thumb|Vrouwen in de Politiek – Politicoloog Liza Mügge – Universiteit van Nederland Genderongelijkheid in de Nederlandse politiek is het verschijnsel dat in Nederland meer mannen dan vrouwen actief zijn in politieke organisaties en minder vrouwen dan mannen van professie politicus zijn. In de verschillende politieke gremia binnen de Nederlandse politiek zijn zowel historisch als in de eenentwintigste eeuw meer mannen dan vrouwen actief. Hoewel de gegevens laten zien dat de genderongelijkheid sinds de invoering van het vrouwenkiesrecht en vooral na de tweede feministische golf afneemt, is het verschil nog steeds significant.
Belang van gendergelijkheid in de politiek thumb|Waarom is een parlement vol witte mannen ondemocratisch? – Karen Celis – Universiteit van Vlaanderen Gendergelijkheid binnen de politiek is in Nederland sinds eind twintigste eeuw onderwerp van maatschappelijke discussie. Vele organisaties hebben meningen geuit over het belang van gendergelijkheid in de politiek.Overigens is er ook op andere punten weinig diversiteit in de politiek. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn bijvoorbeeld personen uit de Randstad oververtegenwoordigd in het parlement en zijn de meeste parlementariërs van middelbare leeftijd. Ook op het gebied van opleidingsniveau en sociale klasse is de diversiteit gering. Argumenten vóór gendergelijkheid hebben doorgaans betrekking op de wenselijkheid van representatieve samenstelling van politieke organen in het algemeen (dus breder dan alleen deelname van een representatief aantal vrouwen), of op de noodzaak voor vrouwen om machtsposities te veroveren om zo beter de belangen van vrouwen te kunnen behartigen. Daarbij komen onder andere de volgende argumenten aan de orde: Het is belangrijk dat de samenstelling van overheidsinstellingen de samenleving weerspiegelt. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat organisaties in het algemeen beter functioneren met een gevarieerde samenstelling. Dit geldt zowel voor de inhoud van de besluiten als voor de procedures en de vorm. Als meer vrouwen actief betrokken zijn, zal de politieke besluitvorming ten goede veranderen Vrouwen en mannen moeten gelijke invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming. Politieke deelname van vrouwen verhoogt de kans dat vrouwenthema's op de politieke agenda komen. Meer politieke macht betekent een grotere invloed op het beleid. Vrouwen hebben dus politieke macht nodig om de eigen belangen te behartigen.
Als argumenten tegen het streven naar gendergelijkheid in de politiek worden de volgende argumenten gegeven: Vrouwen zelf geven aan dat ze het lastig vinden werk in de politiek te combineren met ander werk en hun gezin. Streven naar een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen is secundair; primair is het vinden van de beste mensen. Vrouwen hebben een andere roeping dan zitting nemen in politieke organen. Dat geldt voor zowel vertegenwoordigende als bestuurlijke organen. Deze visie leeft onder andere in orthodox-protestante kringen. De man is in deze visie het hoofd van de vrouw, op basis van Gods woord.
Oorzaken van genderongelijkheid in de politiek Historisch gezien was de patriarchale opbouw van de Nederlandse samenleving bepalend voor de minimale vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, ook al werd al in 1995 gesteld dat er voldoende gekwalificeerde vrouwen beschikbaar waren (met uitzondering van vrouwen uit minderheidsgroeperingen). Leiderschap werd intuïtief geassocieerd met mannelijkheid, waardoor er minder gauw een vrouw werd gekozen. Het is een moeizaam proces om historisch gegroeide man-vrouwverhoudingen te beïnvloeden. Stemmers – ook vrouwen – of beslissers geven de voorkeur aan een man boven een vrouw, ook al is zij beter gekwalificeerd. Eind twintigste eeuw is de tweede persoon op de kieslijst in Nederland vaak een vrouw, maar andere vrouwen staan vaak veel lager op de lijst en werden daardoor niet gekozen. Ook wordt gesteld dat het voor veel mannen in de politiek geen prioriteit heeft om vrouwen een kans te geven. Er zijn in 2017 echter politieke partijen waarvoor dit niet geldt. Vrouwen zijn minder zichtbaar tijdens de zoektocht naar kandidaten voor een verkiezing.
