miniatuur|320px|Een overzicht van de mensenmassa voor het Rijksdaggebouw op 13 januari 1920 Het Bloedbad voor de Rijksdag speelde zich op 13 januari 1920 af voor het Rijksdaggebouw in Berlijn tijdens een bijeenkomst van de Nationale Vergadering van Weimar over de Betriebsrätegesetz, de wet op de ondernemingsraden. Hoewel het aantal slachtoffers omstreden is, is het zeker de meest bloedige demonstratie uit de Duitse geschiedenis.Axel Weipert: Die Zweite Revolution. Rätebewegung in Berlin 1919/1920. Bebra Verlag, Berlijn (2015), pagina 16. Als historische gebeurtenis werd ze overschaduwd door de Kapp-putsch, die twee maanden later plaatsvond; bij de arbeidersbeweging en de Berlijnse politie is zij echter nog lang in het collectieve geheugen voort blijven leven.
Achtergrond Als uitvloeisel van de Novemberrevolutie, die de capitulatie van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog inleidde, werd in december 1918 op het Reichsrätekongress (Rijksradencongres) - de eerste vergadering van de arbeiders- en soldatenraden - onder meer de kwestie aan de orde gesteld of de staatsinrichting een parlementaire of een in de vorm van arbeiders- en soldatenraden (de zogenaamde 'Räteherrschaft') zou moeten zijn. In de loop van de lente en zomer van 1919 laaide deze controverse opnieuw op naar aanleiding van de debatten in de Nationale Vergadering over de wet op de ondernemingsraden.
Artikel 165 van de grondwet van Weimar had met betrekking tot de ondernemingsraden, die als erfenis van de Novemberrevolutie waren blijven bestaan, vastgelegd dat de ondernemingsraad "gezamenlijk met de ondernemer gelijkberechtigd moet participeren in de vastlegging van de loon- en arbeidsvoorwaarden evenals over de volledige economische ontwikkeling van de productieve krachtenProductieve krachten is een term uit het marxisme die het materiaal, de productiemiddelen en arbeid tezamen aanduidt.. Gearchiveerd op 18 augustus 2021.". De wet op de ondernemingsraden had ten doel de details hiervan uit te werken, evenals de medewerking aan de uitvoering van sociale wetten in een Reichswirtschaftsrat (Rijkseconomische Raad) samen met vertegenwoordigers van de ondernemers. Het wetsontwerp werd in augustus 1919 voor de eerste keer in de Nationale Vergadering behandeld. Na enige amendementen kwam het tot een compromis, maar het conflict was daarmee niet opgelost.
Tegenstanders waren uiteraard de werkgeversorganisaties, die zich een zo ver mogelijke afbraak van de rechten van de arbeiders binnen het bedrijf ten doel stelden en dus niets zagen in de "medezeggenschap" van de ondernemingsraden met betrekking tot "welzijnsmaatregelen binnen het bedrijf en deelname aan ontslagbescherming". Maar ook de zogeheten reformisten van de Freien Gewerkschaften (socialistische vakbonden) en de SPD verzetten zich; zij zagen in de ondernemingsraden een lastige syndicalistisch-revolutionaire rivaal en zetten ze liever in als verlengstuk van de beroepsorganisaties in de bedrijven.
Aan de andere kant van het spectrum bevonden zich de groeperingen die de ondernemingsraden juist meer macht wilden geven, namelijk de linkervleugel van de USPD, in Berlijn dominant, maar in de Nationale Vergadering in totaal niet meer dan 22 van de 421 zetels innemend, en de KPD, die in het geheel niet in de volksvertegenwoordiging zat. Zij werden gesteund door de invloedrijke uiterst linkse Berliner Dachverband der Freien Gewerkschaften (Berlijnse Koepel van Vrije Vakbonden) en de Berliner Betriebsrätezentrale (de opvolger van de opgeheven Vollzugsrat des Arbeiter- und Soldatenrates Groß-Berlin). Deze eisten de "versterking van de ondernemingsraden tot zelfstandige revolutionaire organen naast de vakbonden" en wilden in plaats van alleen maar "medezeggenschap" het "volledige recht op controle over de bedrijfsvoering" door arbeiders, werknemers en ambtenaren in alle privé- en staatsbedrijven. Dit recht zou door op elk moment door hun kiezers af te zetten vertegenwoordigers uitgeoefend moeten worden bij alle besluiten inzake de stillegging, de productieomvang, de prijsvorming, de verdeling van grondstoffen en de im- en export. Het einddoel van deze voorstellen was het verdwijnen van "de ondernemers als maatschappelijke klasse".Citaat bij Peter von Oertzen: Betriebsräte in der Novemberrevolution, Droste, Düsseldorf 1963, pag. 164.
