De oudst bekende betrekkingen tussen Frankrijk en Iran dateren uit de late middeleeuwen. In eerste instantie dienden deze relaties een politiek en een religieus doel, met betrekking tot de kruistochten en later de komst van de missionarissen. In de tijd van de Safawieden ontstonden ook handelsbetrekkingen tussen Frankrijk en Iran.

In de periode tussen de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog groeide de Franse invloed in Perzië op cultureel gebied, wat de band tussen de twee landen versterkte. Van tijd tot tijd werden die relaties op de proef gesteld als gevolg van de manoeuvres van grote westerse mogendheden (voornamelijk van Rusland en Groot-Brittannië), omdat deze hun invloed in Iran, strategisch gelegen op de routes tussen het Nabije Oosten en India, wilden vergroten).

Na de Iraanse Revolutie en de Franse steun aan Irak tijdens de Irak-Iranoorlog was de relatie tussen beide landen bekoeld. Aan het begin van de 21e eeuw weigerde Iran om te stoppen met het verrijken van uranium. Het feit dat Frankrijk het plan steunde om Iran voor de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties te dagen, deed de twee landen nog verder uiteengedreven.

Voor 1789 Tijdens de late middeleeuwen was Perzië in Europa vooral bekend door (Griekse dan wel Latijnse) Bijbelverhalen. In de periode van de kruistochten, die de Franken begonnen, beschouwden Europeanen alle islamitische landen, waaronder Perzië, als vijanden van het christendom. Als gevolg van de Mongoolse invasies ontstonden er banden tussen de Oriënt en West-Europa, waarbij Frankrijk een belangrijke rol speelde. Het doel van Europa was namelijk om de Mongolen te bekeren, zoals ze eerder met andere 'barbaarse' indringers gedaan hadden. franciscaner en dominicaner missionarissen werden naar Perzië gestuurd, waar ze missieposten vestigen in Soltaniyeh, Maragha, Tabriz en Tbilisi.

Het merendeel van de berichten die werden uitgewisseld tussen de Mongolen en de West-Europese heersers doelden op volgzaamheid. Via een brief aan Lodewijk IX van Frankrijk stuurde Eljigidei, Mongools heerser in Armenië en Perzië, in 1248 op diplomatieke besprekingen aan. Daarop stuurt Lodewijk IX de dominicaner monnik André de Longjumeau met een brief naar Küyük, maar de monnik arriveerde te laat; de Khan was overleden. Zijn weduwe Oghul Ghaymish, die nu regeerde, stuurde de geestelijke weg zonder dat het tot een toenadering kwam. Hoewel het nooit tot een bondgenootschap kwam, bleven de banden tussen de Franken en de Mongolen bestaan. In 1305 blies Oldjaïtou de relaties nieuw leven in met het voorstel aan Filips IV van Frankrijk om een alliantie tegen de mammelukken te vormen. Terwijl de voorbereidingen voor een nieuwe kruistocht vastliepen, deed Oldjaïtou een vergeefse aanval op de mammelukken (1312-1313). Zijn opvolger Abu Saïd sloot daarop in 1322 vrede met de mammelukken door het Verdrag van Aleppo te tekenen. Ondanks het mislukken van de diplomatieke samenwerking bleven de handelsbetrekkingen en de bekeringsmissies wel bestaan.

Safawidische periode miniatuur|De maximale grootte van het Safawidische Rijk onder sjah Abbas I (1501-1722). Toen sjah Ismail in 1501 aan de macht kwam, was het Ottomaanse Rijk bezig zijn macht uit te breiden rond de Perzische Golf en de Indische Oceaan. Om de Ottomanen het hoofd te kunnen bieden zocht de sjah toenadering tot West-Europese vorsten, maar de Fransen gaven hieraan geen gehoor. Frans I van Frankrijk had namelijk in 1536 een alliantie gesloten met sultan Suleyman de Grote, met als doel om de macht van keizer Karel V in te perken. Hierdoor kon hij niet op het verzoek van de sjah ingaan. Als gevolg van de invasies van de Ottomanen in het noordoosten van Perzië, in 1547 en in 1604, waren de Perzen gedwongen zich over te geven. Het verdrag tussen de Turken en de Fransen verhinderde Hendrik IV om in te gaan op het verzoek tot toenadering van sjah Abbas I.