Een andere mogelijke oorzaak ligt bij de socialisatie van vrouwen. Tijdens het samenstellen van kieslijsten en verdelen van posten is er een onderlinge strijd over de plaatsen op de kandidatenlijst. Vrouwen zijn minder gewend om zo een gevecht te voeren en hebben er ook geen zin in. Vrouwen zouden te weinig zelfvertrouwen hebben en zich daarom niet kandidaat durven te stellen. Daarnaast wordt gesteld dat vrouwen de manier waarop politiek wordt bedreven niet interessant vinden en daarom minder geneigd zijn om politiek actief te worden. Ook het ontbreken van een prominente feministische beweging aan het begin van de eenentwintigste eeuw wordt aangegeven als een reden waarom de genderongelijkheid weinig maatschappelijke aandacht kreeg.
Oplossingen om het aantal vrouwen in de politiek te verhogen Er worden diverse oplossingen genoemd om het aantal vrouwen in de politiek te verhogen: Het invoeren van vrouwennetwerken in politieke partijen blijkt effect te kunnen hebben. Het netwerk draagt competente vrouwen aan, traint vrouwen en maakt lijsten met namen voor de selectie van kandidaten. Het benoemen van meer vrouwen in de partijtop, zodat deze andere vrouwen kunnen voordragen. Het opstellen van kieslijsten volgens het 'ritsmodel', waarbij vrouwelijke en mannelijke kandidaten elkaar afwisselen. Een vrouwenquotum (een verplicht opgelegd minimum aantal vrouwen) wordt doorgaans gezien als een laatste redmiddel dat alleen effectief is in combinatie met andere maatregelen. Door een andere beeldvorming, en door rolmodellen met wie vrouwen zich kunnen identificeren, zouden zij zich gemotiveerd kunnen voelen om de politiek in te gaan.
Nederland vergeleken met andere landen Nederland zat in 2017 in de Europese topgroep wat betreft het aantal parlementariërs en bewindslieden (ministers en staatssecretarissen) dat vrouw is. Volgens de Gender Election Observation Mission blijft Nederland in veel andere opzichten echter achter bij de buurlanden, die speciale procedures en campagnes gebruiken met als doel meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
Het World Economic Forum maakt elk jaar een ranglijst over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Daarbij wordt ook de gelijkheid van de verdeling van de politieke macht onderzocht. In het rapport van 2017 staat Nederland wereldwijd op de 25ste plaats. Vele Europese landen staan hoger, IJsland (1), Noorwegen (4), Finland (5), Ierland (6), Zweden (8), Frankrijk (9), Duitsland (10), Denemarken (16), Engeland (17). België staat lager, op plaats 37. De ongelijkheid in politieke macht is toegenomen ten opzichte van het jaar daarvoor. In 2006 stond Nederland nog op de 10e plaats.
Het World Economic Forum brengt voor de politieke macht drie aspecten in kaart: het aantal parlementariërs, het aantal ministers en het aantal jaren dat het land een vrouwelijke premier heeft gehad, de afgelopen 50 jaar. Op alle aspecten scoort Nederland lager dan het gemiddelde van de hele wereld. Meer dan de helft van de landen van de Europese Unie heeft een vrouw als premier gehad. Nederland heeft nooit een vrouwelijke minister-president gehad. In 2025 blijkt de relatieve positie van Nederland verder te zijn gedaald.
Geschiedenis miniatuur|Affiche van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht uit 1916 voor een provinciale landdag in park Zorgvliet te Den Haag.Politieke activiteit van vrouwen was voor de eerste feministische golf minimaal. Vrouwen hadden tot het begin van de 20e eeuw geen kiesrecht. Christelijke partijen met duidelijk antifeministische standpunten, zoals de Rooms-Katholieke Staatspartij, de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk Historische Unie kregen in deze periode samen 45-60% van de stemmen bij verkiezingen voor het parlement.