Voorspel In de aanloop naar de tweede behandeling van het wetsontwerp, die op 13 januari 1920 in het Rijksdaggebouw zou plaatsvinden, wilden de USPD en KPD door het mobiliseren van ontevreden massa's de druk op het parlement opvoeren. Beide partijen riepen in hun partijorganen Freiheit (USPD) en Die Rote Fahne (KPD) gezamenlijk de Berlijnse arbeiders op het werk om 12 uur 's middags neer te leggen en aansluitend naar de demonstratie voor het parlementsgebouw te komen, onder het motto: "Heraus zum Kampf gegen das Betriebsrätegesetz, für das revolutionäre Rätesystem!" ("Ten strijde tegen de wet op de ondernemingsraden, vóór het revolutionaire radenstelsel!") De oproep benadrukte dat "de totale controle" alleen kon worden bereikt "im Kampf gegen die Staatsmacht, die die Unternehmer durch Noskegarden […] schützt," (in de strijd tegen de staatsmacht, die de ondernemers beschermt door middel van NoskegardesHiermee wordt verwezen naar de vrijkorpsen die in opdracht van de SPD'er Gustav Noske, lid van de regering, de Spartacusopstand neersloegen.") en dat de "parlementaire actie van de contrarevolutie niet alleen binnen het parlement alle mogelijke verzet" hoort te ontmoeten.
Een van de verworvenheden van de Novemberrevolutie was de afschaffing van de verplichting tot het aanmelden van vergaderingen onder de vrije hemel, de vrijheid van vergadering. De demonstratie vond dan ook geheel legaal plaats. Voorafgaand aan het debat hadden de organisatoren niet overlegd met de autoriteiten.
miniatuur|De door de Sicherheitspolizei bezette opgang naar het bordes
De bescherming van het gebouw was de verantwoordelijkheid van de militair georganiseerde Sicherheitspolizei (Sipo). Deze was in september 1919 door de sociaaldemocratische rijksregering en de legerleiding ingesteld (het zgn. Ebert-Groener-pact) teneinde de bestaande orde in Berlijn te handhaven. De reden was dat de bestaande Berlijnse politie het tijdens de Novemberrevolutie en de Spartakusopstand had laten afweten. Deze Sipo bestond voornamelijk uit voormalige Freikorpsleden en stond onder bevel van legerofficieren. Veel personeel van de Sipo was rechtsradicaal georiënteerd.Zie de uiteenzetting van Bernhard Sauer: Zur politischen Haltung der Berliner Sicherheitspolizei in der Weimarer Republik, in: ZfG 53. jaargang 2005, aflevering 1, die vele gevallen duidelijk aantoont. Sommigen traden dan ook later op de voorgrond als SA- en NSDAP-leden. Noch de leiding, noch de manschappen hadden een politieopleiding gevolgd.
Het bleek al snel dat de Sicherheitspolizei hopeloos onderbezet was ten opzichte van het grote aantal demonstranten in de straten rond de Rijksdag.
Verloop Kleine Sipo-eenheden met machinegeweren waren in het Rijksdaggebouw geposteerd, grotere eenheden bevonden zich voor het portaal van het gebouw op het Königsplatz en langs de Simsonstraße.
Op 13 januari rond twaalf uur 's middags legde het personeel in de meeste grote bedrijven in Berlijn, waaronder AEG, Siemens, Daimler en Knorr-Bremse, het werk neer. De arbeiders trokken door de binnenstad naar de Königsplatz, het plein voor de Rijksdag, al kwamen velen door de drukte niet verder dan de zijstraten eromheen. De opgegeven aantallen variëren sterk. Volgens Weipert ging het om "minstens 100.000 mensen, waarschijnlijk aanzienlijk meer".Weipert, pag. 19. Sprekers van de USPD, de KPD en de Betriebsrätezentrale hielden toespraken.
