Prins Leopold zetelde in de Belgische Senaat van 9 april 1853 tot 10 december 1865 in de hoedanigheid van senator van rechtswege.
Zijn recht op een Senaatszetel
Prins Leopold werd senator van rechtswege op 9 april 1853, de dag van zijn achttiende verjaardag. Om toe te treden tot het parlement diende de prins niet te worden verkozen. Als vermoedelijke troonopvolger had hij immers het grondwettelijk recht om te zetelen in de Senaat. De wettelijke grondslag van zijn senatorschap was het hierboven vermelde toenmalige artikel 58 van de Grondwet.
Leopold was de eerste van zeven senatoren van rechtswege die België zou kennen. Na hem volgden nog de latere koningen Albert I, Leopold III, Albert II en Filip en ook prinses Astrid en prins Laurent.
De eedaflegging als senator van rechtswege Op zaterdag 9 april 1853 (in de legislatuur 1851-1855) hield de Belgische Senaat een plechtige vergadering om de eed van Leopold af te nemen. Het parlementair verslag van toen geeft de eedaflegging weer.
Al om half 11 stroomde de publieke tribune van de plenaire zaal vol, alhoewel de vergadering pas zou beginnen iets na 12 uur en tot 14 uur zou duren. Alle senatoren waren aanwezig, alsook een groot deel van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de voltallige regering-De Brouckère.
Bovendien waren er ook hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland aanwezig. Enerzijds gaat het om de broer en de zus van Leopold, namelijk om prinses Charlotte en prins Filips, graaf van Vlaanderen. Leopold droeg het uniform van kapitein van het regiment van de gidsen. Anderzijds namen volgende personen plaats in de diplomatieke tribune: de hertog van Montalto, gevolmachtigd minister van de koning van Sardinië; Charles Adrien His de Butenval, ambassadeur van de keizer der Fransen; Louis Gericke van Herwijnen, gevolmachtigd minister van de koning der Nederlanden; monseigneur Matteo Gonella, pauselijke nuntius; lord Charles Howard de Walden, ambassadeur van de koningin van Groot-Brittannië; de graaf van Marogna, gevolmachtigd minister van de koning van Beieren; de baron van Saramba, ambassadeur van de keizer van Oostenrijk; en burggraaf Eugène de Kerkhove de Varent, zaakgelastigde van België in het Ottomaanse Rijk.
miniatuur|Verslag van de eedaflegging van Leopold als senator van rechtswege. Brussel, 9 april 1853Hand. Senaat 1852-1853, 9 april 1853, p. 231.
Om tien na één trad prins Leopold, hertog van Brabant, de plenaire zaal binnen, samen met de ministers en zijn état-major. Hij werd ontvangen onder uitvoerig applaus en kreten zoals “Vive le Roi!”"Leve de Koning!" en “Vive le Duc de Brabant!”."Leve de Hertog van Brabant! Leopold nam plaats in het midden van de achterste rij banken van het halfrond.
Senaatsvoorzitter Eugène de Ligne hield een toespraak en nodigde Leopold uit om het parlementaire leven te ontdekken. Hij eindigde zijn redevoering met: “La Belgique entière vous écoute!”."Heel België luistert naar u." Daarna stelde hij formeel de vraag aan prins Leopold om de Grondwet na te leven. Vervolgens legde Leopold de eed af, enkel in het Frans: “Je jure d’observer la Constitution”."Ik zweer de Grondwet na te leven."
miniatuur|links|Gezicht op de Wetstraat tijdens de eedaflegging van prins Leopold als senator van rechtswege. Brussel, Natieplein, 9 april 1853.Afbeelding: The Illustrated London News, 16 april 1853, p. 288. Onmiddellijk na zijn eedaflegging hield Leopold zijn eerste maar weliswaar korte toespraak tot de Natie, eveneens enkel in het Frans. Hij beloofde de senatoren dat ze in hem “een landgenoot zullen vinden die gelukkig en fier is om te kunnen bijdragen aan de onafhankelijkheid en de welvarendheid van België”, waarna er opnieuw applaus uitbrak in de zaal. Vervolgens riep Senaatsvoorzitter Eugène de Ligne Leopold uit als senator en was de plechtige zitting voorbij.
