Michaïl Dimitrievitsj Rjoemin (Russisch: Михаил Дмитриевич Рюмин) (1 september 1913 - Moskou, 22 juli 1954) was een prominent lid van de NKGB - MGB; kolonel en vice-minister van Staatsveiligheid van de Sovjet-Unie van 19 oktober 1951 - 13 november 1952. Hij speelde een rol in de zaak van de vermoorde dichters en waarschijnlijk de hoofdrol in het zogenoemde dokterscomplot. Na de dood van Jozef Stalin werd hij berecht, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Onderzoek wees uit dat zijn beschuldigingen tegen de dichters en artsen geen grond hadden, de betrokkenen in deze zaken werden volledig gerehabiliteerd (Pravda, 8 juli 1954).
Afkomst Michaïl Rjoemin werd geboren in een welgestelde boerenfamilie in het dorp Groot-Kabanië, district Sjadrinsk in het vroegere gouvernement Perm, tegenwoordig in de oblast Koergan. Hij had een broer en een zus; zijn schoonvader vocht in het Witte leger onder admiraal Koltsjak. In 1943 werd hij lid van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.Novaja Gazeta, De laatste favoriet van Stalin, 27-10-2010 Geraadpleegd 27 januari 2018
Opleiding en werk In 1929 voltooide hij de 8-jarige middelbare school in Sjadrinsk. Vanaf mei 1929 tot februari 1931 werkte hij als boekhouder bij de collectieve boerderij "Oedarnik" in zijn geboortedorp. Van februari 1931 tot juni 1931 was hij accountant-instructeur bij het Regionaal Gezondheidscentrum van Kaban. Vanaf juni 1931 volgde hij een cursus in Sjadrinsk, na beëindiging ervan in september 1931 werkte hij als accountant en communicatie-instructeur in de Oblast Oeral tot juni 1933; volgde daarbij in 1931-1932 cursussen aan de Lenin-Universiteit van Sverdlovsk. Van september 1934 tot maart 1935 volgde hij cursussen aan de "Unie van Archieven" maar voltooide ze niet.
Van mei 1934 tot september 1935 werkte hij als hoofdaccountant van de afdeling Communicatie van de oblast Sverdlovsk. In september 1935 werd hij opgeroepen voor het leger en kreeg een staffunctie bij het Militaire district van de Oeral als accountant en econoom. Na zijn diensttijd werd hij in september 1937 controller van de financiële sector van de Centrale Administratie van het transport over rivieren. Van september 1938 tot juni 1941 was hij hoofd van de afdeling planning en financiën van het Moskou-Wolgakanaal. Na het uitbreken van de Grote Patriottische Oorlog ging hij werken bij de NKVD, het Volkscommissariaat voor Binnenlandse Zaken dat onder andere belast was met de opsporing van "vijanden".
Bij de NKVD en MGB Hij studeerde aan de Hogeschool van de NKVD tot september 1941, en werd daarna senior-onderzoeker van de NKVD in Archangelsk. Van mei 1943 tot januari 1944 was hij plaatsvervangend hoofd, daarna tot december 1944 hoofd van de SMERSJ (contraspionagedienst) aldaar. Tot maart 1945 was hij hoofd van de SMERSJ van het militaire district van de Witte zee.
Daarna werd hij overgeplaatst naar het centrale apparaat van de SMERSJ in Moskou en bekleedde daar de volgende posten: hoofdonderzoeker van de 1e afdeling, 6e departement, van maart 1945 tot mei 1946; plaatsvervangend hoofd van het 3e hoofddirectoraat van de MGB (ministerie voor Staatsveiligheid), van mei 1946 tot september 1949; hoofdonderzoeker van de eenheid voor bijzonder belangrijke gevallen van de MGB, van september 1949 tot juli 1951.
Rjoemin werd een "bloederige dwerg" genoemd omdat hij verdachten sloeg en martelde. In 1948 verkreeg hij daarmee materiaal voor de arrestatie van maarschalk Zjoekov. Begin 1949 stond de ondervraging van Boris Sjimeliovitsj, lid van het Joods Anti-fascistisch Comité, onder zijn supervisie. Bij de ondervraging van hem en de andere leden van het JAC werd geweld toegepast. Rjoemin heeft een aandeel gehad in de afloop van deze zaak in de nacht van de vermoorde dichters. Hij kwam in beeld dankzij de dokterszaak.