Niettemin werd bij de grondwetswijziging van 1917 het passief kiesrecht voor zowel vrouwen als mannen ingevoerd. Vrouwen konden vanaf dat moment gekozen worden. Twee jaar later kregen vrouwen ook actief kiesrecht en konden zij een stem uitbrengen.
Tot de Tweede Wereldoorlog kwamen er enkele vrouwen in het Nederlands parlement. Geen enkele vrouw bracht het tot minister. In de periode tot 1976 verbeterde dit. De meeste kabinetten hadden één vrouwelijke minister of staatssecretaris. Tijdens de tweede feministische golf verdween de discussie óf vrouwen überhaupt wel aan de politiek konden deelnemen, die eerder wel gevoerd werd. Na de verkiezingen van 1977 waren 14% van de leden van de Tweede Kamer vrouw. Het kabinet-Den Uyl kende toen vijf vrouwelijke bewindspersonen.
In het 1980 ratificeerde Nederland het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Artikel 7 van dit verdrag luidt als volgt: De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen, en verzekeren vrouwen in het bijzonder het recht om op gelijke voet met mannen:(a) hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen, en verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen;(b) deel te nemen aan de vaststelling van het overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan, alsook openbare ambten te bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus te vervullen;(c) deel te nemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.
In 1992 werd in het kader van het Beleidsprogramma Emancipatie een project gestart ter vergroting van de deelname van vrouwen aan de politieke en maatschappelijke besluitvorming, gericht op 1995. Dit programma was onder andere gebaseerd op bovengenoemd verdrag. Enkele doelen van het programma waren de verhoging van het aantal vrouwen in vertegenwoordigende organen tot 30% in 1995, honderd vrouwelijke burgemeesters eind 1995 en ten minste één vrouwelijke commissaris van de Koningin.
In 2003 begon een proces over het grondrecht van het vrouwenkiesrecht. De Nederlandse Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) sloot vanouds vrouwen uit van haar kieslijsten. Het Clara Wichmann Instituut procedeerde tegen de Nederlandse staat omdat die geen maatregelen tegen de SGP nam. De procedures duurden tot 2012, toen uiteindelijk het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vaststelde dat de SGP vrouwen het recht op verkiesbaarheid niet mag ontzeggen. Lilian Janse was in 2014 de eerste vrouw die namens de SGP in de gemeenteraad kwam.
Minister Aart Jan de Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) kondigde in 2003 aan dat het zijn ambitie was om de speciale portefeuille emancipatiebeleid in het volgende kabinet overbodig te maken, omdat hij constateerde dat de aanwezigheid van vrouwen op nagenoeg alle plekken van de Nederlandse samenleving nagenoeg vanzelfsprekend is. De portefeuille werd ondergebracht bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Genderongelijkheid per gremium Politieke partijen Vrouwen binnen partijen In het Nederlandse politieke systeem spelen politieke partijen een centrale rol. Politieke partijen ontstonden in de tweede helft van de negentiende eeuw. In eerste instantie was de rol van de vrouwen zeer klein, onder andere omdat er geen vrouwenkiesrecht was. Vanaf 1918 konden vrouwen gekozen worden. Er zijn in de jaren daarna verschillende pogingen gedaan om via een speciale vrouwenpartij aan politieke invloed te winnen. De vroegste voorbeelden zijn de Feministische Partij (opgericht in 1918) en de Algemeene Nederlandsche Vrouwen Organisatie (opgericht in 1919). Het electoraal succes van deze vrouwenpartijen was zeer beperkt. Recenter werd in 1985 de Vrouwenpartij opgericht. In 2017 wilde deze partij meedoen met de Tweede Kamerverkiezingen, maar had de waarborgsom niet betaald.