thumb|De praktijkruimte van Kremer was gevestigd in dit pand aan de Parklaan te Groningen Jan Kremer (Wildervank, 27 juli 1924 – Groningen, 31 mei 2009) was een Nederlands arts, die bekend werd door zijn pionierende onderzoek naar vruchtbaarheid, in het bijzonder op het gebied van kunstmatige inseminatie (KID), ook wel donorinseminatie genoemd.

Hij was mede vanwege zijn gereformeerde achtergrond, waarin kunstmatige inseminatie lange tijd taboe was, een groot voorstander van de anonimiteit van spermadonoren. Door hem verwekte en hiervan bewust geworden donorkinderen weten mede hierdoor vaak niet wie hun biologische vader is. Zij worden ook wel 'Kremerkinderen' genoemd.

Biografie Kremer werd geboren in het gezin van handelsreiziger Lambertus Kremer en Sietske Elizabeth Poorta. Na zijn middelbare school te hebben afgerond tijdens de bezettingsjaren ging hij geneeskunde studeren. In 1952 werd hij bevorderd tot arts. Na nog een jaar tropische geneeskunde te hebben gestudeerd, werd hij door de gereformeerde kerk uitgezonden naar de missiepost in de stad Kebumen op Midden-Java, waar hij van 1953 tot 1961 actief was als zendingsarts. Hij specialiseerde zich vervolgens gedurende vier jaar in de obstetrie en gynaecologie onder professor Lourens Anton Joosse. In 1965 richtte hij de polikliniek voor vruchtbaarheidsonderzoek op. In zijn werk probeerde hij een verbinding te leggen tussen de voortplantingsbiologie en de dagelijkse zorg voor patiënten met problemen bij het krijgen van kinderen. In zijn visie diende hierbij de focus te worden gelegd op zowel de biologische als de psychologische en seksuologische interactie tussen man en vrouw. Hiermee was hij een pionier in de vruchtbaarheidsleer. In hetzelfde jaar publiceerde hij zijn bevindingen over de interactie tussen baarmoederhalsslijm en zaadcellen, waarvoor hij de 'Sperma Penetratie Meter Test' (ook postcoïtumtest, PCT of Kremertest genoemd) ontwikkelde. Zijn wetenschappelijke studie over dit onderwerp in het International Journal of Fertility was een van de meest geciteerde in zijn vakgebied en maakte hem wereldberoemd. In 1968 promoveerde hij op het proefschrift 'The in vitro spermatozoal penetration test in fertility investigations'.

In 1969 ging hij als vrouwenarts (gynaecoloog) aan de slag in Harlingen. Hier verrichtte hij vele kunstmatige inseminaties. Tegelijkertijd werkte hij als gynaecoloog en androloog aan de Rijksuniversiteit Groningen. Gedurende deze periode ontwikkelde hij samen met bioloog Siemen Jager de 'Sperm Mucus Interaction Test', waarmee antistoffen tegen zaadcellen konden worden opgespoord.

Vanaf 1972 werkte hij één dag per week aan de Universiteit Utrecht als lector in de Leer van de Menselijke Vruchtbaarheid. Tijdens zijn oratie betoogde hij dat voor goed ouderschap een genetisch eigen kind niet noodzakelijk was: Een optimale interactie tussen man en vrouw vormde echter wel een belangrijke voorwaarde voor het welslagen van een goede opvoeding van een kind dat verwekt werd door middel van donorinseminatie. Samen met zijn collega Arie Haspels publiceerde hij in 1973 het standaardwerk Geboorteregeling bij de mens. Naast zijn onderzoek bleef hij echtparen behandelen met stoornissen rond de vruchtbaarheid (zoals onvruchtbaarheid), geboorteregeling, sterilisaties en seksuele problemen in de polikliniek voor vruchtbaarheidsonderzoek en geboorteregeling in Groningen en Utrecht en op zijn particuliere spreekuur thuis aan de Parklaan 16 in het Zuiderpark in Groningen. KID werd door hem naar eigen zeggen slechts incidenteel toegepast.

