Quintus Marcius Philippus (ca. 229 v.Chr. - ?) was een uit de patricische gens Marcia afkomstig Romeins politicus. Hij was praetor van Sicilia in 188, consul in 186 en 169 en censor in 164 v.Chr.
Afkomst en eerste stappen in de politiek Quintus Marcius Philippus was volgens de Fasti Capitolini de zoon van een zekere Lucius en kleinzoon van een zekere Quintus. Deze laatste was zeer waarschijnlijk de consul van 281 v.Chr., Quintus Marcius Philippus.
Aangezien Marcius in 169 v.Chr. werd gezegd ouder dan zestig te zijn geweest,Livius, XLIV 4, 10 (geciteerd in Polybios); Appianus, Macedonica 14. moet zijn geboorte rond 229 v.Chr. worden gedateerd. Dientengevolge nam hij waarschijnlijk aan de tweede helft van de Tweede Punische Oorlog tegen Hannibal deel. Hij nam in 188 v.Chr. als praetor het bestuur over de provincia Sicilia op.Livius XXXVIII 35.2, 10.
Eerste consulaat in 186 v.Chr. thumb|400px|Bronzen plaat met het senatusconsultum de Bacchanalibus. Slechts twee jaar nadat hij praetor was geweest, wist Quintus het consulaat te verwerven, dat hij in 186 v.Chr. samen met Spurius Postumius Albinus bekleedde.Fasti Capitolini; Livius, XXXIX 6.1, 8.1, 19.1; e.a. Naar verluidt werd tijdens hun consulaat door de aangifte van een zekere Publius Aebutius bij consul Postumius de in Italië wijd verspreid, uit de Griekse wereld afkomstige mysteriecultus van de Bacchanalia aan het licht gebracht, waarvan de talrijke aanhangers naar men beweerde orgieën hielden en ernstige misdaden pleegden. Beide consuls, die door de Senaat met het onderzoek van deze voorvallen en de bestraffing van de deelnemers aan deze cultus waren belast, reisden hiervoor dwars door Italië. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius geeft een gedetailleerd verslag over de ontdekking en bestrijding van deze cultus door de consuls,Livius, XXXIX 8.1-20.1. en hun in deze zaak aan de Italische bondgenoten in de Ager Teuranus (huidige Tiriolo) in Bruttium gegeven bevelen zijn als senatusconsultum de Bacchanalibus op een bronzen plaat overgeleverd.CIL I² 581.</span>
Marcius wist zijn opdracht sneller tot een goed einde te brengen dan zijn collega.Livius, XXXIX 19.1, 3, 20.1, 4-5. Daarop trok hij naar Liguria, die als provincia aan beide consuls was toevertrouwd. Hij trok op tegen de Apuani, maar werd door hen in een verlaten en smal bosrijk dal gelokt en daar aangevallen. Daarbij moest hij een gevoelige nederlaag incasseren en zich terugtrekken. Ter geheimhouding van zijn verlies van 4000 soldaten, beval hij de rest de hem toevertrouwde troepen naar hun kamp terug te keren en bleef tot het eind van zijn consulaat ver verwijderd van Rome. Toch wist hij blijkbaar zijn nederlaag niet geheim te houden, want de plaats waar hij deze had geleden, werd kort daarop Marcius Saltus ("Marcius Bergwoud" of "Marcius Bosrijk Dal") genoemd.Livius, XXXIX 20.5-10, 23.1.
