thumb|William Scott-Elliot, voor 1919 miniatuur|'Ruta en Daitya', derde kaart van Atlantis, ca. 100.000 jaar geleden, 1896 thumb|Tweede kaart van Lemurië uit The Story of Atlantis and Lost Lemuria. miniatuur|Poseidonis (Atlantis), ca. 75.000 jaar geleden. William Scott-Elliot (1849-1919) was een theosoof en auteur van het boek The Story of Atlantis and the lost Lemuria, dat in 1925 werd uitgegeven. W.Scott-Elliot was het pseudoniem van W.Williamson.Voorwoord door John Algeo, p.11 Onder eigen naam schreef hij The Great Law (1899).

William Scott-Elliot huwde in 1893 met Matilda (Maude) Louis Travers (1859-1929), de dochter van dr. Robert Boyle Travers.Burke's Landed Gentry Hij was handelaar en amateurantropoloog. Als vroeg lid van de London Lodge van de Theosophical society schreef hij in 1893 'The Evolution of Humanity'.William Scott-Elliot, The evolution of humanity, Issue 17 of Transactions of the London Lodge of the Theosophical Society, Theosophical Society (Great Britain). London Lodge, Kegan Paul, Trench, Trübner, & Co., 1893. Nadat hij in contact kwam met Charles Webster LeadbeaterGregory Tillett, The Elder Brother: A Biography of Charles Webster Leadbeater, 1982. werden The Story of Atlantis (in 1896) en The Lost Lemuria (in 1904) gepubliceerd, die in 1925 gebundeld verschenen. Leadbeater zei hem via 'astrale helderziendheid' van de theosofische Meesters kennis over het oude Atlantis en Lemurië te hebben ontvangen, maar hij werd niet als mede-auteur genoemd. Leadbeater zou dit helderziende vermogen tussen 1886 en 1889 van Meester Koot Hoomi in Adyar, het hoofdkwartier van de Theosophical Society, hebben geleerd. Alfred Percy Sinnett schreef van de uitgave het voorwoord. Het boek geeft meer details, waaronder zes landkaarten, over Blavatsky's ideeën over de Atlantische en Lemurische wortelrassen.

Rudolf Steiner noemde Scott-Elliot in zijn boek Atlantis en Lemurië (in 1904).

Leadbeater, Sinnett en Wedgwood 'Hoewel de helderziende bron van Scott-Elliots informatie over Atlantis en Lemurië in zijn boeken niet wordt vermeld, staat het vrijwel vast dat het Charles Webster Leadbeater moet zijn geweest. Leadbeater was een geestelijke van de Anglicaanse Kerk die zich ontwikkelde tot een invloedrijk theosofisch schrijver.' Hij bericht 'over prehistorische tijden, buitenaardse samenlevingen, kosmische patronen, infra-microscopische details en werelden die uit fijnstoffelijke materie bestaan. (..) Dit leidde ertoe dat hij een veelgelezen autoriteit op het gebied van 'innerlijke werelden' werd en dat tot op de huidige dag is gebleven. In het jaar 1894 hield hij zich volop bezig met helderziende onderzoekingen die tot enkele landkaarten leidden, plus een deel van de bijzonderheden in de boeken van Scott-Elliot.'John Algeo, Voorwoord bij de Engelse uitgave in 1990, p.25

Leadbeater schreef Man, Whence, How and Whither in 1913, waarin hij onder meer voortborduurt op de onderrassen van het vijfde wortelras (de zogenoemde Ariërs). Daarin heet het tweede onderras dat van de Arabieren en bestaat het vijfde onderras van 'Teutonen' uit Germanen, Slaven, Scandinaviërs, Teutonen, Pruisen, Litouwers, Letten. Dit vijfde onderras zou samen met het vierde onderras van Kelten 20.000 v.Chr. Midden-Azië hebben verlaten voor de Kaukasus, daar zouden het vijfde onderras in 8564 v.Chr. zijn vertrokken in noordwestelijke richting en rond 8500 v.Chr. vanuit Krakau zou iedere groep een eigen richting zijn ingeslagen, vandaar ook de termen Zuid-Slaven, West-Slaven en Oost-Slaven.

Leadbeater was medeverantwoordelijk voor de 'Neo-theosofie', een richting die na Blavatsky's overlijden (1891) werd ingeslagen. De Theosofische vereniging was in 1895 al gesplitst in twee groepen, die met het centrum in India en die in Amerika.

Leadbeater kwam in opspraak wegens seksuele handelingen met jongens en verbond zich later met de katholieke kerk.