In 1977 werd hij aangesteld als bijzonder hoogleraar aan de Vakgroep Gynaecologie en obstetrie in de Leer van de Menselijke Vruchtbaarheid en in 1980 als buitengewoon hoogleraar Algemene obstetrie en gynaecologie, met de focus op fertiliteit en steriliteit. In 1981 werd hij tevens buitengewoon hoogleraar aan de faculteit geneeskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. Kremer leverde met zijn werk een belangrijke bijdrage aan de maatschappelijke acceptatie van zowel donorinseminatie als adoptie. Hij wordt gezien als een pionier in de ontwikkeling van de moderne voortplantingsgeneeskunde.

In 1985 ging hij met vervroegd emeritaat. Hij bleef echter tot zijn uiteindelijke pensionering in 1989 actief als universitair hoofddocent geneeskunde. Eind jaren 1990 was hij ook gestopt met zijn kliniek.

Latere leven Na zijn pensionering zette Kremer zich in voor zijn woonbuurt, het Zuiderpark in de stad Groningen, waar in de jaren 1980 plannen waren ontstaan om een aantal fraaie panden te slopen. Kremer wist door zijn inzet deze gebouwen te behouden, waarna ze op de monumentenlijst werden geplaatst. In 2008 publiceerde hij een boek over de geschiedenis van het Zuiderpark.

Kremer overleed in zijn tuin in 2009, gevolgd door zijn vrouw Gé enkele weken later. Het echtpaar ligt begraven in Hellum.

Visie op donorinseminatie Kremer verwekte tijdens zijn werkzame leven naar schatting 1200 tot 2000 donorkinderen. Tussen 1972 en 1985 waren er volgens Kremer in zijn eigen kliniek en in Utrecht naar eigen zeggen 1200 kinderen verwekt. Kremer had een duidelijke visie op donorinseminatie waarbij voor hem het levensgeluk van het echtpaar en geheimhouding rond de donorinseminatie centraal stonden. Veel van zijn standpunten werden in zijn tijd gedeeld door andere artsen. Voor hem persoonlijk vormde het meewerken aan de geboorte van een kind ook een positief tegenwicht naast abortus, waarbij er juist een leven werd beëindigd.

Donoren In 1979 gaf Kremer in een interview met Elsevier aan dat hij gebruikmaakte van vijftig getrouwde donoren tussen de 25 en 45 jaar. In Utrecht maakte hij bij voorkeur gebruik van donoren in de leeftijd van 30 tot 50 jaar. Volgens hem moesten donoren geestelijke rijpheid bezitten die volgens hem ontbrak bij jongere donoren. Donoren wierf hij in Groningen vooral onder mannen die hij ontmoette via zijn werk (artsen en studenten) en via de kerk (waaronder predikanten). In een documentaire in 1986 gaf hij aan dat het lidmaatschap van een kerkgenootschap en het reeds hebben van kinderen voor hem ook selectiecriteria waren. In 1988, toen hij naar eigen zeggen wel tien keer zoveel spermadonoren kon gebruiken als hij beschikbaar had, plaatste hij zelfs een advertentie in 'een hervormd weekblad' om donoren te werven. Een zaaddonor vertelde later dat hij vanaf 1974 bijna 20 jaar had gedoneerd de kliniek van Kremer. Het is niet bekend of Kremer ook zaad invroor, waarmee de periode tussen donatie en inseminatie kon worden vergroot. In de tweede helft van de jaren 80, toen hij volgens Jan Karbaat slechts 'een handvol donoren' had, klaagde hij echter over een groot tekort aan donoren, wat de kans op jarenlange invriezing van sperma minder waarschijnlijk maakt.