Gezant Op vraag van de Senaat ondernam Marcius begin 183 v.Chr.Dit is de chronologie van Livius; Polybios dateerde deze reizen blijkbaar een jaar eerder, maar zijn datering wordt door de meeste moderne onderzoekers niet nagevolgd (, art. Marcius (79), in RE XIV.2 (1930), col. 1573). een gezantschapsreis naar koning Philippus V van Macedonië en de Peloponnesos.Polybios, XXIII 2.10, 4.16. Vergelijk Livius, XXXIX 47.11, 48.5. Volgens Livius had reeds Marcius' vader met deze Macedonische koning een gastvriendschap aangeknoopt.Livius, XLII 38.8-9. Dit was waarschijnlijk ook de reden waarom de Senaat ervoor koos om Marcius naar Philippus V te zenden. Deze laatste moest op bevel van de Romeinse gezanten oudere en nieuwe vorderingen van Rome nakomen en zijn soldaten uit de kuststeden van Thracië terugtrekken om geen nieuwe oorlog te riskeren.Polybios, XXIII 8.1. Vergelijk Livius, XXXIX 53.10-11. Op de Peloponnesos aangekomen, slaagde Marcius er niet in om de Achaeërs te doen afzien van hun geplande oorlog tegen Messene en in plaats daarvan de Romeinse Senaat als bemiddelaar in het conflict te laten optreden.Polybios, XXIII 9.8-9, XXIV 11.12-13. Hij bracht na zijn terugkeer in Rome beging 182 v.Chr. verslag uit over zijn inschatting van de toestand van de door hem bereisde gebieden in Macedonië en Griekenland. De antwoorden van de Senaat aan de gezanten van de Achaeërs, Spartanen en Macedonische koning, wier plannen de Romeinen zeer verontrustten, werden op basis van zijn analyse aangepast.Polybios, XXIII 9.4, 6, 8. Vergelijk Livius, XL 2.7, 3.1. Blijkbaar had hij deze intenties van Philippus V echter door geheime activiteiten al doeltreffend voorkomen.
Marcius werd in 180 v.Chr. tot decemvir sacris faciundis verkozen.Livius, XL 42.12. Waarschijnlijk stierven kort daarop enkele leden van dit college omdat hij al in 174 v.Chr. aan het hoofd van deze stond en in deze hoedanigheid overeenkomstig de Sibillijnse boeken een plechtige eed aflegde in de hoop hierdoor een ernstige pestepidemie een halt te kunnen toeroepen.Livius, XLI 21.10-11.
Marcius trok twee jaar later opnieuw aan het hoofd van een gezantschap - waarvan Aulus Atilius Serranus en drie jongere Romeinen, namelijk Publius en Servius Cornelius Lentulus alsook Lucius Decimius deel uitmaakten - naar Griekenland. In die tijd had Rome zich voor een strijd tegen de sinds 179 v.Chr. aan de macht zijnde koning Perseus van Macedonië uitgesproken, zonder zich echter reeds voldoende op deze confrontatie te hebben voorbereid. De historicus Friedrich Münzer dateert deze diplomatieke reizen van Marcius door de gegevens van Polybios en Livius met elkaar te vergelijken in de laatste maanden van 172 v. Chr., art. Marcius (79), in RE XIV.2 (1930), col. 1574. De vijf Romeinse gezanten reisden eerst gezamenlijk samen met duizend soldaten naar Korfoe. Daar zouden hun wegen scheiden. Decimius werd naar koning Genthios in Illyrië gestuurd, de beide Lentuli reisden over Kephallonia naar het zuiden van Griekenland, terwijl Noord- en Midden-Griekenland door Atilius en Marcius werd bezocht, die daarna op de Peloponnesos weer met de beide Lentuli zouden bijeenkomen.Livius, XLII 37.1-5.
Perseus protesteerde tegen het feit dat de Romeinse gezanten met soldaten in hun gevolg in Griekenland verschenen; zijn protest bereikte hen nog toen ze op Korfoe waren, maar hij werd slechts snel mondeling van antwoord gediend.Livius, XLII 37.5-6. Atilius en Marcius voerden positieve onderhandelingen met drie koina van verscheidene Griekse staten, die ze te Gitanae in Epirus (koinon van de Epiroten), op een niet bij naam vermelde plaats in Aetolië (koinon van de Aetoliërs) en te Larisa in Thessalië (koinon van de Thessaliërs) ontmoeten. In dit laatste land ontvingen de Romeinse diplomaten ook gezanten van de Acarnaniërs en Romeinsgezinde Boeotiërs en stelden hen als ze zich ook in de toekomst positief lieten opvallen een goede verhouding met Rome in het vooruitzicht.Livius, XLII 38.1-7. Vervolgens werd aan de Macedonische koning een zorgvuldig voorbereid persoonlijk gesprek met de Romeinen verleend, dat aan de Pinios plaatsvond.Livius, XLII 38.8-39.8. Het verloop