Toledot Yeshu of Sefer Toledot Yeshu, het "Boek over het Leven van Jezus" is een omvangrijk corpus van onderling sterk verschillende Joodse tegenverhalen over Jezus. De moderne editie onderscheidt meerdere groepen, recensies en verhaaleenheden. De classificatie is zo moeilijk dat zelfs de 107 onderzochte Hebreeuwse en Aramese handschriften niet tot één stamboom zijn terug te brengen.
Volgens de brede consensus onder historici is het boek geen betrouwbare historische bron. Het is een laatmiddeleeuwse en vroegmoderne tegengeschiedenis als een satirisch antwoord op christelijke vervolging.
De Toledot Yeshu weerspreekt de maagdelijke geboorte en opstanding van Jezus. Zijn wonderen worden in veel versies verklaard door magie of door het gebruik van de geheime naam van God. De verschillende versies vormen geen samenhangend historisch verhaal. Zij plaatsen Jezus in uiteenlopende perioden en laten hem optreden tegenover verschillende heersers, onder wie Pontius Pilatus, een koningin Helena of leden van de Herodiaanse dynastie.
Ook de verhalen over Jezus’ leerlingen, berechting en dood verschillen per versie. In sommige teksten worden vijf leerlingen berecht, overeenkomstig een verhaal in de Babylonische Talmoed. Jezus wordt opgehangen, gestenigd of op een boom gedood. Na zijn dood wordt zijn lichaam verborgen of verplaatst, waardoor de christelijke verkondiging van zijn opstanding als bedrog of vergissing wordt voorgesteld.
De bekendste versie van de Toledot is van Johann Wagenseil uit 1681. De oudste versie is vermeld door Agobard, de aartsbisschop van Lyon, in 826. De mondeling overgeleverde traditie stamt waarschijnlijk uit de tweede of derde eeuw.R.E.Van Voorst, (2000), Jesus Outside the New Testament, Wm. B. Eerdmans Publishing Co., Cambridge
Verhaal volgens Agobard, ca. 826 uit Agobards De Judaicis Superstitionibus (ca. 826):Engelse vertaling van G.R.S. Mead in zijn Did Jesus Live 100 B.C.?, p. 290-1
In de leringen van hun ouderen lezen de Joden: dat Jezus onder hen een gerespecteerde jongeman was die als leraar Johannes de Doper had.; dat hij veel leerlingen had en een gaf hij de naam Cephas, dat is Petra (rots), vanwege de hardheid en traagheid van zijn verstand. Op de feestdag verwelkomden sommige jongeren Jezus met 'Hosanna, zoon van David'. Beschuldigd van veel zaken werd hij op bevel van Tiberius, wiens dochter hij zonder gemeenschap met een man had laten bevallen van een steen, in de gevangenis gezet. Om deze zaak werd hij als een afschuwelijke tovenaar aan een staak opgehangen en gestenigd. Hij werd bij een kanaal begraven en door een Jood bewaakt. 's Nachts overspoelde het kanaal plotseling en zijn lichaam verdween. Op bevel van Pilatus werd er twaalf manen naar hem gezocht, maar tevergeefs. Pilatus proclameerde dat Jezus was verrezen, zoals hij had voorspeld, en dat de Joden hem daarom moesten vereren. Deze dingen hebben hun ouderen verzameld om aan te tonen, dat Jezus niet moet worden vereerd omdat hij God is, maar omwille van Pilatus' wet.
Verhaal volgens Hrabanus Maurus, ca. 847 Uit Hrabanus Maurus' Contra Judaeos (ca. 847):Did Jesus Live 100 B.C.?, p. 292-3, volgens Bullet (op. sub. cit., p. 97) was het origineel, waaruit deze passage is genomen, voor het eerst gedrukt in Dijon door de jezuïet Pierre Francois Chiffet.
Volgens de Joodse Wet van God werd Jezus aan een boom opgehangen en door God vervloekt. Ze(de Joden) verklaren dat zijn leraar Joshua [Joshua ben Perachiah] gelastte dat hij er af werd gehaald en in een graf gelegd in een tuin vol kool, opdat hun land niet onzuiver raakte. Ze noemen hem in hun eigen taal Ussum Hamizri, wat in het Latijn Dissipator AEgypticus [Egyptische Vernietiger, Balaam- vernietiger was mogelijk een pseudoniem van Ussus-Jeschu] betekent. Jezus werd uit zijn graf gehaald door hun voorouders en aan een touw door de stad getrokken (..) Hij was een goddeloze, en de zoon van een goddeloze, een niet-Jood (heiden) of iemand met de naam Pandera, die volgens hen de moeder van de Heer verleidde.
