Het structure-agency-debat is de methodologische discussie of sociale structuur centraal moet worden gesteld in de sociale wetenschappen, of het menselijk handelen. Het macro-micro-debat verschilt op enkele punten, maar kent grote overeenkomsten.
Voor de aanhangers van structuur geldt dat vooral socialisatie bepalend is voor gedrag, terwijl de aanhangers van agency – het potentieel tot handelen – stellen dat elk individu over autonomie en vrije wil beschikt die bepalend is voor het gedrag. Dat beide van belang zijn, wordt vrij algemeen aanvaard, alleen zien aanhangers de eigen benadering als vruchtbaarder om tot verklaringen te komen. Buiten de meest extreme standpunten wordt de wisselwerking tussen beide mechanismes benadrukt. Binnen de geesteswetenschappen is een vergelijkbare discussie die tussen structuralisme en hermeneutiek.
Ontwikkeling De tegenstelling was al te vinden aan het begin van de ontwikkeling van de sociologie. Émile Durkheim, een van de grondleggers van de sociologie, zag sociale feiten als de sturende krachten van actoren. Sociale feiten zag hij als sociale verschijnselen die extern aan het individu zijn, maar wel een dwingend karakter hebben. Dit kunnen morfologische verschijnselen zijn, zoals bevolkingsdichtheid en migratie, maar ook instituties, zoals de waarden, normen en het collectief bewustzijn. Door sociale feiten te bestuderen op positivistische wijze, kan de maatschappij onderzocht worden. Volgens dit idee van universalisme kunnen net als bij de natuurwetenschappen individuele waarnemingen via inductie gegeneraliseerd worden tot algemeen geldende wetten.
Volgens Max Weber werd het handelen van een individu niet door de bovenliggende structuur bepaald. Hij benaderde het van onderaf en stelde dat sociaal handelen bepaald wordt door de intenties van de individu. Om dit handelen te begrijpen, moet de zingeving achter deze intenties begrepen worden. Verstehen staat dan ook centraal in de interpretatieve sociologie. Volgens het idee van particularisme kent elke cultuur zijn eigen omstandigheden en relaties. In het uiterste geval worden universalia volledig ontkent en is theorievorming onmogelijk.
De extreme standpunten werden echter in de vroege sociologie nauwelijks ingenomen en ook voor Weber en Durkheim gold dat ze beiden het belang van zowel individu als samenleving erkenden. Dat gold ook voor Talcott Parsons die in zijn vroege werk The Structure of Social Action stelde: It is hoped, in transcending the positivist–idealist dilemma, to show a way of transcending also the old individualism–society organism or, as it is often called, social nominalism–realism dilemma which has plagued social theory to so little purpose for so long.
Met zijn handelingstheorie dacht Parsons het dualisme te hebben opgelost doordat hiermee duidelijk moest worden dat er feitelijk geen dualisme was. Er was geen sprake van een Leviathan die buiten de mens om regels oplegt. Parsons was beïnvloed door Weber en Durkheim en legde de nadruk op de invloed van onderlinge relaties. De invloed van Weber klonk door in de ruimte die Parsons gaf aan actoren. Van daaruit probeerde Parsons een systematische algemene handelingstheorie op te stellen. Dat Weber hier niet zelf toe was gekomen, had volgens hem te maken met diens historistische achtergrond die in algemene theorieën een afbreuk zag van het individuele en particularistische karakter van geschiedenis. Hoewel Parsons wel ruimte gaf aan actoren en voluntarisme, ondergingen de actoren het socialisatieproces bij hem echter vooral passief en had hij meer aandacht voor structuur en functie. (2015): Talcott Parsons and the Conceptual Dilemma, Routledge
Syntheses Er zijn de nodige pogingen om te komen tot syntheses van beide benaderingen.
