Jhr. Pieter (Piet) Feyo Onno Rembt Sickinghe (Arnhem, 13 augustus 1900 − Amsterdam, 28 december 1974) was een Nederlands hofdienaar en directeur van het Koninklijk Huisarchief. Hij was intendant-honorair van de Koninklijke Paleizen Amsterdam, Noordeinde en Huis ten Bosch.

miniatuur|Sickinghe (links), als vertegenwoordiger van koningin Wilhelmina, naast prinses Juliana en prins Bernhard (achter de tafel in het midden) tijdens de viering van het honderdjarig bestaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs in 1947

Biografie Sickinghe telg uit het Gronings oud adellijke regententengeslacht Sickinghe, werd in 1900 geboren als zoon van luitenant-generaal jhr. Agathon Gerard Sickinghe (1868-1954) en diens eerste echtgenote Elisabeth Jacoba Lucia Margaretha Geisweit van der Netten (1870-1947). Zijn vader was van 1901 tot 1905 ordonnansofficier, van 1912 tot 1919 adjudant en vanaf 1921 tot zijn overlijden adjudant i.b.d. van koningin Wilhelmina; van 1921 tot 1936 was hij kamerheer, van 1936 tot 1939 eerste kamerheer-ceremoniemeester van haar, van 1939 tot 1948 eerste kamerheer-honorair van Wilhelmina, na 1948 van Juliana. Pieter Sickinghe was de broer van Ottelina Cornelia Sickinghe (1895-1975). Zij was getrouwd met mr. Pieter Cort van der Linden (1893-1969); burgemeester van Groningen.

De jonkheer Duco Wilhelm Sickinghe (1888-1983); luitenant-kolonel der artillerie en ordonnansofficier van koningin Wilhelmina der Nederlanden, was zijn neef.

Sickinghe trouwde in 1929 met Helena Florentina de Jong Schouwenburg. Samen kregen zij een zoon; jhr. mr. Wigbold Otto Geert Sickinghe (1934-1972), later actief als referendaris bij de Raad van State. Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwde Sickinghe in 1935 voor de tweede maal, met Elisabeth Catharina Maria Waller. Samen kregen zij 4 kinderen; jkvr. Maria Elisabeth, jhr. Agathon Gerard, jkvr. Veronica Hermance Wigboldina en jhr. Eilko Rembt.

Sickinghe trouwde in 1972 ten slotte voor de derde keer, ditmaal met Geertruida Johanna Arnolda ten Holte (1910-1999). Zij was ridder in de Orde van Oranje-Nassau, secretaris van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 en secretaris van de Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenktekens. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort.

Jhr. ir. P.F.O.R. Sickinghe was grootofficier in de Huisorde van Oranje en drager van verscheidene hoge buitenlandse onderscheidingen. Hij was tevens rechtsridder van de Johanniter Orde.De Maasbode, 87ste Jaargang, No. 32176, Ridderdag der Orde van St. Jan, Acht nieuwe ereridders, dinsdag 5 juli 1955 (Delpher) Pieter Sickinghe overleed in 1974 op 74-jarige leeftijd te Amsterdam.NRC Handelsblad, 31-12-1974, familieberichtenNieuwsblad van het Noorden, 31-12-1974, Hofmaarschalk van Wilhelmina overleden

Opleiding en vroege loopbaan Sickinghe volgde vanaf 1921 de opleiding tot elektrotechnisch ingenieur aan de Eidgenössische Technische Hochschule Zürich.Universität Zürich (UZH), Matrikeledition, Sickinghe Jkhr. Pieter (Matrikelnummer: 28437) Van oktober 1922 tot oktober 1923 werd zijn studie onderbroken door de vervulling van zijn militaire dienstplicht. Hij volgde een cursus bij de School voor Verlofs-Officieren der bereden Artillerie Ede. Hij diende als wachtmeester en kornet bij het 2e Regiment Veld-Artillerie te 's-Gravenhage in de Frederikskazerne. Zijn officiers-eed werd afgenomen door de Overste Van Essen. In 1962 volgde uiteindelijk een eervol ontslag als reserve-kapitein bij de veldartillerie.

