Karl Korsch (Tostedt, 15 augustus 1886 - Belmont, 21 oktober 1961) was een Duitse marxistisch theoreticus en met Georg Lukács en Antonio Gramsci de belangrijkste grondlegger van het westers marxisme. Zijn bekendste werken zijn Marxisme en filosofie uit 1923 en Karl Marx uit 1938.

Jeugd Korsch werd geboren in een gezin uit de middenklasse. Zijn vader Carl Korsch was griffier bij de rechtbank en met Terese Raikowski had hij naast Karl nog vier dochters en een zoon. Zijn vader had een grote belangstelling voor filosofie en schreef een ongepubliceerd werk over de monadeleer van Gottfried Wilhelm Leibniz. Tussen 1892 en 1898 ging Karl naar de volksschool waarna het gezin verhuisde naar Obermaßfeld in het hertogdom Saksen-Meiningen. Zijn vader kon aan het werk bij een bank in Meiningen waar hij uiteindelijk onderdirecteur zou worden. Dit gaf de kinderen de kans om verdere opleidingen te volgen. Karl bezocht tussen 1898 en 1906 het Henfling-Gymnasium Meiningen. Hij deelde zijn vaders interesse voor filosofie, maar in plaats van Leibniz ging zijn voorkeur uit naar Immanuel Kant.

Opleiding Tussen 1906 en 1909 studeerde Karl internationaal recht, economie en filosofie aan de universiteit van Jena. Hij studeerde ook enige tijd in München en Genève. Hij voelde een afkeer van de militaristische Burschenschaften en in Jena sloot hij zich aan bij de hervormingsgezinde Freien Studentenschaft en werd redacteur van hun blad Jenaer Hochschulzeitung. Deze stond een reformistische sociale politiek voor van verbeteringen en bescherming voor arbeiders binnen het kapitalistische systeem zonder dit gehele systeem om te willen gooien. Dit was een reactie op de sociale ontwikkelingen ten gevolge van de snelle industrialisatie. Hij organiseerde lezingen voor het gezelschap waarbij onder meer Eduard Bernstein en Karl Liebknecht spraken en raakte zo zijdelings betrokken bij de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). Tijdens een van die lezingen ontmoette hij Hedda Gagliardi met wie hij in 1913 zou trouwen en twee dochters kreeg. Ook legden zij contacten met de fabriek van Zeiss waar onder meer winstdeling en arbeidersdemocratie waren doorgevoerd.

Hoewel filosofie zijn voorkeur had, promoveerde hij op aandringen van zijn vader in 1910 in het recht bij Heinrich Gerland met Die Anwendung der Beweislastregeln im Zivilprozeß und das qualifizierte Geständnis. Hierin gaf hij onder meer aan dat er in de rechtswetenschap te veel aandacht was voor de abstracte rechtsregels en te weinig voor hoe deze in de praktijk moeten worden toegepast. Hoewel hij daarna stage liep in het recht (Vorbereitungsdienst), heeft hij hier nooit zijn beroep van gemaakt. Hij schreef daarna voor het tijdschrift Die Tat van Eugen Diederichs, maar zijn onderwerpen sloten niet aan bij het mystiek-religieuze karakter van het blad. Van 1910 tot 1911 vervulde Korsch zijn dienstplicht in Meiningen. In 1912 trad hij toe tot de SPD; hij voelde zich vooral aangetrokken tot de reformistische, "Bernsteiniaanse" vleugel van die partij.Boekraad & Hoeks 1975, p. xxxiii.