van deze ontmoeting is vrij goed bekend, omdat beide partijen er later verslag over zouden uitbrengen: Marcius aan de Senaat en Perseus in brieven aan de Rodiërs.Livius, XLII 46.1-3, 47.1-4. De delegatieleider zette eerst tegenover de Macedonische koning de Romeinse beschuldigingen en redenen voor een militaire confrontatie uiteen (over dewelke hij toentertijd ook Delphi en andere Griekse mogendheden had geïnformeerd), vervolgens verdedigde Perseus zijn standpunt en er werd overeengekomen dat hij opnieuw Macedonische diplomaten naar Rome zou zenden om gesprekken te voeren en intussen geen vijandige stappen meer zou ondernemen.Livius, XLII 40.1-43.2. Als slimme en gewetenloze onderhandelaar had Marcius zijn landgenoten door Perseus een valse hoop op vrede voor te spiegelen een aanzienlijke tijdswinst verschaft om de nodige toerustingen voor een oorlog te doen. Hij beroemde zich om zijn list, maar moest van een deel van de senatoren hij ook kritiek voor incasseren.Livius, XLII 43.3, 47.1-9; Diodorus Sicullus, XXX 7.1. Na de voortzetting van zijn reis met Atilius van Thessalië naar Boeotië, ging hij daar op even intrigante wijze te werk en kon er de verschillende posities van de afzonderlijke partijen zozeer tegen elkaar uitspelen dat de Boeotische Bond er haast door uiteenviel.Polybios, XXVII 1.1-2, 10. Vergelijk Livius, XLII 43.4-44.6. Hij begaf zich dan samen met zijn collega's op weg naar Argos, waar hij de Achaeërs ertoe kon bewegen om tot de aankomst van Romeinse strijdkrachten een garnizoen van 1000 man sterk in Chalkis te stationeren.Polybios, XXVII 2.11-12. Vergelijk Livius, XLII 44.6-8. Hierna keerden Atilius en Marcius terug naar Italië.
Hoewel vele senatoren Marcius' handelswijze afkeurden, keurde het merendeel van hen het goed en zond de bekwame diplomaat kort na zijn terugkeer - begin 171 v.Chr. - met een kleine oorlogvloot terug naar Griekenland, waarbij hij grotendeels naar eigen goeddunken mocht handelen.Livius, XLII 47.9. Hij veroverde Alope, wou daarna Larissa Kremaste bezetten en landde ten slotte in Chalkis, waar zich ook andere vloten van bondgenoten hadden verzameld.Livius, XLII 47.9, 56.7. Vermoedelijk nam hij dan echter de volgende twee jaar niet of slechts in geringe mate aan de oorlog tegen Perseus deel, tot hij in 169 v.Chr. wegens politieke veranderingen in Rome voor de tweede keer als consul kon aantreden.Fasti Capitolini; Livius, XLIII 11.6, 12.1; e.a.
Tweede consulaat in 169 v.Chr. Terwijl zijn collega-consul, Gnaius Servilius Caepio, Italia als provincia ontving, kreeg Marcius in de leiding over de landoorlog toegewezen en zijn verwant Gaius Marcius Figulus als praetor de leiding over de zeeoorlog tegen Macedonië toegekend. De Romeinen vertrouwden op Marcius' vaardigheden, daar de Derde Macedonische Oorlog tot dan toe teleurstellend was verlopen. De naar het oosten uitgezonden consul kreeg ook de volmacht om naar eigen inzicht in de oorlog tussen de Ptolemaeën en Seleuciden in te grijpen.Polybios, XXVIII 1.9.
Marcius reisde begin 169 v.Chr. - zo vroeg als maar mogelijk was - met versterkingen vanuit Rome af naar Brundisium, waar hij en zijn verwant Marcius Figulus in de drie dagen tijd naar Actium in Acarnanië zeilden. Vanuit Ambracia marcheerde de consul over land naar Thessalië, waar hij Palaiopharsalos de consul van 168 v.Chr., Aulus Hostilius Mancinus, aantrof om er het commando over zijn troepen en die van de Romeinse bondgenoten over te nemen.Livius, XLIII 15.3, XLIV 1.1-8. Hij richtte zich nu tot zijn leger en hield hen Perseus' vermeende misdaden voor, somde alle redenen voor de oorlog op en wees hen erop dat Rome's macht beduidend groter was dan die van Macedonië. In een krijgsraad werd besloten om niet langer in Thessalië te blijven, maar met de landstrijdkrachten naar Macedonië op te rukken, dat door de eveneens op de krijgsraad aanwezige vlootcommandant Marcius Figulus tezelfdertijd vanop zee zou worden aangevallen. Reeds tien dagen nadat hij de leiding had overgenomen over de troepen van zijn voorganger, trok consul Marcius richting Perrhaebië en trok tussen Azoros en Doliche aan de Europos zijn legerkamp op.Livius, XLIV 2.1-6.