In 1927 ontving hij zijn einddiploma ter afronding van zijn studie in Zürich. Vervolgens ging Sickinghe aan het werk bij de Machinefabriek Stork en daarna bij het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland.

Na moeilijkheden in zijn werkkring te hebben ervaren vanwege zijn buitenlandse diploma studeerde Sickinghe aan de Technische Universiteit Delft alwaar hij binnen zes maanden in 1931 zijn diploma elektrotechnisch ingenieur behaalde. Vervolgens werkte hij als ingenieur bij onder andere de British Engine, Boiler & Electrical Insurance Company te Manchester (1932-1936) en bij het Centraal Inundatie en Technisch Bureau der Genie (1938-1939).

Als hofdienaar Per 15 februari 1939 werd Sickinghe benoemd tot intendant van de Koninklijke Paleizen te Amsterdam en 's-Gravenhage (met uitzondering van Paleis Lange Voorhout).Haagsche courant, 20-02-1939, vijfde blad, Binnenland, HofberichtDe avondpost, 20-02-1939, Residentie-Nieuws (p. 5), Intendant Koninklijke Paleizen Hij bleef intendant voor 's-Gravenhage tot 1960, van Amsterdam tot 1963. Hij was betrokken bij de inhuldiging van koningin Juliana te Amsterdam. In zijn functie was hij daarnaast betrokken bij de restauratie van Huis ten Bosch begin jaren 1950 en van het Paleis op de Dam vanaf eind jaren 1950.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog miniatuur|Paleis Huis ten Bosch Sickinghe was gedurende de Tweede Wereldoorlog intendant en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor enkele paleizen en haar medewerkers.

Bij het vertrek van Wilhelmina uit Nederland in 1940 werd besloten tot de oprichting van een Hofcommissie. Deze commissie zou als tijdelijk orgaan leiding geven aan de hofhouding in afwezigheid van Hare Majesteit. Sickinghe was, als intendant van de paleizen Amsterdam en 's-Gravenahage, Departementshoofd aan het Hof. Op 17 mei 1940 volgde een vergadering waarbij de Hofcommissie door alle Departementshoofden werd erkend. De commissie zou uiteindelijk van 17 mei 1940 tot 4 juni 1945 bestaan. miniatuur|Paleis NoordeindeOp 9 juli 1942 werd Sickinghe door de tijdelijke Hofcommissie verzocht om het beheer over het Departement Hofmaarschalk waar te nemen wegens afwezigheid van Cornelis Schelto Sixma baron van Heemstra (1879-1942).

Op 14 augustus 1942 werd Sickinghe op het bureau van de Intendance door de Schutzstaffel opgepakt en naar het gebouw van het Ministerie van Koloniën gebracht. Zijn vrouw had hem over de telefoon al gewaarschuwd voor de komst van de SS, maar hij had gedacht dat het om iets van het personeel ging en was de mening toegedaan dat een kapitein zijn schip niet verlaat. Het bleek echter om Sickinghe zelf te gaan. Samen met 50 anderen werd Sickinghe op transport gezet naar Kamp Sint-Michielsgestel. Hier bleek achteraf dat men alle 50 gijzelaars had willen fusilleren als represaille voor aanslagen op Duitse militairen. Dit ging echter op het allerlaatste moment niet door en men werd naar Kamp Haaren gebracht.Gedenkplaatskamphaaren.nl, Preventieve gijzelaars Namenlijst en biogrammen, geraadpleegd op 19 augustus 2026 De eerste lotgenoot die hij daar tegenkwam, was prof. dr. Jan de Quay (1901-1985); later minister-president van Nederland. De Quay was een kamergenoot van Pieter uit zijn diensttijd en hij bood Sickinghe wat te eten aan om op verhaal te komen. Sickinghe en de anderen werden in reserve gehouden voor mogelijke represailles. Eind september werd Sickinghe uiteindelijk vrijgelaten. miniatuur|Het Koninklijk Huisarchief|linksOp 10 augustus 1943 werd hij, na overlijden van de opperstalmeester Bentinck, door de Hofcommissie verzocht om het beheer van het Koninklijke Staldepartement waar te nemen. De paleizen Amsterdam en Noordeinde werden tijdens de oorlog veelvuldig gebruikt als onderduikadres. Zo hielden tientallen jonge mannen zich schuil in het Haagse paleis. Toen de Duitsers argwaan kregen vond op 14 oktober 1944 een razzia plaats bij Paleis Noordeinde. Het paleis werd aan de voorkant onder schot gehouden met een mitrailleur om ontsnappingen te voorkomen. Sickinghe, intendant, bevond zich op dat moment in het paleis. Alle aanwezigen verstopte zich. Zo ook Sickinghe. Hij had zich volgens zijn dagboek verborgen tussen 200 stoelen met hoezen op de 'stoelenzolder' van het Paleis.

