Gerhardus (Gerard) Johannes Beuvink (Losser, 21 september 1902 – Nijmegen, 14 februari 1970) was een Nederlandse politieambtenaar die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog verzette tegen de Duitse bezetters.
Vanaf het moment dat Nederland betrokken werd in de Tweede Wereldoorlog, heeft veldwachter Gerard Beuvink zich actief en passief verzet tegen de Duitsers. Met gevaar voor zijn eigen leven en dat van zijn gezin hielp hij veel onderduikers aan veilige adressen en verschafte hen onder meer vervalste persoonsbewijzen, kleding en geld. Ook sloeg hij in zijn woning wapentuig op, dat hij bestemde voor verschillende verzetsgroepen. In deze activiteiten werd hij geholpen door zijn echtgenote Truus Beuvink - Wensing. Een belangrijke rol speelde hij in 1943 als contactadres voor geheim agenten, die in de omgeving van Grave werden gedropt om de Zendgroep Barbara op te zetten. Nadat geheim agent Pieter Hoekman uit Urk door verraad van Nederlanders op 6 november 1943 in Keent door de Duitse Wehrmacht werd doodgeschoten, moest Beuvink tot aan de bevrijding op 17 september 1944 onderduiken. Zijn echtgenote werd gearresteerd en in Kamp Haaren en Kamp Vught door de Sicherheitsdienst verhoord. Zij zou geen woord loslaten.
Vooroorlogse jaren thumb|Gerard Beuvink in 1921 als lid van het Regiment Wielrijders Gerard Beuvink werd geboren in Losser als zoon van Herman Beuvink en Trui (Geertruida) Nijland. Hij was de oudste zoon in een gezin met twee zonen en vier dochters. Zijn vader werkte als textielarbeider en had daarnaast een keuterboerderijtje. Na de lagere school ging Beuvink ook werken in een textielfabriek.
Zijn militaire dienstplicht vervulde hij in 1921 als loteling (lot nr. 45) bij het Regiment Wielrijders in Den Bosch. Na zijn militaire diensttijd ging hij weer terug naar zijn oude werkgever in Losser, waar hij na enkele jaren van baan veranderde. Van maart 1928 tot juni 1932 werkte hij als nachtwaker in dienst van de gemeente Losser, waaraan tevens de functie van onbezoldigd gemeenteveldwachter verbonden was.
Op 8 mei 1930 trouwde hij in Oldenzaal met dorpsgenote J.H.M. (Truus) Wensing en zij stichtten uiteindelijk een groot gezin met zes zonen en een dochter. Later kwam daar nog een pleegdochter bij. Op 29 juni 1932 werd hij door burgemeester Van Hovel tot Westerflier aangesteld als veldwachter in de gemeente Escharen en tot en met 1 maart 1943 in de gemeente Grave.
Beuvinks verzetswerk voor Zendgroep Barbara Het Englandspiel had van maart 1942 tot april 1944 grote schade toegebracht aan het inlichtingenwerk van het Bureau Inlichtingen (BI) in Londen. Het BI werkte nauw samen met de Engelse Secret Intelligence Service (SIS). Om de nadelige effecten van dat Englandspiel te omzeilen, onderkende BI midden 1943 de noodzaak om een nieuwe zendgroep in Nederland op te richten, waaraan de naam 'Barbara' gegeven werd. De organisator en leider van de Zendgroep Barbara was de agent Garrelt van Borssum Buisman.
In september '43 kwam het bericht vanuit BI om een contactadres in de buurt van Grave te zoeken. Volgens de Royal Air Force was de omgeving van Grave de beste plaats om de geheim agenten Bram Grisnigt en Pieter Hoekman neer te laten en er werd besloten contact te zoeken met Beuvink om hierin te assisteren, zie ook de verklaring uit 1946 van Dr. J.M. Somer, hoofd BI.