Verhaal volgens De Toetssteen, 14e eeuw Uit Schemtob ibn Schapruts De Toetssteen in de Krauss Compilatie (1902):Did Jesus Live 100 B.C.?, p. 297-99
U vindt onder de Joden veel verhalen over Jezus' wonderen, zoals de Geschiedenis van Jeschu ha-Notzri die plaatsvond in de tijd van koningin Helene en Geschiedenis van Jeschu ben Pandera in het Aramees, in de tijd van Tiberius Caesar. Volgens het eerste document sneed Jeschu zijn heup open, zonder dat het hem bezeerde, plaatste er de kopie van de Shem ha-Meporesch in en trok er de huid over terug, zodat het genas. Later haalde hij er de kopie weer uit en maakte tekens en deed wonderen. Als teken voor de jongemannen van Israël genas hij een lamme man. Hij zei: ik ben Zoon van God; ik laat de doden opstaan. Gelijk stuurde koningin Helene betrouwbare boodschappers naar hem en zij zagen dat hij de doden liet opstaan. De boodschappers vertelden het haar en ze was bevreesd. Dit is een groot teken, zei ze tegen de wijze mannen. Ze wees de Joden die hem weerstreefden terecht en zij vertrokken beschaamd en vielen in ongenade. Het volk van Galilea maakte vogels van klei, hij sprak de Shem over hen uit en ze vlogen de lucht in. In hetzelfde uur vielen ze neer op hun gezicht en wierpen zichzelf voor hem ter aarde. Breng me een grote molensteen. Ze brachten hem er een en hij liet het te water en zat er zelf op en liet het drijven als een eierschil. Een bries droeg hem voort over het oppervlak van de zee en alle mensen waren hogelijk verbaasd. Tot de koningin sprak hij: ik stijg vandaar op naar mijn Vader in de hemel! Hij spreidde zijn handen en rees op in de lucht, waarop de koningin bang werd. Omdat hij aan het eind zou worden gekruisigd, sprak hij een spreuk uit over alle bomen ter wereld, zodat ze niet zijn gehangen lichaam zouden kunnen dragen. Ze braken daarom allemaal toen hij aan een boom gehangen werd.
Volgens het tweede document verschenen Pilatus, de gouverneur, Rabbi Joshua ben Perachiah (1e-2e eeuw v.Chr.), Marinus, de grote oude van de Joden, Rabbi Juda Ganiba (Yehuda Ganiba, Ginna'a, 'de tuinman'), Rabbi Jochanan ben Mut'ana en Jeschu ben Pandera in Tiberias voor Tiberius Caesar. Hij vroeg: wat komen jullie doen? Jeschu antwoordde: ik ben Zoon van God, ik verwond en genees, en als een man sterft, fluister ik over hem, en hij leeft; en een kinderloze vrouw laat ik zwanger worden zonder echtgenoot. Waarop Tiberius hem wilde testen en zijn eigen maagdelijke dochter liet brengen. Ze (?) fluisterden over haar en ze werd zwanger. En toen Jeschu veroordeeld was en de tijd gekomen om hem te kruisigen en hij zag het kruis rond het vierde uur van de dag, sprak hij magische woorden, vloog weg en nam plaats op de berg Carmel. Rabbi Juda de tuinman sprak tot Rabbi Joshua ben Perachiah: ik ga hem achterna en breng hem terug. Hij antwoordde: Ga, spreek de naam uit van zijn Heer, de Schem ha-Mephoresch. Hij vloog hem achterna en toen hij hem wilde grijpen, sprak Jeschu magische woorden en ging de 'grot van Elias' (grot van Elia) binnen en sloot de deur. Juda de tuinman sprak tot de deur: Open, want ik ben Gods boodschapper. De deur ging open waarop Jeschu zichzelf in een vogel veranderde. Rabbi Juda greep hem bij de zoom van zijn kleding en verscheen voor Rabbi Joshua en zijn metgezellen.
Verhaal volgens de Wagenseil versie, 1681 Het verhaal begint met de vermelding van het jaar 3651 (ongeveer 90 v.Chr.) tijdens de regering van koning Jannaeus (103 - 76 v.Chr.). Yeshu zou de zoon zijn van Miriam (de verloofde van Yohanan) en Jozef Pandera, die met Miriam tegen haar wil gemeenschap had, terwijl hij zich voordeed als Yohanan. Volgens de Jemenitische versie Maaseh Yeshu (Episode van Jezus) was Miriam door Yohanan van haar vader gekocht als dienstmeid en daarmee vanzelf zijn verloofde. Noot 1, Volgens Midrash Hagadol, Deut. 13:7 was de naam van Yeshu's moeder Miriam Magdala Nishaia (Maria Magdalena), Miriam de vlechter van vrouwenhaar. Yohanan was van het koninklijke huis van David, geleerd in de Torah en godvrezend. Jozef Pandera had het uiterlijk van een soldaat en woonde in Bethlehem van Judah in de buurt van een weduwe en haar maagdelijke dochter Miriam. Yehoshua (Yeshu) was vernoemd naar Miriams broer.