De meerderjarigheid van de troonopvolger en diens eedaflegging in de Senaat gingen gepaard met een groots meerdaags feest in de hoofdstad. Na de plechtige zitting bood de Senaat een banket aan in de Vauxhall in het Warandepark en volgde een receptie op het Koninklijk Paleis, in aanwezigheid van koning Leopold I. Die avonds was er een Vlaams spektakel in het Koninklijk Circus. ’s Anderendaags werd een Te Deum gezongen in de Sint-Michiel en Sint-Goedelekathedraal en was er een groot bal op het Brusselse stadhuis. De dag voor zijn eedaflegging was Leopold nog benoemd tot majoor bij de infanterie en had hij het Grootlint in de Leopoldsorde ontvangen. Vanaf zijn meerderjarigheid kon Leopold overigens rekenen op een dotatie van 200.000 frank. Leopold I en zijn tijd, Scriptoria, Antwerpen, 1971, p. 254, .
Zijn toespraken Leopold zou pas twee jaar na zijn eedaflegging voor het eerst deelnemen aan de debatten in de Senaat. In totaal nam hij vijftien keer deel aan de debatten, in de periode van april 1853 tot mei 1861. Net zoals op zijn eedaflegging zou hij hierbij nooit Nederlands spreken. Het Parlement anders bekeken, Academia Press, 2006, p. 21, .
In de eerste plaats waren Leopolds tussenkomsten, die hij zelf schreef, gewijd aan zijn verlangen om België een kolonie te verschaffen. In zijn jaren als senator zou de tribune van de Senaat voor hem de plaats zijn om zijn expansionistische ideeën te verdedigen tegenover zijn landgenoten. Hij schonk tevens aandacht aan de verfraaiing van Brussel, de internationale uitstraling van België en het versterken van de positie van België in de wereldeconomie. en Leopold II, Koning der Belgen. Zijn leven en zijne regeering, Brussel, Vanderlinden, 1905, p. 16. Gearchiveerd op 26 oktober 2021. De meeste van zijn tussenkomsten vonden plaats tijdens begrotingsdebatten.
miniatuur|Prins Leopold, hertog van Brabant, ten tijde van zijn eedaflegging als senator. Nicaise de Keyser, 1853Nicaise De Keyser, Prins Leopold, Hertog van Brabant, 1853, olieverf op doek, Erevestibule, Koninklijk Paleis, Brussel, België. In de parlementaire verslagen wordt hij genoemd als Son Altesse Royale Monseigneur le Duc de Brabant."Zijne Koninklijke Hoogheid Monseigneur de Hertog van Brabant."
De eerste jaren (1853-1858) Op 29 december 1855, ruim twee jaar na zijn eedaflegging, kwam Leopold voor het eerst tussen in de debatten naar aanleiding van het wetsontwerp betreffende de oprichting van een regelmatige stoomscheepvaartverbinding tussen België en de Levant.Hand. Senaat 1855-1856, 29 december 1855, p. 66-67. De prins was een groot voorstander van het wetsontwerp. In zijn toespraak sprak hij over de indrukken die hij had overgehouden aan zijn recente reis naar Egypte, Syrië, Klein-Azië en Griekenland. Hij zag de Levant als een nieuw afzetgebied wat betreft de handel in onder andere suiker, stoffen, wapens, spijkers en glas. Een directe stoomvaartverbinding met België zou die handel dan ook stimuleren. Tevens stelde hij vast dat het merk “België” nog onbekend was in het Oosten. Daarom pleitte hij om het diplomatiek korps uit te breiden. Leopold zag het groots. “Durven is voldoende om te slagen”, zo stelde hij. Vervolgens werd het wetsontwerp unaniem aangenomen.
Leopold kwam een tweede keer tussen in de begrotingsbesprekingen op 11 maart 1856. Hij lanceerde een oproep tot ondersteuning van de schone kunsten en zowel de Franstalige als de Nederlandstalige literatuur.Hand. Senaat 1855-1856, 11 maart 1856, p. 108.
Tijdens de debatten over de begroting van het Ministerie van Openbare Werken bepleitte hij op 26 december 1856 de voltooiing van het Brusselse NoordstationHand. Senaat 1856-1857, 26 december 1856, p. 24., op 27 maart 1857 het uitbreiden van de haven van Oostende en het verfraaien van BrusselHand. Senaat 1856-1857, 27 maart 1857, p. 185 en 187. en op 28 maart 1857 de verdere uitbouw van het spoorwegnet.Hand. Senaat 1856-1857, 28 maart 1857, p. 198.
