miniatuur|320px|Installatie van ir. Samuel D.J. Westendorff als burgemeester van Nieuwer-Amstel (22 augustus 1942) Een oorlogsburgemeester, ook wel ersatzburgemeester genoemd, was iemand die tijdens de Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog tot burgemeester van een gemeente werd benoemd. 'Oorlogsburgemeester' wordt ook wel gebruikt voor de burgemeester in oorlogstijd, de burgemeester die zijn ambt in oorlogstijd vervulde. Dan gaat het om burgemeesters die voor de oorlog waren benoemd en tijdens een deel of geheel de bezettingstijd het ambt bleven uitoefenen. In tegenstelling tot de ersatzburgemeesters waren zij niet per definitie Duitsgezind.

In Nederland en België Noch in Nederland (waar het om een burgemeester-ambtenaar ging) noch in België (waar het om een politieke benoeming ging) was tijdens de Duitse bezetting een vaste benoeming bij koninklijk besluit mogelijk, gezien de afwezigheid van staatshoofd en regering, zodat zowel tijdens als na de oorlog die benoemingen constitutioneel enkel als die van een waarnemend burgemeester konden gelden. Hij (het was waarschijnlijk nooit een vrouw) werd in beide landen formeel benoemd door de secretaris-generaal voor Binnenlandse Zaken, maar slechts na goedkeuring (Genehmigung) door de bezettende overheid. Soms trad de bezetter eigenmachtig op en benoemde een commissaris-burgemeester, die dan achteraf noodgedwongen wel door de secretaris-generaal in de functie bevestigd werd. In principe stonden de oorlogsburgemeesters aan de kant van de bezetter en waren ze overtuigde nationaalsocialisten of althans volgzame medewerkers aan wat de Nieuwe Orde werd genoemd.

De lokale bestuurders werden de hele oorlog door geconfronteerd met aanzienlijke problemen zoals de voedselvoorziening en -schaarste, de rantsoenering en de zegelbedeling, de bestrijding van de zwarte markt, de ordehandhaving, de vrijwillige of verplichte tewerkstelling, de eigen financiële middelen, de vluchtelingenproblematiek, het onderhoud en het herstellen van schade aan infrastructuur en gebouwen, de werkloosheidsproblematiek en de sociale voorzieningen. Ze moesten daarbij gevolg geven aan de talrijke regels en bevelen die door de bezetter hetzij aan de nationale voogdijoverheden, hetzij rechtstreeks aan de burgemeesters en de gemeentebesturen werden opgelegd.

Ze werden daarbij door de bezetter belast met een massale hoeveelheid aan opdrachten voor het verstrekken van informatie over de meest uiteenlopende zaken. Bij de rechterlijke onderzoeken na de oorlog, was het soms moeilijk de lijn te trekken tussen wat rechtmatige informatie was geweest en wat gewoon verklikking was. Het probleem lag vooral in de lijsten die van de gemeenten werden geëist van onder meer Joden, verzetslieden, werkweigeraars of op te pakken gijzelaars.

In beide landen werd het nazistisch leidersbeginsel of Führerprinzip ingevoerd, waarbij de democratische overleg- en controleorganen zoals provincie- en gemeenteraden, net zoals de parlementen, werden afgeschaft of lamgelegd.

In Nederland thumb|Edward Voûte, oorlogsburgemeester van Amsterdam en lid van de Germaansche SS Nederland De burgemeesters moesten tijdens de Tweede Wereldoorlog de bezetter bijstaan, met dien verstande dat deze zelf, in overeenstemming met de Internationale Oorlogsconventies van Den Haag, de Nederlandse wet en rechtsorde moest respecteren. Van dat laatste kwam vanwege de bezettende macht weinig of niets terecht. De burgemeesters moesten dan ook vaak, zoals historicus Peter Romijn opmerkte, kiezen tussen ontslag en vervanging door een Duitsgezinde of aanblijven en aan de Duitse eisen gevolg geven.

In tegenstelling tot België, dat door een Militärverwaltung werd geleid, viel Nederland onder een Zivilverwaltung, rechtstreeks onder SS-gezag geplaatst en met een zo mogelijk nog strengere greep op de Nederlandse besturen, om te beginnen op de ministeriële departementen en dit tot op het niveau van de gemeentebesturen en de plaatselijke organisaties.

Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, hoofd van de Duitse bezettingsmacht, legde voor alle benoemingen zijn wil opzie L. De Jong, a.w aan secretaris-generaal Karel Johannes Frederiks van Binnenlandse Zaken.Tijdens de enkele dagen dat hij het bevel over Nederland voerde als vertegenwoordiger van de regering, van 13 mei tot 29 juni 1940, benoemde generaal Winkelman enkele burgemeesters. Seyss-Inquart en zijn bezettende bestuur beslisten in laatste instantie over de benoeming, zeker voor de grotere steden, van de nieuwe burgemeesters, die hoofdzakelijk lid waren van de NSBHelen Grevers, a. w., blz. 28: "In Nederland vonden de meeste fascisten zich in de NSB". of minstens aangezien werden als collaboratiebereid en Nieuwe Orde- of nazigezind. De Reichskommissar werd onder meer bijgestaan door een 'Generalkommissar für Verwaltung und Justiz', dr. Friedrich Wimmer. Geen enkele benoeming (burgemeester, wethouder, politiecommissaris, enz.) kon doorgaan zonder de voorafgaande goedkeuring van het Duitse bestuur. Als het naar zijn zin niet vlug genoeg ging, nam de bezetter zelf initiatief en stelde Duitsgezinde personen als 'regeringscommissaris-burgemeester' aan.

Nederland kende in 1940, voor 1000 gemeenten, 925 burgemeesters (een aantal onder hen was burgemeester voor twee of meer kleine gemeenten). Alleen in kleinere gemeenten konden vooroorlogse burgemeesters zich desgevallend, mits voorzichtig en desnoods gehoorzaam handelen, handhaven. Meer dan 500 burgemeesters werden door min of meer Duitsgezinde oorlogsburgemeesters vervangen, onder wie 370 militant NSB'er waren. Vooral vanaf 1942 werden deze door de bevolking zeer negatief beoordeeld. In 1943 richtte de NSB een Landwacht op die de burgemeesters en andere partijleden moest beschermen tegen het verzet. Zoals andere collaborateurs werden die burgemeesters na de oorlog allen ontslagen, meestal oneervol, en rechterlijk vervolgd, vaak ook nog tot gevangenisstraf veroordeeld en van hun burgerrechten beroofd. In een later artikelzie artikel van Brugsma heeft men het over 509 burgemeesters (NSB'ers en anderen) die na de Bevrijding werden afgezet en meestal strafrechtelijk vervolgd. Vierenzeventig oorlogsburgemeesters die niet tot de NSB behoorden, moesten eveneens, in het kader van de zuivering, het veld ruimen.

Ook secretaris-generaal Karel Johannes Frederiks werd ontslagen, omdat (volgens de conclusie van de aangestelde zuiveringscommissie) zijn politiek van schipperen, meevaren, laveren, bakzeil halen, dobberen en boot afhouden had gefaald en noodlottig was geweest. De 'politiek van het minste kwaad' nagestreefd door volgzame ambtenaren, had vooral in het voordeel van de bezetter gespeeld. Ook de commissarissen van de koningin aan het hoofd van de provincies (omgedoopt tot "commissaris der provincie"), werden tijdens de oorlog vervangen, meestal door NSB-leden, die na de oorlog eveneens werden afgezet en meest allen veroordeeld.

De veroordelingen van de lokale bestuurders door de zuiveringsrechtbanken bleven in de meeste gevallen eerder mild. Een enkele terdoodveroordeling en executie trof de burgemeester van Velsen die zich sterk pro-nazi had ingezet. In de meeste gevallen betrof het gevangenisstraffen die minder dan tien jaar bedroegen en meestal slechts gedeeltelijk werden uitgezeten. De ontslagen burgemeesters, veroordeeld of niet, werden zelden of niet opnieuw in een openbare functie benoemd.

Achteraf luidde het negatieve oordeel van professor Peter Romijn over het geheel van de burgemeesters, Duitsgezind of niet: Hier ligt een zware collectieve verantwoordelijkheid en het is van geval tot geval de vraag of de verdiensten hebben opgewogen tegen de nadelige gevolgen.P. Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd, a.w., blz. 673 Hij concludeerde dat het lokaal bestuur tijdens de bezetting een instrument van de Duitse macht was geweest.

