernbrug. De inwoners ervan wonen, blijkens verschllende documenten, aan de Meern.Storm van Leeuwen 1993-1 Kennelijk is hier sprake van een plaatsaanduiding en nog niet van een plaatsnaam. De meeste gebouwen van de nederzetting stonden aan de noordzijde van de Oude Rijn en lagen in het Gerecht Vleuten en De Meern. Het gebied aan de zuidzijde van de Oude Rijn was verdeeld over twee heerlijkheden.

In de 19e eeuw werd De Meern een officiële woonplaats, maar wel verdeeld over drie gemeenten. Aan deze driedeling kwam een einde in 1954 met de vorming van de gemeente Vleuten-De Meern.

Oudheid Rijn De Meern ligt in het stroomgebied van de rivier de Rijn ten westen van de stad Utrecht. Van deze rivier is nu weinig meer te zien in het landschap, maar in de oudheid was ze duidelijk aanwezig. Het gebied werd toen bewoond omdat het per schip bereikbaar was en de grond uit vruchtbaar materiaal bestond. Maar er was ook een groot nadeel. De stroomsnelheid van de rivier was hier zeer laag, waardoor grote hoeveelheden zand en rivierklei werden afgezet op de bodem en aan de oevers. De rivier werd hierdoor in zijn loop belemmerd en zocht een andere route. Menigmaal heeft de Rijn bij De Meern zijn loop verlegd. Er ontstond zelfs een neventak. De noordelijke hoofdtak liep via het huidige Vleuten naar het huidige Harmelen, de zuidelijke neventak via De Meern naar Harmelen. De instabiele rivierloop was nadelig voor de landbouw.

Hollandse IJssel Zo'n 4 km ten zuiden van De Meern bevindt zich een buitenbocht van de rivier de Hollandse IJssel. Sporadisch trad deze buiten haar oevers, zette dan over een groot gebied aan de buitenbochtzijde vruchtbaar materiaal af, en trok zich ten slotte terug in een stabiele bedding. Deze omstandigheid leverde gunstige voorwaarden op voor akkerbouw. Bij archeologische opgravingen in dit gebied werden verschillende landbouwnederzettingen uit de oudheid aangetroffen.

Komst van de Romeinen De komst van de Romeinen aan het begin van onze jaartelling leidde tot grote veranderingen. In de Lage Landen werd de rivier de Rijn de limes, oftewel de noordgrens van het Romeinse Keizerrijk. Langs deze rivier werd een serie legerplaatsen of castella gebouwd. Castellum Traiectum was een van de belangrijkste. Zes kilometer westelijker lag aan de zuidelijke tak van de Rijn het volgende castellum. Het lag op dezelfde plaats als het huidige Castellum Hoge Woerd in De Meern. De grens werd ook bewaakt vanuit wachttorens. Iets ten zuiden van de Rijn liep de limesweg, een hoofdweg. Zowel deze weg als de Rijn eindigden bij de Noordzeekust en waren daarom ook van groot belang voor transporten naar Engeland.

Kanaal naar het landbouwgebied De onmiddellijke omgeving van het castellum was bewoond, maar de landbouw die hier werd bedreven leverde te weinig voedsel op voor de vele Romeinse militairen. Daarom werd een kanaal gegraven naar het ongeveer 4 km zuidelijker gelegen landbouwgebied. Het takte af van de zuidelijke tak van de Rijn, had een breedte van 10 tot 15 meter en een diepte van ongeveer 2 meter.https://www.aorta.nu/erfgoed-rijnenburg/wp-content/uploads/2023/12/CULTUU1.pdf Polder Rijnenburg - Cultuurhistorische landschapsanalyse (2007), pagina's 11 en 14 Inmiddels is door archeologische onderzoekingen, onder andere in 2017, vastgesteld dat dit kanaal het tracé van de huidige Meerndijk volgde.

Overgebleven sporen uit de Romeinse tijd Limes-paden in De Balije en Veldhuizen Reconstructie van het Romeinse castellum op de Hoge Woerd Contouren van een badhuis bij het castellum Replica van een wachttoren bij het castellum Romeins schip uit de 2e eeuw in de museumhal van het castellum Verschillende in het museum tentoongestelde voorwerpen uit de Romeinse tijd, die bij archeologische opgravingen zijn aangetroffen Reconstructie van de uitmonding van het door de Romeinen gegraven kanaal in de Hollandse IJssel bij de Meernhoeve.

Vroege middeleeuwen Vertrek van de Romeinen Omstreeks 260 wordt de grensbewaking door Romeinse militairen beëindigd en het castellum verlaten. In de vierde eeuw dringen Frankische troepen het gebied binnen. De Romeinse machthebbers huren soldaten in om dit tegen te gaan. Het castellum wordt opnieuw als legerplaats gebruikt, maar nu door huurlingen. In de vijfde eeuw raken de Romeinen hun macht over het gebied definitief kwijt. Het landbouwgebied ten zuiden van De Meern raakt onbewoond, althans voor zover blijkt uit archeologische opgravingen.