De dokterszaak Dit betrof het plotseling overlijden van twee leden van het Politbureau, Aleksandr Sjtsjerbakov en hard-liner Andrej Zjdanov wat de schuld zou zijn van hun behandelende artsen. Sjtsjerbakov overleed in mei 1945, 43 jaar oud en Zjdanov in augustus 1948 op de leeftijd van 52 jaar. Nikolaj Mesjatsev voerde in 1953 een audit uit op de onderzoeksresultaten van de dokterskwestie en ontdekte dat deze zaak op initiatief van Rjoemin was vervaardigd.Mesjatsev was jarenlang hoofd van Gosteleradio, de Sovjet-TV en radio In een interview met de krant Sovjetskaja Rossija zei hij:
thumb|20 januari 1953. Sovjet oekaze waarbij Lydia Timasjoek de Leninorde wordt toegekend voor "het ontmaskeren van dokters-killers." Werd herroepen na de dood van Stalin later dat jaar.
Het is niet bekend of het dokterscomplot een idee van Rjoemin was, of dat Stalin hem daarop bracht. Voor Georgi Malenkov en Lavrenti Beria, naaste medewerkers direct onder Stalin, gold volgens Medvedev dat ze geen fysieke liquidatie van Zjdanov nodig hadden. Voor hen zou het risico van het creëren van een samenzwering met een artsenteam te groot zijn. Zjdanov was in juli 1948 vertrokken voor vakantie, met weinig hoop op herstel, en dus al behoorlijk uit beeld. Het geval van de artsen. Trage start van het onderzoek. Z. Medvedjev, Moskou 2003. Geraadpleegd 26 januari 2018
Arrestatie Etinger De (joodse) arts Jakov G. Etinger werd gearresteerd door toedoen van Itzik Fefer, die zelf vastzat in de zaak van het Joods Anti-fascistisch Comité.Lustiger, Arno, Stalin and the Jews (New York: Enigma Books, 2003) blz. 219 Tussen november 1950 en januari 1951 werd Etinger 37 keer ondervraagd. Rjoemin kreeg van minister Abakoemov de aanwijzing om het bij deze bejaarde man rustiger aan te doen. Desondanks deed Rjoemin nogmaals een dergelijk aantal ondervragingen; Etinger overleed in gevangenschap op 2 maart 1951.Jonathan Brent and Vladimir P. Naumov, Stalin's Last Crime, The Doctors' Plot (John Murray, 2004) blz. 101 Rjoemin kreeg een reprimande. Uit vrees voor erger liet hij op 2 juli 1951 een brief aan Stalin sturen, geschreven door D.N. Soechanov (assistent van Malenkov, de 2e man na Stalin).
Abakoemov terzijde geschoven In deze brief beschuldigde hij Viktor Abakoemov, minister van Staatsveiligheid van de USSR (1946-1951), van het verbergen van informatie over de dood van de secretaris van het Centraal Comité А. С. Sjtsjerbakov. Tevens meldde hij dat Abakoemov het onderzoek naar de gearresteerde professor Jakov G. Etinger zou hebben belemmerd. Volgens Lustiger zou Etinger aan Abakoemov hebben bekend dat hij met opzet onjuiste behandeling had toegepast bij hooggeplaatsten en dat Abakoemov daarom Etinger had vermoord. Ook schreef Rjoemin dat Abakoemov betrokken was bij een plan andere partijleiders te vermoorden met behulp van Kremlindoktoren. Het Politbureau nam de conclusies van Rjoemin over en besloot om Abakoemov uit zijn functie te verwijderen en zijn zaak voor de rechtbank te brengen. Stalin en het Joodse probleem, nieuwe analyse. Het uiterlijk van de dokterszaak. De rol van Malenkov. Z. Medvedev, Moskou, 2003 Geraadpleegd 25 januari 2018 Op 12 juli werd Abakoemov gearresteerd, de voormalig minister kwam in de gevangenis Lefortovo. Zijn vrouw met een zoon van 4 maanden oud verbleven daar samen met hem. Een dag later werd de top van het onderzoeksgedeelte van de MGB, Leonov en zijn plaatsvervangers Lichatsjev en Schwartzman (Sjvartsman), verder Belkin, Palkin en Oetetsjin gearresteerd.Stalinisme en Sovjetisering 1945-1953, Academisch proefschrift, Amsterdam (2008), N. Petrov Geraadpleegd 27 januari 2018 Later dat jaar werden nog tientallen medewerkers van de MGB gearresteerd. De volgende dag kwam er een geheime brief van het Centraal Comité van de Communistische Partij "Over de onbevredigende situatie bij het Ministerie van Staatsveiligheid".
