Klooster Calvariënberg is een historisch gebouwencomplex in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht, gelegen in het Kommelkwartier op de hoek van de Abtstraat en de Calvariestraat. Oorspronkelijk gebouwd als een zusterklooster, vervulde het complex sinds de opheffing van het klooster eind achttiende eeuw een veelheid aan functies. Gedurende een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw was het onderdeel van het Ziekenhuis Calvariënberg, waarbij het voornamelijk als krankzinnigengesticht diende. De bewaard gebleven delen bestaan uit een kloosterkapel, twee sterk verbouwde kloostervleugels en een eveneens sterk gewijzigd kanunnikenhuis. Deze zijn geklasseerd als rijksmonumenten.

Geschiedenis Klooster De geschiedenis van Calvariënberg begint in 1628 met de schoenmakersdochter Elisabeth Strouven (1600-1661) en vijf andere jonge vrouwen, die op Goede Vrijdag van dat jaar een huis aan de Kommel betrokken om daar een godvruchtig te leven en zich te wijden aan de zorg voor zieken en behoeftigen. Behalve Elisabeth Strouven waren dat Elisabeth Dries, Elisabeth Pruynen, Elisabeth Gilissen, Catharina Tonna en Maria Strouven, een oudere zus van Elisabeth.

Het huis, in feite een stadsboerderij in dit dunbevolkte deel van Maastricht, was beschikbaar gesteld door oud-burgemeester Gerard Dries, wiens dochter deel uitmaakte van de religieuze gemeenschap (op dat moment nog geen klooster). Omdat de vrouwen zich nuttig wilden maken in de maatschappij, weigerden ze aanvankelijk de clausuur. Elisabeth Strouven behoorde al sinds 1624 tot de derde orde van Sint-Franciscus en zij stelde zelf de regels op voor de gemeenschap, maar deze werden door de Heilige Stoel herhaaldelijk afgewezen. De boerderij aan de Kommel, vanaf het prille begin Calvariënberg genoemd (naar de heuvel waar Jezus werd gekruisigd), breidde zich snel uit omdat de dames pestlijders en andere zieken gingen verplegen en zich ook om gewonde krijgsgevangenen bekommerden. Als kloosterkapel deed een verbouwde paardenstal dienst. Het organisch ontstane klooster-gasthuis werd in 1630 ommuurd.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 13-17.

In 1661, kort voor het overlijden van Elisabeth Strouven, werd de gemeenschap alsnog een regulier klooster van tertiarissen van Sint-Franciscus. Hoewel in de kloosterregel verschillende hoofdstukken gewijd waren aan zieken- en armenzorg, verdween de nadruk op de liefdadigheid in de jaren daarna steeds meer. Sommige zusters verbleven in die tijd in Hoeselt, waar de communauteit sinds 1633 een dependance bezat in het Kasteel ter Borch. Elisabeth Strouven was opgevolgd door Elisabeth Mechtildis Cappouns, maar deze kon door tegenwerking van haar familie pas in 1668 de eeuwige geloften afleggen. In 1670 keerden enkele uitgeweken zusters terug naar Maastricht, waar ze zich samen met de zusters van Sint-Annadal opnieuw wijdden aan de ziekenverpleging. In 1671 kwamen de huidige noord- en westvleugel van het klooster tot stand.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 19-22.

In 1675 werd de gemeenschap definitief een contemplatief klooster, omdat de ziekenverzorging toen door de grauwzusters werd overgenomen. In 1710 werd de nieuwe kloosterkerk in gebruik genomen. In 1718 werd een nieuwe leefregel ingevoerd. In 1722 liet Henricus Franciscus de Bounam, deken van het Sint-Servaaskapittel en superior director van het Calvariënbergklooster, de stoffelijke resten van Elisabeth Strouven opgraven en deze onder een fraaie grafzerk bij het altaar in de kloosterkerk herbegraven. Ook verscheen toen een Franstalige biografie van haar leven. In hetzelfde jaar liet De Bounam een huis bouwen ten westen van de nieuwe kapel, het zogenaamde kanunnikenhuis, vanwaar hij het toezicht op het klooster uitoefende. Onder meer door de steun van het rijke Sint-Servaaskapittel beleefde het klooster in de achttiende eeuw een periode van relatieve bloei.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 22-25. (2011): 'Ter herinnering aan Elisabeth Strouven', p. 4. Uitgave: Stichting Elisabeth Strouven (PDF te downloaden op elisabethstrouvenfonds.nl). Gearchiveerd op 28 januari 2023.