Fabian Society en Eerste Wereldoorlog In 1912 kon hij aan het werk in Londen als assistent van de rechtsgeleerde Ernest Schuster. Hij trad daar toe tot de "Fabian Nursery," de jongerenafdeling van de Fabian Society. Deze had een liberaal hervormingsstreven en was niet beïnvloed door het marxisme en kon dit dan ook kritisch benaderen. In Die Tat schreef hij 'Die Fabian Society' waarin hij stelde dat er overeenkomsten waren met de SPD, maar ook enkele verschillen. Een verschil was dat er actief hervorming werd nagestreefd en er niet vanuit werd gegaan dat de omwenteling onvermijdelijk was en dus vanzelf zou komen. Een ander verschil was volgens hem het democratische gehalte van de Britse samenleving. Hierdoor was het onderscheid tussen staatssocialisme en sociaaldemocratie zoals dat werd gemaakt in Duitsland betekenisloos. En hoewel de Fabian Society wel deed aan theorievorming, was dit geen doel op zichzelf, maar lag de nadruk op de praktische uitvoering. Zij hadden via hun Committee of Inquiry on the Control of Industry onder leiding van Beatrice Webb ook blauwdruk geschreven over hoe een socialistische samenleving er uit moest zien. Korsch zelf schreef daarover in Die Tat in 1912 'Die sozialistische Formel für die Organisation der Volkswirtschaft'. Het praktische aspect zou een belangrijk onderdeel blijven vormen in zijn werk.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, kreeg hij het bevel terug te keren naar zijn kazerne in Meiningen. Hoewel hij niet wilde vechten voor het Vaterland, zag hij ook op tegen internering als vijandige buitenlander. In het leger was hij luitenant, maar werd al snel gedegradeerd tot sergeant toen hij zich uitsprak tegen de inval in België waaraan hij deelnam. Zoals hij betoogde, ging de schending van de Belgische neutraliteit in tegen het internationale recht. Sindsdien weigerde hij een wapen te dragen en stelde dat de kans om gedood te worden net zo groot was als met wapen. In plaats van te doden, stelde hij zich tot doel zoveel mogelijk levens te redden en werd zo bevorderd tot kapitein en verkreeg het IJzeren Kruis. Aan het einde van de oorlog was zijn gehele compagnie er voor om de oorlog te beëindigen door niet meer te vechten. Pas begin 1919 demobiliseerde zijn compagnie vanwege de ontstane onrust.

Socialisatie Na de Novemberrevolutie van 1918 ontstonden overal in wat nu de Duitse Republiek was arbeiders- en soldatenraden. Korsch was onder de indruk van die radenbeweging, maar er niet direct bij betrokken. Hij raakte wel betrokken bij de socialisatiecommissie voor de mijnbouw als assistent van Robert Wilbrandt. De commissie onder leiding van Karl Kautsky had weinig invloed omdat deze voorbij werd gestreefd door enerzijds de eigenmachtige socialisatie van fabrieken en mijnen door arbeiders en anderzijds door het uitvaardigen van de kolenindustriewet (Gesetz über die Regelung der Kohlenwirtschaft) waarmee de kolenindustrie gesocialiseerd moest worden.

Nu bleek het gebrek aan praktische instelling van het Duitse socialisme waardoor het niet de vruchten kon plukken van de nieuwe situatie. In Freies Deutschland schreef hij in 1919 een praktische benadering, 'Was ist Sozialisierung?'. Hierin brak hij met de sociale politiek en het idee van geleidelijke hervorming. Privé-eigendom moest beëindigd worden, in een keer of in stappen. In dit werk lijkt voor het eerst zijn verschuiving waar te nemen van Kant richting Hegel en het dialectisch materialisme. Hij zocht hier een manier om tegemoet te komen aan zowel consumenten als producenten. Het gevaar bestond dat het particuliere kapitalisme vervangen werd door of een consumentkapitalisme (staatskapitalisme) of een producentenkapitalisme. Consumentenkapitalisme hield in dat consumenten hun aandeel van de opbrengst en controle zouden opeisen en dit zou het resultaat kunnen zijn van nationalisatie, communalisatie en van consumentencoöperaties. Producentenkapitalisme zou het gevolg kunnen zijn van arbeiders die winstdeling en controle over het arbeidsproces eisten via productieve coöperaties en syndicalisme. In plaats daarvan was voor Korsch het doel van socialisatie het werkelijke gemeenschappelijke eigendom voor alle producenten en consumenten dat beheerd werd door raden. In 1920 volgde 'Grundsätzliches über Sozialisierung', zijn eerste marxistische werk.