Yohanan vertrok naar Babylonië of Egypte toen hij er achter kwam en het aan Rabbi Simeon ben Shetah (ca. 120 - 40 v.Chr.) had gemeld. Er waren geen getuigen bij geweest en daarom kon Jozef Pandera niet worden gestraft. Op de achtste dag werd Yeshu besneden.
Als jongen ging Yeshu de Joodse traditie leren, maar hij verscheen een keer blootshoofds voor de leraren en dat werd aangemerkt als een gebrek aan respect. Er werd onderzoek gedaan en men kwam er achter, dat hij buiten het huwelijk om was geboren. Yeshu vluchtte naar Boven Galilea. In de tempel van Jeruzalem leerde hij de letters van Gods Onuitsprekelijke Naam, waarmee hij wonderen kon verrichten. Hij verzamelde driehonderdtien man en gaf zich uit als de Messias. Het Sanhedrin liet hem arresteren, door de boodschappers Annani en Ahaziah, die zich als zijn leerlingen voordeden, en bracht Yeshu voor koningin Helene (Salome Alexandra) (140-67 v.Chr.), de vrouw en opvolger van koning Jannaeus (125-76 v.Chr.). Hij werd door de Wijzen beschuldigd van tovenarij en verleiding. Toen hij een dode tot leven bracht liet de koningin hem gaan.
De volgende keer werden de twee boodschappers opnieuw naar Yeshu gestuurd om hem naar de koningin te brengen, maar hij sprak de Onuitsprekelijke Naam over vogels van klei en liet hen vliegen. Ook liet hij een molensteen op het water drijven. Hij zei tegen de boodschappers wat ze gezien hadden aan de koningin te vertellen, die daarop van verbazing trilde.
De Wijzen zorgden er toen voor dat Judah Iskarioto ook de letters van Gods naam leerde en Yeshu en Judah hielden een wedstrijd in wonderen. Maar daarbij verloren ze alle twee hun kennis en het gebruik van de geheime naam. Toen werd Yeshu opnieuw gearresteerd, geslagen met granaatappelstaven en naar de synagoge van Tiberias gebracht en aan een pilaar gebonden. Hij kreeg azijn te drinken om zijn dorst te stillen. Ze zetten hem een doornenkroon op het hoofd. Zijn volgelingen wisten hem na een strijd met de 'ouderen' naar Antiochië of Egypte te brengen. miniatuur|In Johannes 20:15 verschijnt de herrezen Jezus zelf als tuinman met spade aan Maria Magdalena: 'Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.' (Statenvertaling) De herrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena, Rembrandt van Rijn, 1638
Op een dag ging Yeshu terug naar Jeruzalem, gezeten op een ezel, om weer het geheim van de Naam te leren, maar Judah Iskarioto, nu een van zijn volgelingen, verraadde hem aan de Wijzen. Toen hem zijn naam gevraagd werd deed hij zich vier maal voor als een van zijn leerlingen: Mattai, Nakki, Buni en Netzer. Yeshu werd op het zesde uur van de dag voor Pesach opgehangen aan de stengel van een koolplant en buiten de stad begraven. Zijn volgelingen rapporteerden op de eerste dag van de week aan de koningin, dat de verslagene werkelijk de Messias was, omdat zijn graf nu leeg was en hij naar de hemel was opgestegen. In werkelijkheid had een tuinman het lichaam van Yeshu begraven in het zand, onder een stroom die zijn tuin van water voorzag, wat hij opbiechtte aan Rabbi Tanhuma toen die daar rondliep. De Wijzen bonden het opgegraven lichaam aan de staart van een paard en brachten het naar de koningin, die hen er voor prees en Yeshu tot een valse profeet verklaarde.
Dit deel van de Toledot Yeshu gaat over Jezus, andere secties gaan over de daden van zijn discipelen. Twee toegevoegde hoofdstukken gaan over Nestorius' pogingen om christenen Joodse gebruiken te laten herstellen en over het verhaal van Simeon Kepha (apostel Petrus, verkeerd geïnterpreteerd als apostel Paulus).Van Voorst, p. 123-26
Verhaal volgens het Straatsburg manuscript