Lodewijk XIII was de eerste die een rechtstreekse relatie tussen Frankrijk en Perzië probeerde aan te knopen. Met het sturen van een handelsmissie met kooplieden uit Marseille wilde hij sjah Abbas I overtuigen van de bereidheid van de Franse koning om als bemiddelaar op te treden tussen Perzië en het Ottomaanse Rijk. De achterliggende reden van deze missie, geleid door Louis Deshayes, was het verminderen van de Portugese invloed (en van Spanje, suzerein van Portugal tussen 1580 en 1640) in de Oriënt. De sjah wilde de Fransen privileges geven, zoals het beschermen van de katholieken in Perzië, het faciliteren van de vestiging van katholieke missieposten en het toekennen van het handelsmonopolie op de Levant-route, maar de grootvizier van het Ottomaanse Rijk verijdelde dit plan.

De in Iran aanwezige missionarissen waren voornamelijk Portugese augustijner monniken en Italiaanse en Spaanse karmelieten. Kardinaal de Richelieu stuurde op zijn beurt twee kapucijner monniken naar het hof van sjah Abbas. Vanwege hun gedegen kennis van Iran speelden de Franse missionarissen in de daaropvolgende periode een belangrijke rol, door kooplieden, reizigers en diplomaten te informeren over het land. De meest in het oog springende missionaris was de kapucijn Raphaël du Mans, die in Isfahan woonde van 1647 tot zijn dood in 1696. Hij trad op als vertaler en als onderhandelaar ten tijde van de vestiging van de Franse Oost-Indische Compagnie. Daarnaast hield hij Jean-Baptiste Colbert op de hoogte van de ontwikkelingen.

Door de Spaanse Successieoorlog in Europa en de pogingen om de zeemacht van Muscat wat in te dammen, werden de Frans-Perzische betrekkingen op een laag pitje gezet. Het bezoek van Jean Billon de Cancerille aan het Safavidische hof, in 1700, blies de relaties nieuw leven in. Deze Jean Billon de Cancerille kwam met het advies om de handel met de Oriënt via de Levantroute te laten lopen. Na Billon de Cancerille reisde Jean-Baptiste Fabre richting Perzië, maar hij stierf op weg naar Jerevan. De missie van Pierre-Victor Michel leverde in 1708 een verdrag op tussen de sultan en de christenen. Deze eerste officiële overeenkomst voorzag in de bescherming van de christelijke missies en in de bevordering van de handel. De Perzen waren zeer content over de monetaire clausules en de toezegging om Franse oorlogsschepen in de Perzische Golf te stationeren met het doel om tegen Oman te strijden.

De oorlog in Frankrijk en de problemen die optraden tijdens de reis vertraagden echter de ratificatie van het verdrag tot 1712. Armeense geestelijken, die zich stoorden aan de bekeringsijver van de christelijke zendelingen, kregen het voor elkaar om de privileges van de missionarissen te laten vervallen, waardoor er opnieuw onderhandeld moest worden. Bovendien verscheen er geen enkel Frans schip in de Perzische Golf, ondanks de beloofde privileges aan de kooplieden van Saint-Malo. Dit bracht het Perzische hof aan het twijfelen over de echtheid van de brieven uit naam van Lodewijk XIV, die ze eerder ontvangen hadden van de missionarissen.

Daarop werd de burgemeester van Jerevan, Mohammad Reza Beg, naar Frankrijk gestuurd waar hij met alle egards werd ontvangen door Lodewijk XIV op Versailles, op 19 februari 1715. Nieuwe onderhandelingen werden opgestart met als resultaat een akkoord op 13 augustus 1715, wat deze keer voordeliger uitpakte voor de Franse handel. Als gevolg van de val van het Safawidische rijk in 1722 werden de afspraken echter niet toegepast, waardoor de groei van de Franse handel in Perzië stagneerde. De Frans-Perzische betrekkingen bekoelden verder door de oprichting van de Compagnie française des Indes orientales (1719), die de voorkeur gaf aan de handelsroute overzee.