Hij werd in 1906 samen met zijn leerling Curuppumullage Jinarajadasa uit de beweging gezet, maar zij mochten in 1907 terugkeren, toen Annie Besant na het overlijden van Olcott president van de Theosofische Vereniging was geworden. James Ingall Wedgwood was theosoof en sinds 1913 priester binnen de Oudkatholieke Kerk. Wedgwood wijdde in 1915 Leadbeater in in de Orde van de Universele Paravrijmetselarij en richtte in 1916 de Vrij-katholieke Kerk op. Datzelfde jaar werd Leadbeater bisschop van die kerk. In 1923 legde Wedgwood alle taken neer in de theosofie en de kerk, wegens ontuchtschandalen met jongens en raakte verslaafd aan de cocaïne.

Leadbeater was medeverantwoordelijk voor het installeren van Krishnamurti als nieuwe 'Maitreya' (Christus) of wereldverlosser. Dit was een reden voor Rudolf Steiner om die neo-theosofische beweging te verlaten en de antroposofie te beginnen. Krishnamurti heeft die rol van wereldverlosser vanaf 1925 geweigerd en zich fel jegens Leadbeater uitgesproken. Krishnamurti brak met de Theosofische Vereniging in 1930. Christus was volgens Blavatsky geen persoon, maar een 'goddelijk beginsel'H.P. Blavatsky (1887-88), Het esoterische karakter van de evangeliën, 1980: 'Het geloof in de letter van de Bijbel en in een vleselijke Christus zal niet langer dan een kwart eeuw blijven duren. De Kerken zullen hun geliefde dogma's moeten opgeven of de twintigste eeuw zal getuige zijn van de val en de ondergang van het hele Christendom en daarmee zelfs van het geloof in een Christus als zuivere geest.' (p.9) en 'de komst van Christus', betekent de aanwezigheid van CHRISTOS in een hernieuwde wereld en helemaal niet de komst van Jezus 'Christus' in een lichaam (..) Christus, de ware esoterische VERLOSSER, is geen mens, maar het GODDELIJKE BEGINSEL in elk menselijk wezen.' (p.12) en Jezus een wijze, die de geheime, oude leer doorgaf.

Alice A. Bailey ging door met het verkondigen van de komst van Maitreya en haalde in haar boeken Leadbeater menigmaals aan als autoriteit. Later ging Benjamin Creme er mee verder.

Ook de richting die Alfred Percy Sinnett insloeg, die bij de eerste uitgave het Voorwoord schreef, is vanaf 1885 dubieus, wat wel naar voren komt in de brieven, die Meesters hem stuurden, de Mahatmabrieven (1880-1885) en hem op gevaren wezen. Na 1885 probeerde Sinnett nog middels 'intermediair' Leadbeater met de Meesters in contact te komen.

Blavatsky heeft gewezen op gevaren en zich voortdurend uitgesproken tegen haar felste tegenstanders, waaronder zij het rooms-katholicisme en met name de jezuïeten rekende. Bovendien ging zij ervan uit dat het overgrote deel van de vrijmetselarij door de jezuïeten was opgezet, om de ware vrijmetselarij te dwarsbomen.

Kaarten De kaarten moeten volgens de auteur niet als absoluut accuraat worden beschouwd. Voor Atlantis 'was er een globe beschikbaar, compleet met een goed bas-reliëf in terracotta, naast een uitstekend bewaard gebleven kaart op perkament of een ander leerachtig materiaal die kon worden gekopieerd.' Voor Lemurië 'was er alleen een kapot terracotta-model en een slecht bewaard gebleven, verkreukelde kaart, zodat het veel moeilijker was alle details in herinnering te roepen, met het gevolg dat het onmogelijk was exacte kopieën te maken.'p. 126

Scott-Elliott gaat uit van vier grote cataclysmen: 800.000 jaar geleden, 200.000 jaar geleden, 80.000 jaar geleden en 9564 v.Chr. (de ondergang van het laatste Atlantische eiland poseidonis). De eerste Atlantische wereldkaart is van rond 1.000.000 jaar geleden, de tweede van de periode tussen 800.000 en 200.000 jaar geleden, de derde van ca. 100.000 jaar geleden en de vierde van ca. 75.000 jaar geleden. De eerste kaart van Lemurië toont het continent gedurende het tijdvak van de grootste omvang, de tweede toont de contouren 'nadat het door grote cataclysmen was gedecimeerd, maar lang voordat de definitieve ondergang een feit was'.

