Maurits de Meyer (Elversele, 2 maart 1895 - Wilrijk, 24 november 1970) was een Belgisch volkskundige.

Levensloop Als Waaslander geboren in een klein landbouwdorp, droeg De Meyer zijn hele leven die oorsprong met zich mee.

Zijn vader, die sigarenmaker was, en zijn moeder overleden beiden toen hij een paar jaar oud was. Van de vijf kinderen stierven er drie vroegtijdig en overleefden slechts hijzelf en een zus. Ze werden opgevangen door familieleden in Hamme, waar Maurits de lagere school doorliep, gevolgd door de humaniora in Dendermonde.

In Hamme was hij een van de leiders in de plaatselijke studentengilde. Deze gilde organiseerde kosteloos onderwijs voor volwassenen. In 1916 kwam Lodewijk Dosfel propaganda maken voor de door de Duitsers opgerichte Nederlandstalige universiteit van Gent.

Maurits de Meyer schreef zich in voor het academiejaar 1916-17, studeerde klassieke filologie en geschiedenis en slaagde in de kandidatuurexamens. Tijdens het jaar 1917/18 werd hem een faculteitsprijs toegekend voor zijn studie over Verfransching van het kinderspel in Vlaanderen.

Zijn eerste volkskundig artikel verscheen in 1917 in het Gentse studententijdschrift Aula en behandelde een eerder triviaal onderwerp, onder de titel Waarom de honden elkaar onder de staart rieken, waarin hij een fabel van Phaedrus vergeleek met Vlaamse gezegden, uit de volksmond genoteerd. De Meyer was trouwens al vroeg begonnen met in zijn geboortestreek volksverhalen en elementen uit de volkstaal op te tekenen. Zijn activiteit als 'folklorist' leidde hem tot ideeën over de noodzaak om op deze embryonale 'wetenschap' gerichte lokale verenigingen op te richten. Daarenboven had hij al vroeg aandacht voor meer algemene zaken en sprak hij zijn ideeën uit over het stichten van verenigingen, waarin de folkloristen zowel regionaal als internationaal elkaars bevindingen zouden kunnen uitwisselen.

In 1918 werd hem als activist aan een collaborerende universiteit, verbod op verdere universitaire studies betekend, en mocht hij zelfs geen examens meer afleggen voor de centrale jury.

Gelet op de onmogelijkheid van verdere universitaire studies, trad De Meyer in dienst in de Antwerpse boekhandel 'Het Kersouken' van Anna Joris-Nellens (1872-1926). Ten laatste in 1924 stapte hij over naar de Standaard Boekhandel, waar hij vanaf 1934 een lange loopbaan doorliep, die hij als directeur beëindigde.

Dit belette zijn verdere activiteiten op het gebied van de volkskunde niet. Zijn eerste publicatie in het tijdschrift Volkskunde (1921) handelde over de volkse bijnamen onder de titel De persoonsnamen in het levend volksgebruik en dat gebaseerd was op zijn aantekeningen in Hamme en omliggende. Hij toonde zich hierbij als een onvermoeibare veldwerker, die basismateriaal aandroeg om tot meer algemene conclusies te komen.

Hij werd een bezieler van het tijdschrift Volkskunde, als medewerker en redacteur, en weldra als voornaamste ondersteuner, aangezien Standaard Boekhandel het verlieslatende tijdschrift publiceerde. Vanaf 1938 zorgde hij voor een vernieuwing van het tijdschrift.

Vanuit zijn beroepsactiviteiten was De Meyer medestichter van de Vereniging ter bevordering van het Vlaamse Boekwezen. Hij werd er voorzitter van en lag mee aan de basis van de Boekenbeurs in Antwerpen.

Vanaf 1920 begon De Meyer, op basis van opzoekingswerk dat hierover al door Guido Gezelle was geleverd, volksverhalen op te tekenen en te publiceren, onder meer het boek Vlaamsche volksvertelsels (1922). In 1921 publiceerde hij een catalogus van vertellingen. Dit leidde in 1968 tot een uitgebreide bundeling van volkssprookjes.

Daarnaast publiceerde hij studies, zoals Vlaamsche Sprookjesthema's in het licht der Romaansche en Germaansche kultuurstromingen (1942) en het op een breder publiek gerichte Het Vlaamse sprookjesboek (1951). Het boek kende talrijke herdrukken en werd ook door Georg Hermanowski als Flämische Märchen in het Duits vertaald (Hamburg, 1967).

Naast de sprookjes interesseerde De Meyer zich voor de volksprent waarvan hij een uitgebreide verzameling aanlegde. Op de basis hiervan publiceerde hij De Volks- en Kinderprenten in de Nederlanden (1962), een boek van meer dan 600 bladzijden, met een overvloed aan illustraties. Hem werd hiervoor in Palermo de Pitreprijs toegekend.