Tussen de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog 1789 – 1849 miniatuur|Napoleon ontvangt Reza Bey, de ambassadeur van Perzië, in Schloss Finckenstein. (1812, schilderij van François-Henri Mulard). De opkomst van de Kadjar-dynastie in Perzië en de veranderingen als gevolg van de Franse Revolutie leidden niet tot een herstel van de Frans-Perzische betrekkingen, ondanks de vijandige houding van Catharina II van Rusland jegens Perzië en jegens de Franse Revolutie. In 1804 vestigde sjah Fath'Ali echter zijn hoop op Napoleon Bonaparte, om hem te helpen Georgië terug te veroveren. Napoleon verwachtte op zijn beurt dat de Perzische heerser de nederlaag van Rusland kon bespoedigen, waardoor de route naar India vrij zou komen te liggen. Met dit doel werd op 4 mei 1807 het Verdrag van Finckenstein gesloten. De plotselinge ommekeer van Napoleon, die op 7 juli van datzelfde jaar het Verdrag van Tilsit ondertekende, gooide echter roet in het eten. Daarnaast hielpen de logistieke problemen om het gesigneerde verdrag bij de vorst van de Kadjar te krijgen en de diplomatieke bemoeienis van de Engelsen niet mee, waardoor de overeenkomst niet tot resultaten leidde. Door de lakse houding van Frankrijk wendde Fath'Ali zich tot de Britten en in 1811 werden de banden tussen Frankrijk en Perzië helemaal verbroken. In de daaropvolgende periode werden de relaties onderhouden door tussenpersonen zonder diplomatieke titel zoals de Armeniër Davoud Khan Malekshah Nazar, die aan het Franse en het Perzische hof diende tussen 1802 en 1818, Franse officieren die soldaten van Abbas Mirza opleidden in Tabriz, en Madame de la Marinière, die Franse les gaf aan kinderen aan het Perzische hof.

Tijdens de heerschappij van Mohammad Shah (1834 – 1848) en Louis-Philippe (1830 – 1848) vonden hernieuwde pogingen plaats om de contacten te herstellen. Na het verlies van de stad Herat in 1837 bekoelden de Brits-Perzische betrekkingen aanzienlijk. In augustus 1838 ontving Louis-Philippe Mirza Hosein Khan aan het Franse hof. Er werd afgesproken dat Frankrijk, om de plaats van de Britten in te nemen, wapens en militaire instructeurs zou leveren aan Iran. In september verliet Mirza Hosein Khan Parijs vergezeld van een glasblazer, een wapensmid en negen onderofficieren onder leiding van Henry Boissier.

In Teheran waren de Russen echter niet gecharmeerd van het idee om hun invloed in Perzië te moeten delen en Mohammad Shah zorgde er daarom voor dat de Franse officieren hun soldij niet kregen uitbetaald. De Franse militaire missie verliet Perzië in 1840, maar de culturele banden tussen de twee landen blijven bestaan. Eugène Bore, die was gestuurd door de Académie des inscriptions et belles-lettres, ontving op 17 maart 1840 een decreet waarin het hem werd toegestaan om, net als de lazaristen, Franse scholen op te zetten.

In 1844 werden de banden weer aangehaald, dit keer op initiatief van de Fransen, die graag een handelsovereenkomst wilden sluiten. Daarnaast zochten ze een betere bescherming voor de lazaristen, die aangevallen waren in Azerbeidzjan. Als gevolg van deze missie werd Ernest Cloquet aangesteld als persoonlijk arts van de sjah in 1846. Ook werden decreten uitgevaardigd om de door lazaristen opgezette scholen, bedoeld om de Chaldeeën in Iran te onderwijzen en te beschermen. Een wetenschappelijke expeditie, geleid door ingenieur en geograaf Hommaire de Hell verstevigde de relaties nog meer. De val van Louis-Philippe tijdens de Februarirevolutie van 1848 zette echter weer een rem op de ontwikkelingen omdat de betrekkingen met Perzië geen prioriteit hadden voor de nieuw gestichte Tweede Franse Republiek. De condoleances voor de dood van Mohammad Shah (1848) arriveerden pas in april 1849 in Teheran. Dientengevolge had Amir Kabir, grootvizier van sjah Naser ed-Din Kadjar, weinig vertrouwen in de Franse Republiek. Hij hield daarom alle toenaderingspogingen af, waaronder een handelsakkoord uit 1848. Hij liet zelfs na om de Franse werknemers te betalen die bij de Perzische regering werkzaam waren.

1850 – 1871 miniatuur|Tekening waarin onder anderen Amin o Dowleh wordt afgebeeld.