De verbeurdverklaring, ook wel de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen en vorderingen,Art. 9 (oud) Sr; vgl. Noyon/Langemeijer & Remmelink, artikel 33 Sr, aantekening 2. is een vermogenssanctie die de rechter in het Nederlandse strafrecht als bijkomende straf kan opleggen. Bij verbeurdverklaring verliest de oorspronkelijk rechthebbende de eigendom van het verbeurd verklaarde voorwerp of vermogensrecht en verkrijgt de staat deze eigendom.

Tot de negentiende eeuw bestond de mogelijkheid om het gehele vermogen van een persoon verbeurd te verklaren. Deze mogelijkheid werd door de Staatsregeling 1798 en latere constituties verboden, maar maakte tijdens de Franse inlijving van Nederland in de Code pénal van 1811 haar rentree. Na de onafhankelijkheid in 1813 werd zij echter gelijk door het Gesel- en worgbesluit afgeschaft. De opvolger van de Code pénal, het Wetboek van Strafrecht van 1886, kent slechts de bijzondere verbeurdverklaring van sommige voorwerpen.

In het Wetboek van Strafrecht zijn een beperkt aantal categorieën van voorwerpen opgenomen die verbeurd kunnen worden verklaard, bijvoorbeeld voorwerpen waarmee het strafbare feit is gepleegd. Als een voorwerp niet tot zo een categorie behoort, kan het ook niet verbeurd verklaard worden. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn zowel voorwerpen als vermogensrechten, zoals roerende zaken, onroerende zaken en vorderingen. De rechter kan bij verbeurdverklaring bepalen dat de verdachte, of een ander persoon, een financiële tegemoetkoming of compensatie krijgt. Derden wier voorwerpen in beslag zijn genomen kunnen bovendien tegen dit beslag in beklag gaan.

Geschiedenis Reeds onder het oudvaderlands recht kende men in Nederland de verbeurdverklaring. Er werd wel een verschil gemaakt tussen de algemene en de bijzondere verbeurdverklaring. Bij de algemene verbeurdverklaring werden alle goederen van de veroordeelde verbeurd verklaard, terwijl de veroordeelde bij de bijzondere verbeurdverklaring slechts enkele specifiek in het vonnis genoemde voorwerpen verloor. De algemene verbeurdverklaring van goederen werd door de Staatsregeling 1798 verboden.Artikel 35 Staatsregeling 1798 luidde: 'Nimmer zal er eene verbeurdverklaring der Goederen van eenig Ingezeten der Bataafsche Republiek plaats hebben'. Ook in de Staatsregeling van 1801, de Staatsregeling van 1805 en de Constitutie van het Koningrijk Holland bleef het verbod op de algemene verbeurdverklaring gehandhaafd.In respectievelijk artikel 80, 73 en 69 middels de gelijkluidende bewoording: 'Nimmer heeft eenige verbeurdverklaring van goederen plaats.'

Code pénal Met de inlijving van Nederland bij het Franse Keizerrijk verviel echter het verbod op de algemene verbeurdverklaring. In artikel 7 werd de algemene verbeurdverklaring (confiscation générale) als straf ingevoerd die, bij in de wet bepaalde gevallen, opgelegd kon worden samen met een lijfstraf.In tegenstelling tot het huidige Wetboek van Strafrecht kende de Code pénal een onderverdeling van strafbare feiten in drie categorieën: overtreding, wanbedrijf en misdaad. Misdaden waren strafbare feiten die met een lijf- of onterende straf werden bestraft. De lijfstraffen waren: de doodstraf, dwangarbeid, verbanning en de tuchthuisstraf. Artikel 37 van de Code pénal bepaalde dat de algemene verbeurdverklaring geschiedde door toe-eigening 'der goederen van een veroordeelde aan het domein den staat.' Na de onafhankelijkheid van Nederland en tijdens het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden werd de algemene verbeurdverklaring weer afgeschaft. Dit gebeurde door middel het Gesel- en worgbesluit,Besluit van den 11 december 1813, nº. 1, houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Regts-oefening, in de Verënigde Nederlanden, Stb. 10. dat bepaalde dat 'de algemene verbeurdverklaring van goederen (…) wordt geheel en al afgeschaft.'Art. 2 Gesel- en worgbesluit. Het verbod werd ook in de Grondwet van 1814 opgenomen.Artikel 101 Grondwet 1814: 'Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldigen toebehoorende.' Met de grondwetswijziging van 1887 werd het woord 'algemene' voor verbeurdverklaring ingevoerd. Om buiten kijf te stellen dat de algemene verbeurdverklaring was afgeschaft werd bij Wet van 29 juni 1854 bepaald dat voor zoverre de algemene verbeurdverklaring nog bestaat, zij afgeschaft is.Wet van den 29 Junij 1854, houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld, Stb. 102, artikel 2. Het verbod bleef tot de grondwetswijziging van 1983 in vrijwel ongewijzigde vorm in de Grondwet staan, waarna zij werd geschrapt.Noyon/Langemeijer & Remmelink, artikel 33 Sr, aantekening 2; Schooneveld 1866, p. 2.Ondanks dit verbod in de Grondwet kende Nederland na de Tweede Wereldoorlog wel de mogelijkheid tot verbeurdverklaring van het gehele vermogen. In artikel 1 Besluit van 17 september 1944, houdende vaststelling van het Tribunaalbesluit, Stb. E 101 werd de mogelijkheid ingevoerd om deze 'bijzondere maatregel' op te leggen aan bepaalde politieke delinquenten. De regering verdedigde deze aanpak door erop te wijzen dat deze algehele verbeurdverklaring formeel geen strafmaatregel was.