Op 6 mei 1945 werd door Sickinghe om 13.50 uur de vlag met de nationale driekleur op het dak van Paleis Noordeinde gehesen onder het zingen van het Wilhelmus door de aanwezigen.

Op 29 mei 1945 werd Sickinghe door koningin Wilhelmina bevestigd in het ambt van Intendant van de Paleizen te Amsterdam en 's-Gravenhage en in het ambt van Hofmaarschalk en Stalmeester. Daarbij vroeg zij hem ook nog het het Directeurschap van het Koninklijk Huisarchief op zich te nemen. Hij kreeg direct na dit gesprek de opdracht om een gravure gemaakt door Jan Toorop (1858-1928), voorstellende koningin Emma, onmiddellijk uit de Kunstbunker van Paasloo op te halen en deze op het Paleis Soestdijk af te geven. Hij deed zoals gevraagd.

In 1946 en 1947 was Sickinghe Hofmaarschalk, maar werd uit die functie ontheven wegens benoeming tot directeur van het Koninklijk Huisarchief. miniatuur|Paleis op de Dam

Als vertegenwoordiger van de Koningin en andere leden van het Koninklijk Huis Op 1 maart 1950 ontving Sickinghe de Amsterdamse beiaardier Jacob Vincent namens koningin Juliana op het Koninklijk Paleis te Amsterdam. Ter gelegenheid van zijn 50-jarig jubileum als beiaardier deelde Sickinghe hem mede dat hij werd bevorderd tot ridder eerste klasse in de Huisorde van Oranje.Twentsch Dagblad Tubantia, 1e blad, pag. 2, De heer Vincent 50 jaar beiaardier, donderdag 2 maart 1950 (Delpher)Overijsels Dagblad, Katholiek dagblad voor Overijssel, 35e jaargang, No. 234, donderdag 2 maart 1950 (Delpher)

Op 4 september 1950 vierde de stad Dillenburg in Hessen haar 600-jarig bestaan. In de stad staan de resten van het stamslot, Slot Dillenburg, van de graven van Nassau-Dillenburg. Sickinghe was aanwezig bij de viering als vertegenwoordiger van het Nederlandse Koningshuis.Algemeen Handelsblad, Dillenburg 600 jaar, maandag 4 september 1950 (Delpher)

Sickinghe was op 1 oktober 1957 namens prins Bernard aanwezig bij de rouwdienst in de Waalse Kerk voor Koning Haakon VII van Noorwegen (1872-1952)Het vaderland, 01-10-1957, Rouwdienst in Waalse Kerk voor Koning Haakon (Delpher)

Rol bij het recuperatieproces van de Oranjebezittingen Sickinghe ging na de bevrijding direct aan de slag met het terugvinden van verdwenen Oranje eigendommen. Zo sprak hij op 11 mei de secretaris-generaal van Financiën over de opsporing van verdwenen goederen. Een dag later ging hij op bezoek bij de procureur-generaal Willem Jozef Berger (1883-1953), die niet lang daarna een opsporingsrechercheur speciaal voor de Oranjebezittingen aanstelde.Flip Maarschalkerweerd, ''De achterblijvers. Het hof na de vlucht van Wilhelmina 1940-1945'', Amsterdam 2023, p. 360. Samen met de twee Rijksrechercheurs Nadort en Wooning probeerde Sickinghe zoveel mogelijk terug te vinden. Door de vele adressen die bij hem bekend waren (en zijn scherpe oog voor herkenning van de objecten) verliep dit voorspoedig. miniatuur|Fort Ehrenbreitstein, Koblenz|links