thumb|300px|Shinjuku, Japan Japan is de derde grootste economie ter wereld.

Geschiedenis 1867-1945 De Meiji-restauratie was een belangrijke ommekeer in de relatie met het buitenland. Japan werd in 1854 door de zwarte vloot van de Amerikaanse commodore Perry gedwongen de markten te openen voor buitenlandse handelaren. In Japan groeide het besef dat het land economisch welvarend en sterk moest worden om zich tussen de grootmachten te kunnen handhaven. Tijdens de laatste jaren van het Tokugawa-shogunaat was al een aanzet gemaakt, maar dit werd versterkt doorgezet na 1867.

Door de omwenteling en de negatieve economisch consequenties was het particuliere bedrijfsleven verzwakt. Het geld ontbrak en de regering nam het initiatief, er werd flink geïnvesteerd in mijnen, fabrieken en transport, zoals de scheepvaart en de spoorwegen. De staatsbedrijven hadden het moeilijk, ze moesten zich nieuwe technologieën eigen maken, de bedrijfsleiding was zwak en er werden grote verliezen geleden. Rond 1880 was de schatkist leeg en de overheid begon de bedrijven te verkopen. De condities waartegen dit gebeurde waren gunstig en particulieren namen de bedrijven of belangen over en dit vormde een goede basis voor een verdere economische ontwikkeling door de private sector. Zaibatsu, The Rise and Fall of Family Enterprises in Japan, University of Tokyo Press, 1992, , p.26 In het laatste decennium van de 19e eeuw werd dit privatiseringsproces afgerond.

Tussen 1894 en 1913 was er een gunstige ontwikkeling. De textielindustrie was een speerpunt, de productie van katoengaren verzevenvoudigde en de export hiervan steeg van nagenoeg niets naar 88.000 ton. Het reële inkomen per hoofd van de bevolking steeg van 72 yen in 1894 naar 110 in 1913. , p.57 Japan bleef buiten de strijdtonelen van de Eerste Wereldoorlog en de concurrentie van belangrijke westerse landen nam af. De vraag naar Japanse producten nam sterk toe en de exportwaarde steeg van 600 miljoen yen in 1913 naar 2200 miljoen yen in 1919. , p.123 Deze economisch gunstige periode kwam na de oorlog tot een einde. De Kanto-aardbeving in 1923 bracht veel schade in het industriële hart van Japan en terwijl de schade werd hersteld, brak er een bankencrisis uit in 1927 gevolgd door de beurskrach van 1929.

In de jaren 30 kregen de militaire aspiraties meer de aandacht. Er werd flink geïnvesteerd in vooral zware industrie, zoals de chemie- en staalindustrie en de scheepbouw, die een rol konden spelen bij de productie van oorlogsmaterieel. De oorlog bracht veel schade en transportlijnen, in binnen- en met buitenland, werden verbroken. Voedsel werd schaars in de laatste jaren van de oorlog en prijzen van essentiële goederen als rijst en suiker, explodeerden ondanks allerlei wetten die de prijsstijgingen beheersbaar zouden moeten houden. Op de zwarte markten werden aardappels 50 keer duurder en suiker zelfs 700 keer tussen 1934 en 1946. IMES https://www.imes.boj.or.jp/research/papers/english/18-E-17.pdf Black Market Prices during World War II in Japan, november 2018], geraadpleegd op 3 februari 2022. Gearchiveerd op 2 maart 2022.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was veel in het land vernietigd. Alle grote steden waren gebombardeerd en omdat de meeste huizen van hout waren gebouwd, was de schade enorm. Een kwart van het kapitaal, een kwart van de infrastructuur en 82 procent van de schepen zijn vernietigd. The Japanese Economy, MIT Press (1992) p.52 In 1946 lag de industriële productie van het land op slechts 34% van het vooroorlogse niveau van 1937; de mijnbouwproductie lag in dat jaar zo'n 60% onder het niveau van 1937. In 1949 werd het Japanse nationale inkomen geschat op US$ 96 per hoofd, in vergelijking tot US$ 500 voor Nederland, US$ 1453 voor de Verenigde Staten en US$ 57 voor India.Handboek voor Internationaal Verkeer en Toerisme, Uitgeverij: Elsevier, Amsterdam, 1957, pp.296-299