Lemurië Fysieke ontwikkeling De Lemuriërs stamden af van de Hyperboreeërs (het tweede wortelras), die fysiek van ether waren en 'onzichtbaar'. De ruggengraatstructuur van de Lemuriërs verdichtte zich tot wervels en 'omstreeks het midden van het lange Lemurische tijdvak ontwikkelde de mens een vaste botstructuur.'

Beschrijving van een Lemuriër Volgens Scott-Elliot zag een Lemuriër, mogelijk uit het vijfde onderras, er als volgt uit: hij had een lengte van 3,5-4,5 m en had een zeer donkere huid met een bruingele kleur. Hij had een lange onderkaak, een plat gezicht, een doordringende blik, kleine ogen ver van elkaar en een oog in het achterhoofd. Dat laatste oog kennen we in geatrofieerde vorm als de pijnappelklier of epifyse. In plaats van een voorhoofd had hij 'een vlezige, bolle plooi' en hij had een verhoogd achterhoofd. Zijn armen en benen waren naar verhouding lang en hij kon zijn knieën en ellebogen niet geheel strekken. Hij had kolossale handen en voeten en zijn hielen staken ver naar achteren uit. Hij kon met die hielen 'met evenveel gemak ook achterwaarts' lopen. Zijn huid was ruim geplooid en 'als van een neushoorn, maar meer geschubd'. Rondom zijn hoofd had hij nog een andere dikke huidplooi waaraan kwasten bungelden in een bepaalde kleur. De Lemuriërs zouden grote reptielen hebben gedomesticeerd en getraind om op andere dieren te jagen.p.136,137

Voortplantingsproces Het voortplantingsproces van de Lemuriërs zou zich tweemaal hebben gewijzigd. Verschillende voortplantingssystemen, die ook elders in de natuur voorkomen, waren bij de vroege mensheid bekend: ongeslachtelijke voortplanting, zoals 'zelfdeling of knopvorming (gemmatio)', 'vorming van sporenknoppen (polysporogonie)', 'ontstaan van kiemcellen (monosporogonie)' geslachtelijke voortplanting (amfigonie),

'maagdelijke voortplanting (parthenogenese)'

Blavatsky noemt in haar boek De Geheime Leer termen als 'zweetgeborenen' (knopvorming), 'eigeborenen' en 'androgynen'. Pas in een later stadium was het menselijk ras gescheiden in mannen en vrouwen en 'tegen het einde van het vijfde onderras werden mensenkinderen onder dezelfde omstandigheden en via hetzelfde baringsproces geboren als onder onze historische generaties het geval was en is. Uiteraard nam deze ontwikkeling miljoenen jaren in beslag.'

Zonde 'Verstandloze' Lemuriërs, Lemuriërs zonder 'goddelijke vonk' van het verstand, amanasa (manas, verstand, denkvermogen) begingen een zonde, door te paren met 'reusachtige zij-dieren'. Zo werden 'monsters' voortgebracht,Martin Gardner, Fads and Fallacies in the Name of Science, Courier, 1957, p.168. 'gekromde, roodharige monsters die zich op vier ledematen voortbewogen', zonder spraak. Deze dierlijke mensen werden roofzuchtig en mensen en 'monsters' begonnen elkaar te doden. 'Voordien was zonde onbekend en werd geen leven genomen.'

Dit was de 'schuld' van de Lha's, de wezens die opdracht hadden gehad mensen te scheppen en toen ze niet gehoorzaamden gedwongen werden in de mensen te incarneren. Alle mensen werden tenslotte met manas begiftigd. De Lha's waren 'vertegenwoordigers van de zeer hoogontwikkelde mensheid in een ander evolutiesysteem, dat in een oneindig ver verleden zijn beslag had gekregen. (..) zij hadden de lessen van mededogen nog niet ten volle geleerd. Uit hoofde van hun tijdelijke taak op aarde moesten zij nu de gidsen en leraren van het Lemurische ras worden (..)'p.147

andere wezens namen vrijwillig deze taak op zich. 'Zij behoorden oorspronkelijk tot het evolutieschema waarvan Venus een van de stoffelijke planeten is. (..) Deze goddelijke wezens kwamen nu naar de aarde om te voorzien in een tijdelijke behoefte - de opvoeding van de nog in haar babytijd verkerende mensheid (..)' Ze leerden de mensen onder meer het gebruik van vuur en vuursteen, koken, metaalertsen opsporen, metaal smelten en smeden, grond omspitten, zaadkorrels van wilde grassoorten verbouwen, spinnen en weven, leer looien, huizen en steden bouwen, gedragsregels en elementaire morele principes. Ze brachten van Venus tarwe en bijen mee.p.149

Pithecoidea en Anthropoidea