De bijzondere verbeurdverklaring werd geregeld in artikel 11 Code pénal. Daarin stond dat: "(…) de bijzondere verbeurdverklaring, hetzij van de zaak, in of aan welke de misdaad gepleegd is (het corpus delicti), wanneer zij den veroordeelde in eigendom toebehoort, hetzij van hetgeen uit het wanbedrijf voort is gesproten, hetzij van hetgeen tot middel of werktuig gediend heeft, of bestemd was om het te plegen, zijn straffen die aan de misdaden en wanbedrijven gemeen zijn." Alleen goederen die een speciale band met het gepleegde delict hadden kwamen dus in aanmerking voor bijzondere verbeurdverklaring. Het betrof in de eerste plaats goederen die de veroordeelde in eigendom had en in of aan welke het misdrijf was gepleegd (het corpus delicti). Daarnaast kwamen ook de goederen die uit het misdrijf zijn voortgesproten en de goederen die als middel of werktuig hebben gediend of die bestemd waren om het misdrijf te plegen (het instrumentum delicti) in aanmerking voor verbeurdverklaring. Er was destijds onzekerheid of de verbeurdverklaring een algemene bevoegdheid was die de rechter bij elke misdaad of wanbedrijf mocht opleggen, of dat verbeurdverklaring slechts mogelijk was als een strafbepaling daar expliciet in voorzag.In tegenstelling tot het huidige Wetboek van Strafrecht kende de Code pénal nog een systeem van bijzondere strafminima per delict. Daardoor werd per delict aangegeven welke (bijkomende) straffen konden worden opgelegd. Zo kon de rechter in het systeem van de Code pénal de (afgeschafte) algemene verbeurdverklaring alleen opleggen als de strafbepaling dit uitdrukkelijk bepaalde. De twijfel draaide dus om de vraag of de mogelijkheid tot bijzondere verbeurdverklaring per delict moest worden mogelijk gemaakt of dat de bevoegdheid in het algemene deel in de C.P. volstond. In de lagere rechtspraak kwam het voor dat de verbeurdverklaring werd uitgesproken zonder expliciete grondslag in een strafbepaling. De Hoge Raad overwoog in 1845 dat de verbeurdverklaring in het strafwetboek en andere wetten wel in concrete bepalingen bevolen wordt, maar dat er geen algemene regel tot verbeurdverklaring bestaat en dat de rechter die desondanks de verbeurdverklaring oplegt in strijd met het recht handelt.HR 14 januari 1845, N.R. 19, §71, p. 314-315 en HR 18 februari 1845, N.R. 19, §83, p. 372. Dit had tot gevolg dat de verbeurdverklaring alleen kon worden opgelegd indien specifieke strafbepalingen in de Code pénal, oudere verordeningen, algemene wetten en (met ingang van de Gemeentewet in 1851) plaatselijke verordeningen hierin voorzagen. Verbeurdverklaring middels koninklijk besluit of provinciale verordening was niet mogelijk.Deinse 1860, §462 en 463.