1945-1989 De Amerikaanse bezettingsmacht was van mening dat de vooroorlogse economische structuur een bijdrage heeft geleverd aan het militarisme. Generaal MacArthur en zijn ambtenaren hadden als doel Japan te democratiseren. Zij ontmantelden grote conglomeraten, de zaibatsu, voerden anti-monopoliewetgeving in en gaven ruimte voor de oprichting van vakbonden. Door de komst van de Koude Oorlog werd de invloed van de vakbonden weer ingeperkt en door de Koreaanse Oorlog werd Japan een belangrijke producent van noodzakelijk materiaal voor de strijd. De conglomeraten konden zich hergroeperen tot keiretsu, met financiële instellingen in de kern van de groepen, en de banden werden versterkt door wederzijdse aandelenbelangen. Alleen de anti-monopoliewet heeft nog langere tijd effect gehad.

Direct na de oorlog telde het land nog 13 miljoen werklozen, maar dit was in 1951 alweer gedaald tot minder dan 0,4 miljoen. De beroepsbevolking telde 36 miljoen arbeiders, waarvan 16 miljoen actief in de land- en bosbouw en visserij. In 1951 lag de industriële productie weer boven die van 1937; de textielindustrie was een belangrijke activiteit. De machinebouw was sterk in opkomst, vooral die van naaimachines, maar ook nam de productie toe van automobielen, horloges en klokken, en optische instrumenten, waaronder fototoestellen. Het aandeel van Japan in de wereldhandel was in 1950 circa 1,5%, ongeveer de helft van het niveau van 3,5% in 1938.

De Japanse overheid heeft altijd een actieve rol gespeeld in de economie. Het belangrijkste middel om de herbouw te sturen was geld beschikbaar te stellen, tegen aantrekkelijke rentetarieven, aan het bedrijfsleven. De banken verstrekte vooral leningen aan die bedrijfstakken waar de overheid prioriteit aan gaf zoals de steenkool-, de staalindustrie, nutsbedrijven en de scheepsbouw.Hans van der Lugt, Landenreeks Japan, Koninklijk Instituut voor de Tropen, 2003, Verder had de overheid de controle over de buitenlandse valuta; alle bedrijven moesten het verdiende buitenlandse geld aan de overheid verkopen, die vervolgens bepaalde aan welke importgoederen het geld zou worden besteed. Ten slotte verleende de overheid subsidies en belastingvoordelen aan geselecteerde bedrijven. Dit werd gedaan via administratieve begeleiding (行政指導), dit zijn informele ontmoetingen tussen het Ministerie van Internationale Handel en Industrie (通商産業省, MITI) en het bedrijfsleven.Takatoshi, Ito. p68. In 2001 zijn de taken van MITI overgenomen door het Ministerie van Economie, Handel en Industrie (METI).

De Koreaanse oorlog gaf een belangrijke impuls aan de Japanse economie en in combinatie van het genoemde overheidsbeleid en wereldwijde economische groei beleefde Japan een economische bloeiperiode. Tussen 1965-1970 groeide het bruto binnenlands product (BBP) met 11,8% gemiddeld per jaar. Tekorten op de handelsbalans sloegen om in grote overschotten, vooral met de Verenigde Staten. In het begin van de jaren zeventig leidde dit tot handelsconflicten zoals Amerikaanse importheffingen op goederen uit Japan en druk op de regering om de vaste wisselkoers van 360 yen per 1 Amerikaanse dollar los te laten. De oliecrisis van 1973 zette de economische groei verder onder druk daar Japan nauwelijks beschikt over natuurlijke grondstoffen en alle aardolie moest importeren. De overheid reageerde hierop met een groot investeringsprogramma in kerncentrales en infrastructuur om de economie te ondersteunen. Japan had inmiddels de achterstand met andere industrielanden ingelopen, maar bleef vasthouden aan het economische groeibeleid gebaseerd op hoge investeringen. Hogere particuliere consumptie had de rol van groeimotor over kunnen nemen, maar deed dit niet.

thumb|Koershistorie Japanse Nikkei 225 beursindex sinds 1970 Het grote overschot op de handelsbalans bleef een bron van irritatie bij de handelspartners. In 1985 werd het Plaza-akkoord gesloten hetgeen een sterke waardevermeerdering van de yen inhield; de exporten daalden, importen werden goedkoper en het overschot op de handelsbalans daalde van 4,3% in 1985 naar minder dan 1% in 1989. Druk om de Japanse binnenlandse markt toegankelijker te maken voor buitenlandse producten leidde niet tot resultaten. De overheid viel terug op het beleid van goedkope leningen en overheidsinvesteringen om het bedrijfsleven te steunen. De enorme toevloed van geld leidde tot fikse prijsstijgingen van bijna alles, waaronder aandelen. Op 29 december 1989 bereikte op de effectenbeurs van Tokio de Nikkei 225 index een record van 39.000 punten.