Leopold schonk later aandacht aan sociale thema’s. Op 4 april 1857 vroeg hij de regering-De Decker middelen vrij te maken voor het bouwen van arbeiderswoningen en het verhogen van de wedden van de lagere ambtenaren.Hand. Senaat 1856-1857, 4 april 1857, p. 262-263. Deze aandacht zou eerder ontstaan uit de angst voor sociale onrusten dan dat het ging om louter menslievende drijfveren. Koningen van de wereld. De aardrijkskundige beweging en de ontwikkeling van de koloniale doctrine van Leopold II, Leuven, Acco, 2009, p. 295-296, .
De belangrijkste toespraken (1858-1861) In 1858 hield Leopold een pleidooi om het aanzien van de Belgische diplomaten te vergroten. “De diplomaat”, zo zei hij, “is de verpersoonlijking van zijn land. Zijn status wordt bepaald door de Staat die hij vertegenwoordigt”.Hand. Senaat 1857-1858, 4 maart 1858, p. 84. Op het einde van dat jaar hield hij een uitgebreid betoog met het oog op het aanknopen van handelsbetrekkingen met China, Japan en Indochina.Hand. Senaat 1857-1858, 24 december 1858, p. 60. Hij wilde nieuwe afzetgebieden creëren in het Verre Oosten, een regio met een half miljard potentiële consumenten. Daarom stelde hij voor om industrie- en handelsambassades op te richten in Peking en Tokio. Leopold wilde aan de oosterse keizers Belgische producten aanbieden om bij hen in de gratie te vallen. Als voorbeelden gaf hij kanonnen, vuurwapens, stoffen, tapijten, lakens, weefsels, garen, linnen, kant, meubelen, messen, spiegels, ramen, rijtuigen, machines, ijzer, zink, kolen enzovoort. Tevens wilde hij een congres oprichten dat maatregelen moest uitwerken om zo veel mogelijk voordelen te behalen uit deze operatie.
De toespraak die Leopold gaf op 17 februari 1860Hand. Senaat 1859-1860, 17 februari 1860, p. 55-60. was met voorsprong de langste die hij in de Senaat heeft gehouden en wordt beschouwd als de meest invloedrijke van zijn redevoeringen. In deze toespraak zouden de expansionistische idealen van de prins voor het eerst duidelijk worden.
Enerzijds sprak Leopold over de export van Belgische producten. Hij stelde dat het door de toenemende concurrentie met de buurlanden noodzakelijk was dat de Belgische handel zich richtte op verder gelegen afzetmarkten. In de spoorwegen, de stoomscheepvaart en de elektrische telegraaf zag hij daartoe nieuwe kansen. Voorts hekelde de prins het gegeven dat Belgische producten werden geëxporteerd via commissiehandel in de buurlanden, namelijk in Le Havre, Hamburg, Rotterdam en Londen. Daarom wilde hij dat België zelf zijn producten zou exporteren. Om dit standpunt kracht bij te zetten, citeerde hij uit talloze brieven van Belgische diplomaten uit de Recueil consulaire. Het gaat om de verzuchtingen van volgende diplomaten: miniatuur|Prins Leopold, Hertog van Brabant, 1853. mijnheer Zizinia, consul-generaal in Alexandrië; mijnheer Noblom, vice-consul in New Orleans; graaf Vander Straten-Ponthoz, minister van de koning in Madrid; mijnheer May, consul in San Francisco; mijnheer de Turck, consul in Beiroet; mijnheer Manoach, vice-consul in Brăila; mijnheer Tedeschi, consul in Varna; mijnheer Schutel, consul in Nossa Senhora do Desterro; mijnheer Smidt, consul in Sint-Thomas; mijnheer Krause, consul in Galatz; mijnheer Kervel, consul in Soerabaja; mijnheer Muller, consul in Sint-Petersburg; mijnheer Ricordi, consul in Nice; mijnheer Guys, consul in Izmir; mijnheer Paulis, consul in Trabzon; mijnheer Reali, consul in Venetië; mijnheer d’Egremont, consul-generaal in Singapore; mijnheer Volkaert, consul in Bombay; mijnheer Vacondio, consul in Syros; mijnheer Moxhet, consul-generaal in Rusland; de consul-generaal in Hamburg; mijnheer T’Kint, consul-generaal in Guatemala-Stad; mijnheer Vlemincx, die een expeditie ondernam in Peru; mijnheer Cloquet, consul-generaal in Sydney; baron van Streit, consul-generaal in Athene; mijnheer de Meester de Ravestein, minister van België in Rome; mijnheer Derote, consul-generaal in Chili en Peru; mijnheer Richon, consul in Lima; en mijnheer Bols, consul in Gorée.