Het konijntje staat op de kast Het eerste contact tussen Beuvink en Van Borssum Buisman verliep allesbehalve voorspoedig. Beuvink weigerde aanvankelijk elke medewerking; hij legde de nodige terughoudendheid aan de dag, omdat hij niet zeker wist met wie hij van doen had. Het gesprek tussen beiden vond plaats in de deuropening en toen Beuvink de voordeur dicht wilde doen, zette Van Borssum Buisman als laatste redmiddel zijn voet tussen de deur. Hij zag in de gang een kastje staan met daarop een stoffen konijntje en in een spontane ingeving zei hij tegen Beuvink: "Luister zaterdag naar Radio Oranje naar de zin Het konijntje staat op de kast". Nu was het zaak voor Van Borssum Buisman om dit bericht zo snel mogelijk in Londen te krijgen. Mede dankzij telegrafist Henk Letteboer, met wie hij in Londen was opgeleid en in juni 1943 in Noord-Nederland was gedropt, lukte dat: op die bewuste zaterdagavond hoorde Van Borssum Buisman op zijn logeeradres in Oss het bericht van de nieuwslezer uit Londen. De volgende dag werd hij door veldwachter Beuvink als een vorst binnengehaald en werden er na lange gesprekken afspraken gemaakt over de eerstvolgende dropping van agenten. thumb|Politie legitimatiebewijs van Gerard Beuvink
De eerste dropping Op de late avond van zaterdag 19 september 1943 vertrokken vier Halifaxvliegtuigen van het 161e squadron vanaf de Royal Air Force vliegbasis Tempsford in Engeland richting Nederland. In een van die toestellen zaten de geheim agenten Pieter Hoekman en Bram Grisnigt (over de oorlogstijd van Grisnigt is in 2016 een boek verschenen). Hoekman en Grisnigt zouden in de buurt van Escharen worden neergelaten, maar door een navigatiefout kwamen zij in Beugen aan de grond, dus zo'n 20 kilometer uit de koers (op deze landingsplaats is in 2003 een monument opgericht ). Helaas voor hen kwam hun container met onder andere zendapparatuur buiten hun bereik neer. Zij kwamen er spoedig achter dat zij niet op de afgesproken plaats waren neergelaten. Geholpen door de bevolking van Beugen wisten beide agenten reeds de volgende dag het contactadres bij de familie Beuvink te bereiken. Zij meldden zich bij Beuvink onder hun schuilnamen Piet Zeelenberg (voor Piet Hoekman) en Abraham Poot (voor Bram Grisnigt) en vertelden dat zij een deel van hun bagage in Beugen hadden achtergelaten, omdat deze te zwaar was. Beuvink is diezelfde dag met beide agenten naar Beugen teruggegaan, waar bleek dat de container met zendapparatuur ondertussen verdwenen was. Onverrichter zake keerden zij terug naar Escharen. Op 21 september ontving Beuvink een bericht van Opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee Frans Driessen uit St. Anthonis (Beuvink onderhield veel contact met Driessen vanwege hun beider ondergrondse activiteiten), waaruit op te maken was dat container met zendapparatuur terecht was. Garrelt van Borssum Buisman zat inmiddels in huize Beuvink op de beide geheim agenten te wachten, die van hem verdere instructies ontvingen. Bij hun vertrek nodigde Beuvink beide mannen uit nog eens terug te komen als ze daar behoefte aan hadden.
De tweede dropping In de eerste week van oktober 1943 bereikte Beuvink een verzoek van de Nederlandse regering in Londen middels een contactman met de schuilnaam 'Wim'. Het ging om het onderbrengen van een van de twee agenten, die in Malden waren gedropt. Dit was te midden van Duitse militairen, die daar op dat moment een oefening hielden. De lokale bevolking verleende weinig hulp aan de agenten, omdat men zich stoorde aan het lawaai van die oefening en blijkbaar dacht dat de dropping bij de oefening hoorde. Ook de Duitsers begrepen de landing niet goed en omdat zij geen opdracht kregen te vuren op de twee agenten, gebeurde er niets. Door deze verwarring konden beiden uit handen van de Duitsers blijven. Agent Wim Schreinemachers ging direct naar Eindhoven zonder zich bij Beuvink in Escharen te vervoegen. De andere agent, Jos van Alebeek, wist het huis van zijn zuster te bereiken, maar van daaruit moest hij verder geholpen worden. Beuvink was te zeer bekend bij de bevolking aldaar, zodat hij zijn vrouw verzocht naar Malden te gaan. Zij wist contact te leggen met Van Alebeek. Omdat hij zijn zendapparatuur en zijn reisgezel was kwijtgeraakt, verzocht hij mevrouw Beuvink om hem in contact te brengen met "De Meester" (Van Borssum Buisman). Beuvink heeft later het contact tot stand gebracht en Van Alebeek is nog enkele dagen bij Beuvink in huis gebleven, waarna hij met onbekende bestemming is vertrokken. De Duitsers hebben later zijn zender gevonden.De radiozendontvanger waarvan de radiotelegrafisten van het BI bij hun berichtenwisseling met het BI in Londen gebruikmaakten, was veelal de Kofferset A MK III (Marconi). De radiozendontvanger was niet veel groter dan een schrijfmachinekoffertje. In Den Haag werd door de contraspionagedienst van de Gestapo onder leiding van Joseph Schreieder geprobeerd om via deze radiozender een nieuw contraspionagespel te spelen. Hetgeen mislukte.