Structuratietheorie thumb|Het stratificatiemodel van de agent Met Anthony Giddens begon een periode waarin gezocht werd naar een integratie van de beide zienswijzen. Hij introduceerde daarbij een nieuw vocabulaire met exactere definities, waarbij individu plaats moest maken voor agency en samenleving voor structure. Met zijn structuratietheorie richtte Giddens zich op het raakvlak van structuur en agency. De verbinding hiertussen wordt gevormd door de regels of conventies die elke actor ondervindt in een sociale structuur. Deze conventies herbergen een dualiteit; ze zijn zowel een bewust medium als een veelal onbewust gevolg. Zo is het bewuste gebruik van de conventies van een taal nodig om begrijpelijk te kunnen communiceren, terwijl die taal hiermee onbewust in stand wordt gehouden.
Door conformisme blijven deze conventies in stand, door Weber traditioneel handelen genoemd. Hier tegenover staat reflexiviteit, de reflectie of toetsing en daarop herziening van het sociale handelen, dat juist de sociale structuur met zijn conventies verandert.
Giddens ziet daarbij drie structuren waarbinnen de actoren handelen: significatie (zingeving), dat wordt bereikt met communicatie legitimatie op basis van de heersende normen heerschappij op basis van macht
Analytisch dualisme Waar Giddens stelt dat structuur en agency een dualiteit zijn en niet gescheiden kunnen worden van elkaar, wijst Margaret Archer juist op de analytische kracht van die scheiding. Het dualisme van Archer is dan ook geen werkelijk of ontologisch dualisme zoals bij Descartes, maar een analytisch dualisme.
Veld en habitat Pierre Bourdieu ontwikkelde het begrip veld (champ) en habitus om de kloof te overbruggen tussen het existentialisme van Sartre, waarin de actoren een zeer grote invloed hebben, en het structuralisme van Lévi-Strauss, waarin de sociale structuur allesbepalend is.
Volgens Bourdieu bestaat de sociale ruimte uit verschillende velden, zoals politiek, wetenschap en kunst. Daarbinnen is een constante strijd om de eigen positie te behouden of verbeteren en zo het economisch, cultureel, sociaal en symbolisch kapitaal te vergroten. Die strijd maakt macht en daarmee politiek essentieel. Om een specifiek veld te onderzoeken, moet dan ook eerst de relatie van dat veld tot het politieke veld worden bepaald. Daarna moeten de relaties binnen het veld worden vastgesteld. Als laatste stap moet de habitus van de personen in het veld worden bepaald.
De habitus is de cognitieve structuur in ieders geest die ontstaat door internalisering van de sociale ruimte. De habitus maakt het mogelijk om de waarnemingen van die ruimte te begrijpen en te evalueren. De habitus wordt onder meer gevormd door de leeftijdsklasse, gender en sociale klasse. De habitus beperkt het handelen, maar bepaalt deze niet en daarmee onderscheidt Bourdieu zich van de structuralisten. Habitus draagt enkel bij aan de besluitvorming, de actor kiest zelf zijn strategie. Er is geen sprake van volledige rationaliteit of formele logica zonder vrije wil, maar van een praktische logica. Het is deze pratique waarin habitus, kapitaal en veld elkaar tegenkomen en elkaar beïnvloeden: [(habitus)(kapitaal)] + veld = praktijk
Door de nadruk op de relatie tussen habitus en veld wordt deze tussenvorm van methodologisch individualisme en methodologisch holisme ook wel methodologisch relationisme genoemd.
Michel Foucault stelde dat elke cultuur en elke tijd zijn eigen discours heeft om de wereld in te delen en dat categorisatie in het ene discours in een ander discours niet begrepen wordt. Hoewel Foucault de tegenstelling structuur-agency afwees, heeft het begrip discours veel gemeen met de structuur van Giddens en de habitus van Bourdieu. Voor alle drie geldt dat de individu de regels of conventies van de samenleving overneemt, waarbij er bij Giddens meer ruimte is voor de eigen wil.