Korsch zocht ook naar een verklaring waarom in 1917 de Russische revolutie wel slaagde, maar in de rest van Europa de revolutie niet van de grond kwam, terwijl volgens hem in november 1918 de georganiseerde politieke macht van de bourgeoisie werd verpletterd en van buitenaf niets de overgang van kapitalisme naar socialisme meer in de weg stond. Korsch stelde dat dit dan ook geen externe, maar een interne oorzaak van de socialistische beweging was en dat daarbinnen de sociaal-psychologische voorwaarden voor de machtsgreep ontbraken. Een doorslaggevend geloof in de uitvoerbaarheid van een socialistisch economisch systeem ontbrak, evenals de theoretisch grondslag daarvoor.

Daarnaast habiliteerde hij in 1919 met Recht und Rechtsschutz im englischen Zivilprozeß en werd daarna privaatdocent recht in Jena. Vanaf augustus 1923 werd hij daar buitengewoon hoogleraar en vanaf oktober hoogleraar burgerlijk, proces- en arbeidsrecht.

Kommunistische Partei Deutschlands Vanaf eind 1919 verdwenen de arbeidersraden van het toneel en werd hun rol overgenomen door bedrijfsraden die in februari 1920 een wettelijke basis kregen met het Betriebsrätegesetz na het bloedbad voor de Rijksdag op 13 januari 1920. Het bloedbad versterkte de vervreemding tussen de arbeiderspartijen van enerzijds de regeringspartij SPD en anderzijds de oppositiepartijen Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD) en Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Volgens het Komintern was deze verwijdering de oorzaak van het verdwijnen van de revolutionaire beweging die vanaf 1918 had geheerst.

In deze periode verdiepte Korsch zich in de werken van Marx en Engels en daarmee in het marxisme. Zijn breuk met het reformisme liet Korsch in 1919 aansluiten bij de USPD nadat deze zich in 1917 had afgesplitst van de SPD. De SPD had de oorlog gesteund en had een revisionistische koers aangenomen. De USPD was tegen de oorlog en volgde een koers tussen het revisionisme en het revolutionaire bolsjewisme in. Korsch behoorde daar tot de linkervleugel die in december 1920 opnieuw afsplitste en zich aansloot bij de revolutionaire KPD, hoewel hij zich niet kon vinden in de Eenentwintig voorwaarden van Komintern en de grote invloed van de Russische Communistische Partij. In plaats van die centrale aanpak zag hij veel meer in de decentralisatie via arbeidersraden.

In mei 1923 nam hij het initiatief voor de Marxistische Arbeitswoche, een conferentie van bekende marxisten en communisten waaruit het Instituut voor Sociaal Onderzoek (Institut für Sozialforschung, IfS) voort zou komen. In dit jaar schreef hij ook Marxisme en filosofie waarin hij de Hegeliaanse kant van Marx probeerde te belichten als tegenwicht voor de aftakeling van het marxisme in zijn tijd. Zowel marxisten als burgerlijke filosofen zouden volgens Korsch de historische relatie tussen het dialectisch idealisme van Hegel en het dialectisch materialisme van Marx hebben gemist. Daarmee misten zij ook de overeenkomst tussen de proletarische revolutie en de burgerlijke revolutionaire fase tot het revolutiejaar 1848. Na 1848 was de burgerlijke revolutie uitgedoofd en daarmee de Hegeliaanse filosofie. Het marxisme was geen eigen filosofie, maar was de opvolger van de burgerlijke filosofie. Binnen de Tweede Internationale was de theorie verworden tot een statische analyse van een bepaalde situatie geworden en geen kritische dialectische theorie meer. Daarmee was de theorie geen directe impuls meer tot revolutie. Om dit te onderzoeken, paste Korsch de materialistische methode van Marx toe op de geschiedenis van de marxistische theorie zelf. Het zou Lenin zijn geweest die het verband tussen theorie en praktijk terug had gebracht door de nadruk te leggen op de relatie tussen het marxisme en de staat.