Als een voorwerp in beslag was genomen, maar om wat voor reden dan ook niet verbeurd kon worden verklaard, diende dit aan de veroordeelde terug te worden gegeven. Hierdoor kon het gebeuren dat, bijvoorbeeld, het verbeurd verklaren van het moordwapen of van dievengereedschap in strijd met de wet was. De rechter moest dan kiezen tussen teruggave van het voorwerp of, indien hij niet wilde dat dit voorwerp weer in handen van de veroordeelde kwam, het overtreden van de wet. Bij Wet van 29 juni 1854 werd aan dit bezwaar tegemoetgekomen, doordat zij de rechter een zelfstandige mogelijkheid gaf tot 'vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen, vervaardigd, geschikt gemaakt, of gediend hebbende tot het plegen van een misdrijf'.Art. 22 Wet van 29 Junij 1854, Stb. 102. Het betrof een zogenoemde 'politiemaatregel' die strekte tot het onttrekken aan de handel van gevaarlijke voorwerpen. De rechter kon naar eigen goeddunken gebruik maken van deze maatregelen en kon deze bovendien opleggen bij een veroordeling, maar ook bij vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.Deinse 1860, §462 en 463; Smidt I, p. 358-359; Noyon/Langemeijer & Remmelink, commentaar op artikel 33 Sr, aantekening 1.

Het herziene Wetboek van Strafrecht van 1886 In 1886 werd het nieuwe Wetboek van Strafrecht van kracht. Ook de bepaling met betrekking tot de verbeurdverklaring werd aangepast. Deze bepaling in artikel 33 luidde: "1. Voorwerpen den veroordeelde toebehorende, door middel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is gepleegd, kunnen worden verbeurdverklaard. 2. Bij veroordeeling wegens misdrijf, niet opzettelijk gepleegd, of wegens overtreding, kan gelijke verbeurdverklaring worden uitgesproken in de bij wet bepaalde gevallen." Het nieuwe wetboek brak openlijk met de oude Code pénal. Vatbaar voor verbeurdverklaring waren alleen voorwerpen die door het strafbare feit waren verkregen (producta sceleris) en voorwerpen waarmee het misdrijf opzettelijk was gepleegd (instrumenta delicti). De wetgever koos er bewust voor om de voorwerpen die het voorwerp van het delict (corpora delicti) waren uit te sluiten voor verbeurdverklaring. Immers, stelde de wetgever, dat deze voorwerpen meestal geen eigendom van de dader zijn en in de gevallen waar dit wel het geval is kan men 'bezwaarlijk de verbeurdverklaring als regel aannemen.'Smidt I, p. 358. Als voorbeeld gaf de wetgever de verbeurdverklaring van de eigen woning als men die zelf in brand gestoken heeft. De verbeurdverklaring was in beginsel bij alle opzettelijke misdrijven mogelijk. Bij culpoze misdrijven (bijvoorbeeld dood door schuld) en overtredingen moest de wetgever wel per geval aangeven of verbeurdverklaring mogelijk was. Een facultatieve mogelijkheid om in alle gevallen de rechter de bevoegdheid tot verbeurdverklaring te geven vond de wetgever nog te ver gaan, omdat dit 'tot te grote hardheid kon leiden.'

De verbeurdverklaring werd voor het eerst gewijzigd bij Wet van 12 februari 1901, Stb. 63. Aan artikel 33 werd een derde lid toegevoegd die het mogelijk maakte om de verbeurdverklaring op te leggen aan de jeugdige verdachte die zonder 'onderscheid des oordeels' had gehandeld. In zo een geval werd de jeugdige ontslagen van alle rechtsvervolging en kon dus eigenlijk geen (bijkomende) straf worden opgelegd. Ook werd er een nieuw artikel 33bis ingevoerd. Dit artikel maakte de feitelijke verbeurdverklaring mogelijk, ook indien de verdachte niet strafbaar was, bij in- of vervoer van goederen in strijd met de rijksbelastingwetten. Aangezien geen straf vereist was gold zij als 'politiemaatregel'. De verbeurdverklaring kon ook uitgesproken worden bij jeugdige verdachten onder de tien jaar die helemaal niet strafrechtelijk aansprakelijk gesteld konden worden.Kamerstukken II 1897-98, 219, nr. 3 (MvT).