Arend Hulshof besloot in het boek dat hij wijdde aan zijn overgrootvaderRijpstra's ondergang. Het lot van een burgemeester in oorlogstijd, Uitgeverij Querido, 2016: Rijpstra en veel van zijn collega’s waren weliswaar geen ‘foute’ burgemeesters in de zin van NSB'ers of door de bezetter benoemd, maar uiteindelijk werkten ze wel stap voor stap mee aan steeds verdergaande maatregelen van de bezetter. Wie had toen kunnen denken op welk hellend vlak de aanblijvende burgemeesters terecht zouden komen? Een hellend vlak dat velen, letterlijk, naar de hel zou voeren.

Collaborerende oorlogsburgemeesters De nazivriendelijkheid van de gemeentebesturen nam vanaf het einde van 1941 in snel tempo toe en weldra had 70% van de Nederlandse bevolking, vooral in de grotere steden, als burgemeester een NSB'er of zelfs, zoals in Amsterdam, een SS'er.Zie: P. Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd, a.w. Onder hen trof men onder meer aan:

In België thumb|Hendrik Elias, oorlogsburgemeester van Gent en leider van het VNV Na de bezetting van België door Duitsland, rekende de bezetter erop dat de lokale besturen, in de eerste plaats vertegenwoordigd door 2617 burgemeesters, gewoon en onderdanig zouden doorwerken. Er was echter nogal wat ontreddering, want een beduidend aantal (ongeveer een derde) van de burgemeesters en schepenen was op de vlucht geslagen en sommigen kwamen maar laat of zelfs helemaal niet weer opdagen. Deze postverlating had blijvende gevolgen en resulteerde onder meer in heel wat verwijderingen van wie gevlucht waren (wat de burgemeesters betreft ging het om 221 ambtsdragers: 59 afzettingen, 11 verplichte ontslagnemingen, 151 spontane ontslagnemingen), zodat al een eerste bres werd geslagen langs waar Nieuwe Ordegezinde personen in gemeentelijke functies konden benoemd worden. Indien de benoemingen naar de zin van de bezetter of van de collaborerende politieke partijen niet snel genoeg gebeurden, werden ook hier commissarissen-burgemeesters rechtstreeks door de Duitsers aangesteld.

De greep naar de macht kwam vooral goed op gang vanaf 1941. De Duitse overheid legde met zijn "ouderdomsverordening" een maximumleeftijd op van zestig jaar, niet alleen voor burgemeesters, schepenen en gemeentesecretarissen, maar ook voor rechters, hoge ambtenaren, politiecommissarissen, enz. Dit opende plots de mogelijkheid om duizenden nieuwe benoemingen te doen, die hoofdzakelijk onder de aanhangers van de collaboratie werden gezocht. Er waren nieuw te benoemen: 981 burgemeesters, 1883 schepenen en 492 gemeentesecretarissen. De Duitse administratie, geleid door Eggert Reeder, waakte erover dat Duitsgezinden werden benoemd. In Vlaanderen was het vooral het VNV dat beslag legde op wat aan macht op het gemeentelijk vlak overbleef, in Wallonië was het vooral Rex. De secretaris-generaal voor Binnenlandse Zaken, Jean-François Vossen, nam verplicht ontslag en de weg was hierdoor vrij om een Duitsgezinde te benoemen. Het werd vanaf april 1941 de VNV'er Gérard Romsée. Samen met de nieuwbenoemde Duitsgezinde gouverneurs, kon hij verder de lokale bestuurders benoemen, mits steeds vooraf de Duitse goedkeuring, de befaamde Genehmigung, te hebben verkregen. Zijn autonomie tegenover de bezetter was gering en hij zorgde hoe dan ook voor partijgetrouwen in de burgemeesterszetels. Hadden deze benoemingen nog een schijn van wettelijkheid, dan werden er ook op volstrekt illegale manier door de bezetter rechtstreeks benoemingen gedaan van commissarissen-burgemeesters. Een daarvan was de benoeming van Hendrik Elias als commissaris-burgemeester van Gent, die door Vossen geweigerd werd en pas op 21 augustus 1941 door Romsée geregulariseerd werd.