Het werkboekje was een document waarmee een arbeider in België in de 19e eeuw kon aantonen dat hij een arbeidsovereenkomst had met een werkgever. Het gebruik ervan was verplicht tot 1883 maar toen afgeschaft (wet van 10 juli 1883 met betrekking tot de dienstboekjes). In de Limburgse mijnen werd het echter nog tot een eind in de 20e eeuw gebruikt om de arbeidsovereenkomst met de mijnwerkers te bevestigen. miniatuur|Werkboekje van Elodie Boelaert

Ontstaan Het werkboekje, ook wel ‘livret d’ouvrier’ genoemd, ontstond in 1803. Het werd uitgegeven door het Consulaat op 12 april 1803 in Frankrijk. De Franse wetgeving werd doorgevoerd in geannexeerde gebieden, en daarom ook in de toenmalige Zuidelijke Nederlanden, en bleef bestaan in de staatskundige vormen die daarop volgden, tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, en het latere België.

In de wet van 22 Germinal jaar XI van 12 april 1803 met de naam ‘loi relative aux manufactures; fabriques et ateliers’ kwam het werkboekje voor het eerst tot stand. Er werd gesteld dat werkgevers geen arbeider kon aannemen zonder de zogenaamde ‘congé d’acquit’ van de vorige werkgever. Daarbij kreeg de arbeider een bevestiging dat al hun verplichtingen voldaan waren, de persoon in kwestie vrij was te vertrekken.

De wetgeving kwam initieel tot stand om een arbeidsrelatie te consolideren, en werd praktisch vormgegeven aan de hand van dit werkboekje. Deze kwam voornamelijk tot stand om de werkgever te beschermen maar gaf in de praktijk vaak aanleiding tot misbruiken en beperkte de arbeidsmobiliteit van het personeel.

Inhoud Inhoudelijk werd de vorm en inhoud geformaliseerd en bevat het veel gelijkaardige informatie als een curriculum vitae. Volgende aspecten kwamen aan bod: naam, geboorteplaats, leeftijd, beroep, uitgebreide persoonsbeschrijving, naam werkgever, moment van aanwerving en ontslag. Voor grote groepen van de bevolking gold dat indien je zonder geldig boekje op pad was, je als landloper bestempeld werd.

Functie Arbeiders hadden pas de mogelijkheid te vertrekken van hun plaats van tewerkstelling na hun voltooiing van het contract, zoals vastgelegd in het werkboekje. Dit bood een zekere bescherming aan de werkgever om verloop van arbeiders tegen te gaan maar ook om te vermijden dat concurrerende bedrijven arbeiders van een bedrijf rekruteerde.

De periode van tewerkstelling werd bij de meeste arbeiderscategorieën - met uitzondering van bepaalde beroepen zoals meesterknechten - bepaald op maximum één jaar. Op die manier werd de vrijheid van de arbeider toch enigszins gewaarborgd.

Periode van gebruik Hoewel het werkboekje voornamelijk gezien wordt als een fenomeen van de 19de eeuw, bleef het boekje bestendigd in de 20ste eeuw. In vele sectoren geraakte deze in de 20ste eeuw echter in onbruik. Voornamelijk in de Belgische steenkoolnijverheid bleef deze tot stand tot in ongeveer 1960, voornamelijk voor het bepaken van pensioenrechten van mijnwerkers. In 1883 werd door Leopold II het werkboekje officieel facultatief.

Mijnwerkers Voornamelijk in de Belgische steenkoolnijverheid bleef dit werkboekje een belangrijke rol spelen. Dit document bleef bestendigd tot 1960 ondanks herhaaldelijk verzet van de arbeiders. In deze sector was het eigendom van het werkboek een noodzaak om te kunnen toetreden tot de zorgkas en financiële bijdrage te kunnen innen. Deze kas diende bijvoorbelden tot het financiëren van arbeiders met een ongeval, pensioenen aan arbeidsongeschikten en weduwen. De kassen ontvingen gelijke rechten als mutualiteiten in 1868.

Instrument voor machtsmisbruik Het ontstaan van het werkboekje was om de arbeidsrelatie bestendigen, maar diende deze uiteindelijk ook als machtsinstrument van werkgever en legde deze de mobiliteit van arbeiders vast. De werkgever had namelijk de vrijheid om aantekeningen te formuleren in het boekje. Het noteren van een negatieve opmerking in dit werkboekje werd meegedragen in de toekomst als een soort strafblad.

De arbeider het werkboekje diende dit document af te geven aan de werkgever indien gevraagd, maar de werkgever werd omgekeerd ook verplicht deze terug te geven bij vertrek. Echter werd in artikel 7 het machtsoverwicht van de werkgever versterkt alsook de mogelijkheid tot machtsmisbruik ten opzichte van de arbeider. Artikel 7 stelt dat “De arbeider die voorschotten op zijn loon heeft ontvangen of zich ertoe heeft verbonden een bepaalde tijd te werken, kan pas de teruggave van zijn boekje en de afgifte van zijn ontslagbrief eisen nadat hij zijn schuld door zijn werk heeft afgelost en zijn verplichtingen is nagekomen, indien zijn meester dat eist.” Dit impliceert ook dat indien een arbeider ontslag neemt bij een baas, vaak geen mogelijkheid hebben nieuw werk te vinden indien hun werkboekje achter werd gehouden.

Vrouwen en het werkboekje Werkboekjes kunnen een inkijk bieden in arbeidsregistratiepraktijken alsook sociale wetgeving uit die periode.

Voorbeelden van werkboekjes

Bronnen

Categorie:Arbeidsrecht in België