Postuum verscheen zijn studie Een Limburgs atelier van devotieprentjes uit de zestiende eeuw. Voor een breder publiek schreef hij Volkskunst en volksprent als onderdeel van het driedelige Volkskunst der Lage Landen (deel 2, 1965).

Hij werd weldra onder de volkskundigen in Vlaanderen, met in de eerste plaats zijn opvolger Karel Constant Peeters, beschouwd als hun primus inter pares en dit kwam tot uiting bij de publicatie in 1970 van zijn Verzamelde werken en eveneens bij zijn overlijden en uitvaart.

Hij woonde na de Tweede Wereldoorlog in een villa in Wilrijk waar hij voldoende ruimte had voor zijn uitgebreide bibliotheek en verzamelingen.

De historica Godelieve Maria De Meyer was zijn dochter.

Eerbetoon Maurits De Meyer werd lid van: de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden, De Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde, De Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis.

Publicaties Gebaseerd op de familiebibliotheek en de bibliografie door dra. Hilda van Assche in Volkskunde71 jg nr 4, 1970. Vetgedrukte jaartallen zijn in familie bibliotheek beheerd door Carl F.M. Koch Over een verklarend sprookje, Bijdrage tot de vergelijkende folklore. waarom de honden onder elkaars staart rieken. Aula I, 1917, pp. 143-146 (heruitgegeven in verzameld werk 1966 pp. 77-80) Jaak vande Velde herdacht (1817-1898). Aula II 1917-1918 pp.7-11 Over een Internationale Folkloristenvereeniging en de folklore-studie in Vlaanderen, Aula II, pp. 25-32 Onze vereenigingen tot verzameling van folkloristisch materiaal. Aula II, pp. 58-61 Vlaamse volksvertelsels, opgeteekend door Guido Gazelle, voor het eerst in boekvorm uitgegeven, Querido 1920 Les contes populaires de la Flandre. Aperçu général de l'étude du conte populaire en Flandre et catalogue de toutes les variantes flamandes de contes populaires, Helsinki, Suomalainen Tiedeakatemia, 1921, 94 pag. (Folklore Fellows Communications, nr. 37). Alfons De Cock. Zijn werk, in: Dietsche Warande en Belfort, jg. 1921, pp. 61-78.(herdrukt in verzamelde werken, Volkskunde 1966 pp. 27-46) Her volksgebruik der persoonsbenamingen, folkloristische bijdrage tot de studie der Nederlandse Namenkunde. Nederlands tijdschrift voor Volkskunde XXVI, 1920-21, pp. 89-101 (heruitgegeven in verzameld werk 1966 pp. 131-148 ) De studie der volksvertelsels, in: Dietsche Warande en Belfort, jg. 1922, pp. 877-895. De etnologie in Amerika, in: Dietsche Warande en Belfort, jg. 1922, pp. 1172-1178. Primitieve gemeenschapskultuur Vlaamsche Arbeid, XVII, 1922, pp. 116-118 Het kinderlied in Vlaanderen. Folkloristisch-vergelijkende studie over de vreemde invloeden in het kinderlied, in verband met de verfransching van het kinderspel in Zuid-Nederland, in: Dietsche Warande en Belfort, jg. 1923, pp. 375-390. (herdrukt in verzamelde werken, Volkskunde 1966 pp. 81-100) Esthetiek en psycho-analyse, Pogen, I, 1923 pp. 265-286 Etnologie en folklore als beschavingswetten, Pogen nr II- feb 1924, pp. 53-58 Janneke en Mieken, kritische aantekeningen bij het werk van Lutz Mackensen , der singende Knochen, Nederlands Tijdschrift voor Volkskunde, XXX, 1925, pp. 120-124 Het sermoen van Bacchus en de oorsprong der gepariodeerde sermoenen., in: Album opgedragen aan Prof. dr J. Vercoullie, tweede deel, Brussel, Paginae, 1927, pp. 351-355. (herdrukt in verzamelde werken, Volkskunde 1966 pp. 101-110) Het 'houten muziek'van Hamme-Zogge en de fantasiemuzieken., Oostvlaamse Zanten, II, 1927, pp. 62-72 Over de verhouding van de volksprenten en volkssprookjes, Nederlandsch tijdschrift voor volkskunde, XXXIII pp. 27-37, 1928 Over folkloristische documentatie, Oostvlaamse Zanten, III, 1928, pp. 2-9 Een nieuwe variante van Unibos, Oostvlaamse Zanten, III, 1928, pp. 40-43 Geschriften van Alfons de Cock, bibliographie., in: herdenkingsalbum Alfons de Cock 1850-1921, Brugge uitgave Exelsior, 1929, pp. 17-38 Sprookjesstudie op nieuwe banen. Mensch en Maatschappij, V, 1929, pp. 112-118 Vlaanderen door de eeuwen heen, Tweede deel. Elsevier, Brussel-Antwerpen, 1932, pp. 369-409 Onuitgegeven sprookjes uit de verzameling van Alfons de Cock., Nederlandsch tijdschrift voor Volkskunde, XXXVIII, 1933, pp. 12-21 en 108-144 De catalogus der Waalse sprookjes, Nederlandsch tijdschrift voor Volkskunde, XXXVIII, 1933, pp.76-78 Wache sagen., Oostvlaamse Zanten, VIII, 1933, pp. 116-117 Oost-Vlaamsche bedevaartvaantjes, heilige Cornelis, Machelen, Oostvlaamse Zanten IX, 1934, p. 108 Onuitgegeven sprookjes uit de verzameling van Alfons de Cock., Nederlandsch tijdschrift voor Volkskunde, XL, 1935-36, pp. 136-140 Het opstellen van het koren in Vlaanderen. Proeve van cultuur-geografisch onderzoek., in: Oostvlaamsche Zanten, XI, 1936, pp. 85-93 over: Gustav Schnuerrer & Joseph M. Ritz, Sankt Kümmenis und volto santo. Studia Catholica, VII, 1936, pp. 85-87 Over J. Gessler, de Vlaamse baarheilige Wilgefortis of Ontcommer., Studia Catholica, XIII, 1937, pp. 525 De studie der bedevaarten vanuit het standpunt der volkskunde, in: Handelingen van het veertiende Vlaams Philologencongres 22-24 april 1938 Leiven, pp. 123-126 Amor et Psyché, etude comparee des variantes recueillies en France, en Belgique et en Allemagne, Journal international d'ethnologie et folklore europeen 1938:2 Thule Stockholm. pp. 197-210 Het opstellen van het koren in Vlaanderen. Tweede bericht. Stand van het onderzoek: zomer 1938, in: Oostvlaamsche Zanten, jg. 13, 1939, pp. 209-222. In memoriam Victor de Meyere 1873-1938., Jaarboek van de Nationale Commissie voor Folklore, Vlaamsche afdeling, I - 1939, pp. 14-18 De korenoogst in het Vlaamsche land, Tourisme, VVIII, 1939, pp. 765-767 Victor de Meyere 1873-1938., Wetenschap in Vlaanderen, IV, 1938-39 kol., pp. 145-147 (heruitgegeven in verzameld werk 1966, pp. 53-56) In memoriam Victor de Meyere 1873-1938., Volkskunde, XLIII, 1941-41, pp. 52-55 Een 'onbekende' bundel 'kindervertelsels, Volkskunde, XLIII, 1940-41, pp. 127-128 Nog 'onbekende' kindervertelsels (van een grooten zwarten hond), Volkskunde, XLIII, 1940-41, pp. 241-242 Vlaamsche sprookjesthema's in het licht der Romaansche en Germaansche kultuurstromingen, Leuven, De Vlaamsche Drukkerij, 1942, 368 pag. (Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Reeks VI, nr. 63). Het 'Meiplanten' en 'scharminkelen' te Hasselt in het begin van de XVIIIe eeuw, Volkskunde, XLIV 1942, p. 219 Over de studie van het volkskarakter, Volkskunde, XLIV 1942, pp. 219-220 Een weinig bekend Landbouwwerktuig uit het begin van de vorige eeuw: het mouldebart of mollebart., Volkskunde, XLIV 1942, pp. 221-222 De Noordnederlandse vertelschat, Volkskunde, XLV 1943, pp. 89-92 De vogelvaderons, om vogelnesten te ontdekken, Volkskunde, XLV 1943, p. 103 Volksbedevaarten in Vlaanderen, Volkskunde, XLV 1943, pp. 140-147 met kaart Heemkunde en Wetenschap., Wetenschappelijke Tijdingen, VII, 1943, kol., pp. 169-171 Rogge en Koren (Secale cereale) Taalkundig aspect van een volkskundig onderzoek. In: Feestbundel H.J. van de Wijer. Tweede deel, Leuven, Instituut voor Vlaamsche Toponymie, 1944, pp. 369-378. met uitslaande kaart. (heruitgegeven in verzameld werk 1966, pp. 149-158) In memoriam Jozef Firmin Vincx, Volkskunde, XLVI, 1944-1945 p. 251 De woorden folklore en volkskunde en hun geschiedenis., Volkskunde, XLVI, 1944-1945, pp. 265-271 (heruitgegeven in verzameld werk 1966, pp. 11-19) Nog bezweringsformules, Volkskunde, XLVI, 1944-1945 pp. 347-349 Enkele volksnamen van planten opgeteekend in het land tusschen Durme en Schelde., met A. de Keersmaeker, Volkskunde, XLVI, 1944-1945 pp. 393-401 Schapersrecht, Volkskunde, XLVI, 1944-1945 pp. 402-403