Kremer accepteerde alleen donoren die een academische opleiding of ten minste een middelbareschoolopleiding hadden afgerond. Hij onderzocht potentiële donoren vooraf op hun afkomst, intellect en drank- en drugsgebruik. Ook accepteerde hij alleen donoren zonder erfelijk overdraagbare ziekten (zoals astma en reuma) en afwijkingen 'die het levensgeluk kunnen verstoren', zoals een 'abnormale lengte'.

Kremer meldde in 1981 persoonlijk tegen het gebruik van zaad van homo's en 'negers' te zijn voor zijn spermabank in Utrecht. Homo's weigerde Kremer naar eigen zeggen met name omdat er destijds nog onduidelijkheid bestond of homoseksualiteit erfelijk was en 90% van de echtparen niet met een homoseksueel kind wilde worden geconfronteerd. Ook vond hij homoseksualiteit persoonlijk een handicap die een mens ongelukkig kon maken en discriminatie kon opleveren in de samenleving. Daarnaast speelde voor hem bij homo's een verhoogde kans op geslachtsziekten mee, die via sperma overdraagbaar waren en zeer moeilijk aan te tonen waren in het zaad. Desgewenst wilde hij wel onder goede motivering zaad van homo's insemineren wanneer de ouders hierom vroegen (hij had ook incidenteel wel homoseksuele donoren); maar niet standaard, omdat de 'klant koning' was en deze volgens hem vaak geen zaad van homo's of zwarte mannen wenste. Zijn uitlatingen zorgden voor een stroom van protest onder homo's en veel van zijn argumenten werden weersproken door andere gynaecologen.

Ouders Omdat hij een vader essentieel achtte voor het kind wilde hij alleen heteroseksuele echtparen waarbij de man onvruchtbaar was gebleken helpen bij hun kinderwens. In 1979 gaf hij aan alleen getrouwde vrouwen te helpen. Kremer weigerde lesbiennes of bewust alleenstaande vrouwen als klant. Een echtpaar gaf volgens hem namelijk de beste garanties op een zo groot mogelijk welzijn van het kind.

Anderzijds vond Kremer het geen probleem als een kind van een zaaddonor met een hoog IQ werd geboren in een gezin waarvan de ouders enkel de lagere school hadden afgerond of zelfs een laag IQ hadden. Volgens hem hadden ook dergelijke ouders recht op zaad van een 'slimme' donor. Over de impact op het kind zelf werd echter niet gesproken. Kremer verwees ook naar onderzoek naar echtparen met een donorkind, waaruit bleek dat slechts een fractie van hen scheidde. Hij vermoedde dat dit onder andere kwam doordat ouders die geen kinderen konden krijgen en ondanks dit gemis in deze moeilijke periode toch bij elkaar bleven, een kleinere kans hadden om te scheiden.

Geheimhouding rond donorkinderen Kremers visie Voor Kremer stond geheimhouding centraal. Enkel de moeder en haar echtgenoot mochten weten dat hun kind met behulp van een spermadonor was verwerkt. Kremer wilde hiermee de anonimiteit van de spermadonor waarborgen (onder andere vanwege het taboe op masturberen) en de ouders en de donorkinderen beschermen omdat (in de jaren 70) donorinseminatie door een groot deel van de samenleving als een 'onvolwaardig en zelfs ongeoorloofd ouderschap' (potentieel vreemdgaan) werd beschouwd. Hij zag er niets in om het kind op latere leeftijd te vertellen dat een zaaddonor zijn of haar werkelijke vader was. In 1973 verwoordde hij het in een interview als volgt:

In 1974 schreef hij het werkje Geboorteregeling in de Praktijk, waarin hij aangaf dat geheimhouding kon voorkomen dat de onvruchtbare man of het kind zou kunnen worden gediscrimineerd. Donoren moesten zelf ook een handtekening zetten dat ze zelf ook geen contact zouden zoeken met hun kinderen. Ook werd de angst aangejaagd dat het donorkind wellicht zijn ouders niet meer zou accepteren wanneer deze achter zijn afkomst zou komen.

Het donorkind centraal: Discussie over verandering van de wetgeving