1989- Na het bereiken van de piek zijn de aandelenkoersen, land- en onroerendgoedprijzen, fabrieken en andere productiemiddelen sterk in waarde gedaald. Bedrijfsleningen konden op grote schaal niet worden terugbetaald waardoor banken met grote verliezen werden geconfronteerd. De Japanse economie raakte in recessie (balansrecessie), er is een lage reële economische groei en een zeer lage inflatie of zelfs deflatie. De Centrale bank van Japan trachtte de economie te stimuleren door de rente stapsgewijs te verlagen en sinds februari 1999 staat de officiële rente op nagenoeg nul procent. De overheid heeft ook diverse malen geprobeerd met grote investeringsprogramma's of sanering van het bankwezen de groei van de economie weer op gang te krijgen, met weinig resultaat. Als gevolg van dit royale uitgavenbeleid heeft Japan de hoogste relatieve overheidsschuld ter wereld van meer dan 200% van het BBP. Sinds 2013 is de conservatieve Shinzo Abe de nieuwe premier van Japan. Hij wil met zijn economisch beleid, Abenomics, de economie versterken. De Bank van Japan heeft de geldhoeveelheid verruimd door op grote schaal obligaties op te kopen, de overheid laat een groot begrotingstekort bestaan en neemt verder structurele maatregelen die de economie krachtiger moeten maken.

Japan staat nummer drie op de wereldranglijst van grootste economieën, na de Verenigde Staten en China. In 2014 was het Japanse BBP US$ 4602 miljard, ofwel US$ 36.205 per hoofd. IMF Japan, 2015 article IV consultation, juli 2015, geraadpleegd op 18 september 2015 De dienstensector domineert de economie met een aandeel van 75% gevolgd door de industrie met 20% en landbouw de rest.

Jaar IMF-WEO database October 2021: Japan, geraadpleegd op 4 februari 2022Reële groei(% mut JoJ)Inflatie(% mut JoJ)Overschot handelsbalans(in % BBP)Overheidstekort(in % BBP)Bruto staatsschuld(in % BBP)Werkloosheid(in % beroeps-bevolking)2007 1,5% 0,0% 4,6% -3,3% 172,9%3,8%2008 -1,2% 1,4% 2,8% -4,5% 180,7%4,0%2009 -5,7% -1,3% 2,7% -10,1%198,7%5,1%2010 4,1% -0,7% 3,8% -9,5% 205,7%5,0%2011 0,0% -0,3% 2,1% -9,3% 219,1%4,6%2012 1,4% -0,1% 1,0% -8,5% 226,1%4,3%2013 2,0% 0,3% 0,9% -7,9% 229,6%4,0%2014 0,3% 2,8% 0,8% -5,9% 233,5%3,6%2015 1,6% 0,8% 3,1% -3,9% 228,4%3,4%2016 0,8% -0,1% 4,0% -3,8% 232,5%3,1%2017 1,7% 0,5% 4,1% -3,3% 231,4%2,8%2018 0,6% 1,0% 3,5% -2,7% 232,5%2,4%2019 0,0% 0,5% 3,4% -3,1% 235,4%2,4%2020 -4,6%-0,0% 3,3% -10,3% 254,1%2,8%

Beroepsbevolking Demografie Door het dalend aantal geboortesGeboortecijfer in Japan nooit eerder zo laag, De Standaard, 27 december 2018. Gearchiveerd op 28 januari 2022. en de sterke immigratiebeperkingen is de bevolking aan het krimpen en aan het vergrijzen.Japan Demographics Profile 2019, index Mundi. Gearchiveerd op 1 juni 2023. Dit heeft grote effecten op de economie en de maatschappij. In 2011 bereikte de bevolking van 15 jaar en ouder een piek van 111,2 miljoen mensen, na een bescheiden daling in 2012 is de omvang gestabiliseerd. In 2020 waren er 110,8 miljoen Japanners 15 jaar en ouder. Statistical Handbook of Japan 2021 Ch.12, Labour pp.123-137, geraadpleegd op 6 februari 2022