Systeem en leefwereld Habermas noemde het innerlijke perspectief van de maatschappij de leefwereld. Het objectieve perspectief van een buitenstaander is het systeem waarbij onderzoek zich vooral richt op het verband tussen het handelen van de actoren, de functies daarvan en de bijdrage daarvan aan het systeem. Deze twee benaderingen noemde Habermas sociale integratie en systeemintegratie. Sociale integratie gaat uit van communicatief handelen waarmee actoren onderling tot consensus proberen te komen. Dit perspectief gaat uit van de actoren, waarmee het perspectief vanuit systeemniveau verloren gaat. Vanuit dat laatste perspectief wordt het systeem als zelfregulerend gezien, maar daarbij gaat het perspectief van de actoren verloren.
Habermas stelde daarom voor om beiden te integreren en daarbij de ontwikkeling van beide te beschouwen. Bij beiden zag hij een proces van rationalisering, maar binnen het systeem was dit door middel van doelrationaliteit, terwijl binnen de leefwereld een rationalisering van het communicatief handelen optreedt. Door dat laatste wordt onder meer taal steeds beter geschikt om consensus te verkrijgen. De eisen aan de taal worden daarmee echter ook steeds groter en gaan deze uiteindelijk te boven. Communicatiemiddelen zonder taal, vooral geld en macht en daarmee monetarisering en bureaucratisering, krijgen daardoor de ruimte om op de voorgrond te treden. Dat heeft tot gevolg dat het systeem steeds meer de leefwereld binnendringt, wat Habermas de kolonisering van de leefwereld noemt.
Kritisch realisme Echt Werkelijk Empirisch Mechanismes x Gebeurtenissen x x Ervaringen x x x Roy Bhaskar maakte in zijn kritisch realisme een onderscheid tussen intransitieve en transitieve kennis en de overlappende domeinen van echt (real), werkelijk (actual) en empirisch (empirical).
Zo kan het causale mechanisme van bliksem echt aanwezig zijn, maar niet werkelijk optreden door het ontbreken van bepaalde voorwaarden of door de storende invloed van andere causale mechanismes. Daarnaast worden niet alle bliksemschichten waargenomen. De echte wereld heeft zijn objecten, structuren en causale mechanismes die onafhankelijk zijn van waarnemingen door mensen, ze zijn intransitief. De causale mechanismes zelf zijn niet waar te nemen en ook niet alle objecten en structuren zijn al waargenomen. Dat maakt dat theorieën nooit volledig de echte wereld kunnen beschrijven, ze zijn feilbaar en daarmee transitief. Dat niet alles te kennen is, betekende voor Bhaskar niet dat het er niet is. Hij pleitte daarom voor een onderscheid tussen wat te kennen is, de epistemologie, en dat wat is, de ontologie.
thumb|Transformational Model of Social Action thumb|De verbinding tussen structuur en praxis1 en 1': onbedoelde gevolgen, 2: niet-herkende voorwaarden, 3: niet-herkende motivatie, 4: impliciete vaardigheden Daarna paste hij zijn ideeën toe op de sociale wetenschappen en zag daarbij de voorwaarden voor sociale fenomenen intransitief aanwezig of transcendent waarbij de betekenis buiten de mens ligt: The conditions for the phenomena (namely social activities as conceptualized in experience) exist intransitively and may therefore exist independently of their appropriate conceptualization, and as such be subject to an unacknowledged possibility of historical transformation. The phenomena themselves may be false or in an important sense inadequate (for example, superficial or or systematically misleading). (2014): The Possibility of Naturalism. A philosophical critique of the contemporary human sciences, Routledge
Bhaskar herkende zich in een uitspraak van Karl Marx: Die Gesellschaft besteht nicht aus Individuen, sondern drückt die Summe der Beziehungen, Verhältnisse aus, worin diese Individuen zueinander stehen. (1859): Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie en schreef Society does not exist independently of human activity (the error of reification). But it is not the product of it (the error of voluntarism). [...] Society, then, provides necessary conditions for intentional human action, and intentional human action is a necessary condition for it. Society is only present in human action, but human action always expresses and utilizes some or other social form. Neither can, however, be identified with, reduced to, explained in terms of, or reconstructed from the other.