Dichtslibbing van vaarwegen en overstromingen Tegen het einde van de vroege middeleeuwen slibden de zuidelijke Rijntak en het kanaal naar de Hollandse IJssel vrijwel volledig dicht. De noordelijke Rijntak bleef een belangrijke scheepvaartroute. In de 8e eeuw waren er echter grote overstromingen; hierdoor werd de rivier veel bochtiger. Daarom besloot men toen tot het graven van de ruim 4 km lange Vleutense Vaart. Deze sneed het stuk Rijn tussen het voormalige Castellum Traiectum (Utrecht) en Den Hoet af.

Bewoning De vijfde eeuw is een chaotische periode. Krijgersgroepen die gelieerd zijn aan Frankische machtscentra maken de dienst uit. Zij zijn onder andere gelegerd in de overblijfselen van het castellum. Daarna komt het gebied in handen van Merovingische koningen, die in Doornik zetelen. Zij voeren een politiek van het naast elkaar bestaan van verschillende culturen, die hun sterke kenmerken van elkaar overnemen. Langs de Rijn nabij het huidige De Meern verrijzen nederzettingen op korte afstand van elkaar, waar landbouw en handel worden bedreven. Het hoogtepunt van deze periode ligt in de achtste eeuw. In de negende eeuw wordt het gebied geteisterd door overstromingen en plunderingen door Vikingen. De bevolking verlaat de nederzettingen.

De Meern wordt deel van het Sticht Utrecht In 1024 ontvangt de bisschop van Utrecht wereldlijke macht en wordt hiermee het Sticht Utrecht een vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk. Dit vorstendom bestaat uit het Nedersticht en het Oversticht. Door de ligging aan de Rijn wordt Utrecht een welvarende handelsstad. Er worden in de 11e eeuw drie nieuwe kapittelkerken gebouwd in aanvulling op de twee reeds bestaande. Laaggelegen delen van het Nedersticht komen in bezit van de vijf Utrechtse kapittels. Het gebied rondom Vleuten en het noordelijk deel van het huidige De Meern worden eigendom van het Kapittel van Oudmunster. Het gebied ten zuiden daarvan komt grotendeels in bezit van het Kapittel van Sint-Jan.

Overgebleven spoor uit de vroege middeleeuwen De Alendorperwetering langs de Esdoornlaan is een overblijfsel van de hoofdtak van de Rijn.

Hoge en late middeleeuwen Ontstaan van de polders Inleiding In het jaar 1000 valt het landschap van het huidige De Meern uiteen in het bewoonde gebied op de relatief hoog gelegen oeverwallen van de Rijn en de verderaf gelegen woeste gronden. Op de oeverwallen is de grondsoort een mengsel van zand en klei. Deze is zeer geschikt voor akkerbouw. De woeste grond bestaat uit een dunne laag rivierklei op veengrond. Veruit het grootste deel van het gebied bestaat uit woeste grond.

De vijf Utrechtse kapittels gaan een centrale rol spelen in het geschikt maken van woeste gronden voor akkerbouw. Het model voor deze ontginningen is in beginsel overal hetzelfde. Het terrein wordt ontdaan van bosschages en er worden lange evenwijdige sloten gegraven, die het overtollige water snel kunnen afvoeren naar bijvoorbeeld een rivier. De aan kolonisten uitgegeven langgerekte percelen grond worden copen genoemd. Dit systeem ontstaat in ±1050 rondom Utrecht. Het wordt al snel overgenomen in grote delen van het huidige Nederland, vooral ook in het naburige Graafschap Holland. Vandaar dat men spreekt van de Grote Ontginning.

Door de snelheid waarmee dit project wordt uitgevoerd, ontstaan problemen van uiteenlopende aard. Via rivieren en weteringen staan het Sticht Utrecht en het Graafschap Holland met elkaar in verbinding. De graaf van Holland voert daarom vaak overleg met de bisschop. In de loop van de tijd wordt Holland een machtig gewest, terwijl de macht van de bisschop sterk aan het verminderen is. Tegen het einde van de middeleeuwen gaan de Hollanders steeds meer hun wil opleggen aan de Stichtenaren wat betreft de aanleg van dijken en waterwegen.

Polders in het gebied van De Meern Waarschijnlijk in de 11e en 12e eeuw wordt ten westen van de stad Utrecht een van oost naar west lopende wetering gegraven.De knik in de huidige Leidse Rijn bij de Meentweg in De Meern duidt erop dat het oostelijk deel van de wetering (veel) ouder is. Deze doet dienst als basis voor het ontginnen in zowel zuidelijke als noordelijke richting. Er is dan nog geen sprake van polders; dat zijn namelijk laag gelegen, door dijken en kaden omringde gebieden die elk hun eigen waterpeil kunnen regelen. In de volgende eeuwen daalt de bodem in grote delen van de ontginningen, en dan ontstaan polders.

De polders in het gebied van De Meern zijn: aan de zuidzijde, van oost naar west: Papendorp, Oudenrijn en Veldhuizen; ook aan de zuidzijde, maar dan als tweede ontginningsfase, in het verlengde van vorengenoemde polders (dus verder naar het zuiden): Galecop, Heicop en Reijerscop; aan de noordzijde, van oost naar west: Polder Het Weer en Polder Vleuterweide.Ten oosten van Polder Het Weer ligt het gebied Langerak op de stroomrug van de Rijn; de afstand tussen de rivier en de wetering is hier slechts ongeveer een halve kilometer