De derde dropping In de nacht van 5 op 6 november 1943 rond 23.00 uur sprongen de geheim agenten Marinus Verhage (schuilnaam 'Seimen') en Jan Diesfeldt (schuilnaam 'Van den Heuvel') uit een Halifax van het 161e Squadron boven het gehucht Keent bij Grave. In die nacht hing er een zware mistbank over de landingsplaats. Nadat een container met zendinstallatie en levensmiddelen gedropt was, sprongen beide agenten. Nu was het zaak de container te zoeken, die op zo'n 600 meter van de landingsplaats was neergekomen, vlak bij de boerderij van de familie Zwartjes aan de Kapelstraat 1 te Keent. Vanwege de dichte mist konden zij de container niet vinden. Omdat hun koffers met zendapparatuur en bijbehorend materiaal te zwaar waren om meteen mee te nemen, besloten beide agenten contact te maken met de familie Zwartjes en werd afgesproken dat ze later zouden terugkomen om het materiaal op te halen. Het was van belang om BI zo snel mogelijk te laten weten dat ze goed waren aangekomen. Daarom gingen beide agenten op zoek naar hun schuiladres bij Beuvink, waar zij de volgende dag na een nachtelijke sluiptocht om half vijf 's morgens arriveerden. Beuvink is daarop direct met beide agenten per fiets terug gegaan naar Keent om de koffers op te halen. Toen zij een tweede keer teruggingen, zagen zij de container liggen op zo'n 100 meter afstand van de boerderij van Zwartjes. Vanwege het opkomend daglicht zou het te gevaarlijk zijn om de drie bussen uit de container op de fiets naar Escharen te brengen, werd met de familie Zwartjes afgesproken dat ze hiervoor 's avonds rond tien uur zouden terugkomen. In de loop van de middag van 6 november kwamen de agenten Hoekman en Grisnigt bij Beuvink op bezoek, gebruik makend van een eerdere uitnodiging en zij besloten de nieuw aangekomen agenten verder op weg te helpen. Hun onaangekondigde bezoek aan Beuvink was louter toeval, waardoor er gelijktijdig vier geheime agenten bij Beuvink thuis waren, wat op zichzelf een gevaarlijke situatie was. Omdat Verhage nog last had van luchtziekte, bood Hoekman aan om 's avonds samen met Beuvink en Diesfeldt het materiaal in Keent op te halen. Opperwachtmeester Driessen deed 's avonds dienst ter hoogte van de Generaal De Bonskazerne en hoorde daar van de Duitse wachtcommandant dat er Duitse soldaten naar de boerderij in Keent waren gegaan. Driessen belde zo snel mogelijk met het huis van Beuvink, maar de drie waren kort tevoren vertrokken. Een poging van echtgenote Truus en agenten Verhage en Grisnigt om hen per fiets in te halen liep op niets uit, zodat men toen wist dat zij in de val zouden lopen. In de ochtend van 6 november werd er in Keent veel gesproken over het vliegtuig dat die nacht zo laag was overgevlogen. Een pro-Duitse jachtopziener en veldwachter gingen op onderzoek uit en kwamen uit bij de boerderij van Zwartjes. Onder druk vertelt Zwartjes de gehele toedracht, niet wetende dat de veldwachter en jachtopziener naar de Ortskommandantur in de Generaal De Bonskazerne zouden gaan om het hele verhaal aan de Duitsers te vertellen. Een van hen ontvangt vijftig gulden bloedgeld voor deze tip.
Als Beuvink met de geheim agenten Hoekman en Diesfeldt bij de boerderij van Zwartjes aankomt, weten ze niet dat twee Duitse Wehrmacht soldaten in de boerderij post gevat hebben. Beuvink blijft buiten wachten en de agenten gaan naar binnen. Tot hun schrik kijken ze in de lopen van Duitse geweren. Ze worden onder schot gehouden en gefouilleerd op wapenbezit. Op het moment dat de ene Duitser voor de loop van de andere liep, grijpt Pieter Hoekman de andere Duitser en er ontstaat een worsteling.