Verscheidene volksvertegenwoordigers die onderweg naar de zitting waren, werden aangevallen. Met name de SPD-leden Hugo Heimann en Hugo Sinzheimer hadden het zwaar te verduren. Na de toespraken bleven de demonstranten op het plein staan. Nog voordat rond kwart over drie Rijksdagpresident Constantin Fehrenbach het debat had geopend, waren demonstranten op een aantal plaatsen ertoe overgegaan Sipomannen te bespotten, en sommigen hunner te isoleren en vervolgens te ontwapenen en te mishandelen. Anderzijds gebruikten politiemannen hun karabijnkolven en sommigen werden door hun meerderen terechtgewezen vanwege hun agressief gedrag.
Intussen eisten in de plenaire vergadering de afgevaardigden van de USPD de terugtrekking van de Sipo, anders zou het debat stilgelegd moeten worden. Als gevolg van de massale verstoring van het debat door de USPD-fractie moest Fehrenbach de zitting om 15:48 onderbreken.Het verloop van de zitting is gedocumenteerd in: Reichstagsprotokolle vom 13. und 14. Januar 1920:Reichstagsprotokolle, 1919/20,6: Nationalversammlung — 135. Sitzung. Dienstag den 13. Januar 1920., waaruit ook het citaat hieronder. Gearchiveerd op 15 september 2022. Afgevaardigden, die nu het tumult op de Königsplatz vanuit de ramen van de Rijksdag gadesloegen, werden door sommige opgewonden demonstranten met revolvers bedreigd.Aldus Friedrich Stampfer: Die ersten 14 Jahre der Deutschen Republik, Bollwerk Verlag Karl Drott, Offenbach am Main 1947, pag. 155 e.v. Stampfer uit het vermoeden dat het hier "ongure elementen" betreft, zonder dit verder toe te lichten. Iemand uit de menigte vuurde schoten af op een van de ingangen van het Rijksdaggebouw.Inzake de "schoten vanuit de menigte" zie Annemarie Lange: Berlin in der Weimarer Republik, Dietz, Berlin 1987, , pag. 257. Deze auteur beschouwt de schutters, zonder nadere toelichting, als provocateurs. Minstens één politieagent werd getroffen. Leden van de Metallarbeitergewerkschaft pakten direct het wapen - kennelijk buitgemaakt op de Sipo - van de schutter af en sloegen deze in elkaar. De meerderheid van de demonstranten gedroeg zich rustig of trachtte zelfs de agressie tegen de politie te verhinderen.Weipert, pag. 20 e.v.
De gebeurtenissen die toen volgden zijn zowel onder tijdgenoten als in de geschiedschrijving hoogst omstreden gebleven. De ene versie, onder andere door de toenmalige rijkskanselier Gustav Bauer verkondigd, legde de schuld van de escalatie bij de demonstranten en in het bijzonder bij de organisatoren. Volgens deze lezing zou rond 16:00 door de betogers zijn gepoogd het gebouw binnen te dringen, waarna de Sipo op de Königsplatz van zeer korte afstand het vuur geopend en handgranaten gegooid zou hebben in de demonstrerende massa.
USPD'ers en communisten beklemtoonden daarentegen dat er zonder aanleiding en zonder enige waarschuwing zou zijn geschoten. Of er waarschuwingen zijn gegeven is niet duidelijk. Opvallend is echter dat in alle lezingen bijna alle doden en gewonden aan de zuidkant van de Rijksdag vielen, op de tegenoverliggende stoep en in de aangrenzende dierentuin. Daar, in de Simsonstraße, was de mensenmassa echter minstens vier meter van de politiemensen verwijderd. Hier had het dus noch tot een handgemeen, noch tot een bestorming van het gebouw hoeven komen.Zie de reconstructie bij Weipert, pagina 21 e.v. De verslagen zijn zowel van twee afgevaardigden van de USPD, (Otto Brass en Luise Zietz), als van minister van Binnenlandse Zaken Heine en de plaatselijke Sipo-commandant, Hans von Kessel.