In 1794 werd Maastricht veroverd door de Franse revolutionairen. Kort daarop, in 1796, werden alle kloosters door de Fransen opgeheven, ook Calvariënberg. In januari 1797 moesten de zeventien slotzusters en zeven werkzusters het klooster verlaten, hetgeen ze onder protest deden.

Moeder-oversten 1628 Elisabeth Strouven (†1661) 1661 Elisabeth Mechtildis Cappouns (†1683) (1921): 'Het klooster „Calvarieberg" te Maastricht', in: De Maasgouw, jrg. 41, nr. 3 (1921), p. 22 (online tekst op Delpher). 1723, 1743 Marie Lutgardis van Oestrum; Catharina Corvers / Maria Clara van Sint-Augustinus (ondermoeders) (1929): 'Namen van geestelijke en wereldlijke waardigheidsbekleeders in Limburg', in: De Maasgouw, jrg. 49 (1929), nr. 2, p. 19 (online tekst op Delpher). 1753 Clara Weerts; Maria Rosa Bramers (ondermoeder) 1796 M.G. von Aken(?); M.J. van der Horst (ondermoeder)Zie: Protestbrief (1797).

Andere bestemmingen

Het klooster kwam in het bezit van de textielfabrikant Rigano, die in de kloostervleugels een katoenfabriek vestigde. Na zijn dood verkocht zijn weduwe de kapel en de voormalige kanunnikenwoning aan de gebroeders Fraiture, die er een fabriek voor straatlantaarns begonnen. In 1819 verwierf het Burgerlijk Armbestuur de kloostervleugels om er een zieken- en gebrekkigenhuis te vestigen. Het kloostergedeelte werd door de architecten Hermans en Soiron verbouwd tot 'Godshuis' voor 200 armlastige ouderen en gehandicapten ("gebrekkigen") en ten zuiden hiervan verrees een ziekenhuis met ruim 100 bedden. De twee delen van het Gasthuis Calvariënberg waren met elkaar verbonden door een provisorische gasthuiskapel (niet de Calvariekapel, die in deze periode nog in gebruik was als fabriekshal).Ubachs/Evers (2005), pp. 111-112: 'Calvariënberg, ziekenhuis', en p. 199: 'Godshuis'.

In 1845 kon ook de voormalige kloosterkapel met twee belendende huizen worden aangekocht. De huizen kregen de bestemming krankzinnigenzorg, waar tot op dat moment geen gemeentelijke voorziening voor bestond. Het kanunnikenhuis werd verbouwd en uitgebreid en langs de kant van de Calvariestraat verrees een hoge muur. Van de uit twee verdiepingen bestaande Calvariekapel werd de bovenverdieping ingericht als nieuwe gasthuiskapel. De benedenverdieping werd de woning van de directeur. In 1858 verhuisde de directeur naar elders, waarna de benedenverdieping van de kapel werd ingericht als werkplaats voor de krankzinnigen. Een jaar eerder was J.R.H. Meuffels aangesteld als eerste rector van Calvariënberg.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 37-40.

Vanaf 1837 werkten de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus ("Zusters Onder de Bogen") in Calvariënberg, zowel in het zieken- en gebrekkigenhuis als in het krankzinnigengesticht. Na de bouw van het 'derde Calvariënberg' in de periode 1887-91 verhuisden de zieken naar het nieuwe paviljoenziekenhuis elders op het terrein. Het Gesticht Calvariënberg legde zich daarna vooral toe op de verpleging van psychiatrische en geriatrische patiënten. Van 1902 tot 1907 werd de Calvariekapel gerestaureerd en opnieuw ingericht. De kapel werd intensief gebruikt door de zusters, het overig dienstpersoneel, de ziekenhuispatiënten en – in de woorden van rector J.L. Blonden: "ons dierbaar volkje uit het gebrekkigenhuis". In 1920 werden door hem ruim 72.000 Heilige Communies uitgereikt.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 41-46.