Promotie en demotie van Rjoemin De aanval naar voren van Rjoemin had eerst succes. Op 10 juli 1951 werd hij door Stalin benoemd tot plaatsvervangend hoofd en vanaf 19 oktober tot hoofd van de onderzoekscommissie voor belangrijke gevallen van de MGB. Tegelijkertijd werd hij op 19 oktober benoemd tot vice-minister van het Ministerie van Staatsveiligheid en lid van het Collegium van de MGB. Het ambt van minister van Staatsveiligheid werd van augustus 1951 tot maart 1953 bekleed door S.D. Ignatjev. In augustus 1952 kwam de vier jaar oude verklaring van Timasjoek boven water. Rjoemin nam de verdere behandeling van de dokterszaak ter hand. Vanaf september 1952 werden een aantal Joodse artsen gearresteerd. Het geval van de artsen. Trage start van het onderzoek. Z. Medvedjev, Moskou 2003 Een van hen was M.S. Vovsi, een neef van Solomon Michoëls. Het feest van Rjoemin was echter van korte duur. Er was op zijn minst enig bewijs nodig van kwaadwillige bedoelingen van Kremlin-artsen tegen hoge patiënten. Stalin was niet tevreden met het 'bewijs' dat Rjoemin verzamelde. Biografie Rjoemin Geraadpleegd 25 januari 2018 Bij beslissing van de ministerraad van de USSR van 13 november 1952 werd Rjoemin van deze zaak gehaald, kennelijk omdat Stalin besloten had dat hij niet competent genoeg was. Hij moest ook de MGB verlaten; dit alles wegens gebrek aan vorderingen en het niet onderbouwen van de "Abakoemov-zaak" en de "dokterszaak". Er is echter geen documentatiemateriaal van het ontslag van Rjoemin. De interpretatie van historicus Kostirtsjenko is dat Beria erop stond Rjoemin uit de MGB te gooien, omdat hij ontevreden was over diens acties in een Georgische kwestie. Het geval van de artsen. Scenario en uitvoering. Z. Medvedev, Moskou 2003
Op 14 november 1952 werd Rjoemin benoemd tot senior controller van het ministerie van Staatscontrole, onderdeel van het ministerie van Financiën, waarmee hij zijn vroegere beroep van accountant weer opnam.Lustiger, Arno, Stalin and the Jews (New York: Enigma Books, 2003) blz. 248 Hij kreeg tot januari 1953 nog salaris van de MGB, begon zijn nieuwe betrekking als hoofd van de regionale financiële afdeling van Novosibirsk pas op 2 februari.Novaja Gazeta, De laatste favoriet van Stalin, 27-10-2010. Geraadpleegd 27 januari 2018 Zijn onderzoek in de dokterszaak werd voortgezet door Sergei A. Goglidze die ook vice-minister onder Ignatjev werd. Goglidze was een naaste medewerker van Beria.
Stalin geeft op 15 december 1952 blijk van ontevredenheid over het werk van de MGB en Ignatjev. De problemen waren: Er ontbrak een duidelijk beeld van een verondersteld Joods complot; Afdoende bewijs van schuld door Joodse artsen is er niet; Er zijn valse verklaringen van gearresteerden door fysieke onderzoeksmethoden; Bekend zijn slechts negen namen, waarvan twee al overleden; de anderen zijn gearresteerd in 1952. Hierna werden nog meer artsen gearresteerd.
Perspublicatie Op 13 januari 1953 verscheen een publicatie over de zaak in de Pravda. Pravda-artikel in Engels. Geraadpleegd 24 januari 2018 Dit artikel was belastend voor de artsen wat betreft de dood van Sjtsjerbakov en Zjdanov; ook werd bekendgemaakt dat er plannen waren voor de uitschakeling van 5 hoge militairen om "de verdediging van het land te verzwakken". Het artikel was in een antisemitische geest, de meeste artsen waren Joods; ze zouden richtlijnen gekregen hebben van buitenlandse inlichtingendiensten. Een week later kreeg Timasjoek de Leninorde voor het aan de kaak stellen van de zaak in 1948.Lustiger, Arno, Stalin and the Jews (New York: Enigma Books, 2003) blz. 251 In februari volgden meer arrestaties, meest Joodse artsen en hun familie. Vreemd is dat de publicatie leek voor te bereiden op een open rechtszaak binnen afzienbare tijd, terwijl de arrestaties en het onderzoek net waren begonnen. De rechtszaak zou moeten plaatsvinden van 5-7 maart en de executies op 11-12 maart 1953.Lustiger, Arno, Stalin and the Jews (New York: Enigma Books, 2003) blz. 253 Voor het zover was overleed Stalin op 5 maart 1953.
Stopzetting onderzoek De ondervragingen van de artsen gingen door tot in de 2e helft van maart 1953. Het onderzoek werd stopgezet op 28 of 29 maart.