Na de verhuizing in 1950 van het ziekenhuis naar Sint-Annadal, werden de oude gebouwen op de hoek van de Abtstraat en Calvariestraat geleidelijk verlaten. In 1952 verhuisden de psychiatrische patiënten naar het voormalige zusterverblijf van de Zusters Onder de Bogen aan de Abtstraat. Een jaar later werd een afdeling voor psychisch gestoorde bejaarden geopend in het naastgelegen Elisabethtehuis. Volgens plannen van het Burgerlijk Armbestuur zou het krankzinnigengesticht hierna worden gesloopt, waardoor de Calvariekapel weer vrij zou komen te liggen en gerestaureerd zou kunnen worden. Op het slopen van de hoge muur langs de Calvariestraat na (1954), bleven deze plannen onuitgevoerd. In het oude Godshuis kwamen kamers voor echtparen (die echter op gescheiden slaapzalen bleven slapen!). In het kanunnikenhuis werden aanvankelijk dienstbodes gehuisvest, maar na 1964 kwamen hier eveneens kamers voor echtparen.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 47-50.Gales/Kreukels/Luijten/Roebroeks (1997), pp. 117-119, 123.

In 1972 verruilden de psychiatrische patiënten het gesticht Calvariënberg voor de nieuwbouw van het psycho-medisch centrum Vijverdal in Scharn. In hetzelfde jaar vertrokken de laatste bewoners van het Godshuis naar het bejaardencentrum Molenhof in het Jekerkwartier. Het oude klooster en gesticht Calvariënberg raakte daarna steeds verder in verval. De kapel was in deze periode in gebruik als opslagruimte van de verpleegkliniek. De overige gebouwen werden gehuurd door de gemeente Maastricht, die er in 1979 de Gemeentelijke Sociale Dienst in onderbracht. In 1985 en 1987 werden een aantal aanbouwen rondom de Calvariekapel en het kanunnikenhuis gesloopt en een jaar later werd de kapel verbouwd ten behoeve van een uitbreiding van de Sociale Dienst.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 55-56. Na het vertrek van deze dienst omstreeks 2007, werd het gebouwencomplex tijdelijk bewoond door studenten.

In 2021 werden plannen gepresenteerd om in het complex van kapel, kloostervleugels, kanunnikenhuis, ziekenhuisvleugels en administratiegebouw 123 appartementen te realiseren.'Deze ‘verborgen parel’ in Maastricht wordt omgebouwd tot wooncomplex: betaalbaar huren op steenworp van het Vrijthof' op limburger.nl, 29 september 2021. Gearchiveerd op 23 maart 2023. Ondanks bezwaren van buurtgenoten, die overlast vreesden, werden de plannen in november 2022 door de Gemeente Maastricht goedgekeurd.'Vergunning voor bouw appartementen in oud klooster verleend', op rtvmaastricht.nl, 4 november 2022. Gearchiveerd op 23 maart 2023.

Erfgoed Kloostervleugels en uitbreidingen De kloostergebouwen vormden oorspronkelijk een U-vormig complex, waarvan thans de oostvleugel langs de Abtstraat ontbreekt. De resterende noord- en westvleugels zijn in de loop der jaren diverse malen verbouwd. Op de binnenplaats zijn nog de muurankers te zien, die het jaartal 1671 vormen. Mogelijk is het meest westelijke deel van de noordvleugel ouder. Dit betreft het gedeelte tussen de Calvariekapel en de Calvariestraat, dat oorspronkelijk slechts één verdieping telde en los stond van de kapel (zie Parijse maquette van Maastricht). In de negentiende of twintigste eeuw werd het uitgebreid en verhoogd. Iets ten westen hiervan staat het kanunnikenhuis, dat door de vele verbouwingen nauwelijks als zodanig te herkennen is.

De oostvleugel werd in 1856 gesloopt en vervangen door het nog bestaande neogotische administratiegebouw, ontworpen door Carl Weber. In 1821 verdubbelde het gebouwencomplex min of meer in omvang door de bouw van drie ziekenhuisvleugels, waartussen een nieuwe gestichtskapel verrees. De luidklok uit 1688, die achter de neoclassicistische gevel van deze kapel hing, is in de tweede helft van de twintigste eeuw spoorloos verdwenen.Luijten/Roebroeks (1988), p. 48.

Kloosterkapel, exterieur