In een land als België is de economie ingericht naar kapitalistisch model met overheidsinmenging. België heeft een markteconomie waarin ondernemers bedrijven kunnen opzetten, terwijl de overheid regulerend optreedt. Belangrijke punten die het Belgische economische systeem kenmerken zijn: De staat stelt zich ten doel om de ontwikkeling van de vrijemarkteconomie in de pas te laten lopen met de ontwikkeling van de welvaart voor de burgers met behulp van de federale, regionale en gemeenschappelijke instanties. De staat bepaalt de regels van het vrije ondernemen. Dit gebeurt om uitwassen te voorkomen die de vrijheid van de burgers zouden kunnen aantasten, onder meer middels een aantal collectieve diensten waarin de vrije markt niet voorziet (onderwijs, ziekenhuizen, openbaar vervoer).

Tot de factoren die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de rol van de staat in het economische en sociale leven behoren verschillende economische crises, meer in het bijzonder de crisis van 1929. België is een land met een sterk ontwikkelde economie. Het is ook lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), bestaand uit een groep geïndustrialiseerde landen met een democratisch regime.

Met een oppervlakte van 30.688 km2 en bijna 11 miljoen inwoners, behoort het Belgische bbp tot de 30 hoogste van de wereld. In 2004 bedroeg het bbp per inwoner 30.600 Amerikaanse dollar. In 2005 stond het land als negende op de ontwikkelingsindex. België is lid van de G-10 en volgens de Wereldbank stond het land in 2007 op de 18e plaats van de economische wereldranglijst.

België is een dichtbevolkt land (350 inwoners per km2) dat in een van de meest geïndustrialiseerde gebieden van de wereld ligt. Op het Europese vasteland was dit de regio waar de industriële revolutie begon in het begin van de 19e eeuw. In 1908 wist België Congo in te lijven als kolonie. Voordien was Congo het persoonlijke bezit van de Belgische koning Leopold II. Die voerde een schrikbewind. Meer dan een miljoen Congolezen bezweken onder de dwang van de kolonialen. In het begin van de 20e eeuw verloor het land de export van rubber ten voordele van Engelse rubberplantages in Indonesië. Leopold II werd door de Belgische Regering gedwongen om de kolonie af te staan. Omdat dat land over grote voorraden grondstoffen beschikte, heeft de Belgische industrie tussen 1908 en 1960 kunnen profiteren van enorme hoeveelheden grondstoffen tegen lage prijzen. In hoog tempo werden spoorlijnen, autowegen en havens aangelegd wat de handel met de buurlanden bevorderde. België was een van de grondleggers van de Europese economische gemeenschap en maakte tevens deel uit van de eerste vergadering van de economische monetaire unie in januari 1999.

Met een exportcijfer dat ongeveer twee derde van het bbp bedraagt is België is sterk afhankelijk van de buitenlandse handel. Proportioneel gezien exporteert België tweemaal zoveel als Duitsland en vijfmaal zoveel als Japan (berekend per hoofd van de bevolking). Deze gunstige economische positie heeft het land te danken aan de centrale geografische ligging in Europa en een goed opgeleide beroepsbevolking die vreemde talen spreekt.

Grondstoffen en halffabricaten worden ingevoerd waarna ze, eenmaal verwerkt, weer uitgevoerd worden. Behalve steenkool, die overigens tegenwoordig niet meer gewonnen wordt, beschikt België niet over bruikbare grondstoffen voor de moderne industrie. De Belgische industriële sector herbergt echter nog veel traditionele branches, wat gedeeltelijk te wijten is aan de infrastructuur die is aangelegd ten behoeve van de staal- en textielindustrie (krimpende bedrijfstakken) en daarnaast van de olieraffinage, chemie, levensmiddelenindustrie, farmaceutische industrie, assemblage van auto’s, elektronica en machinebouw.

De gunstige ligging van België bevordert de economische groei: omringd door Duitsland, Nederland en Frankrijk, in de communicatielijnen tussen Engeland en het Europese vasteland en in het hart van de sterkst ontwikkelde regio van West-Europa. Ondanks de hoge industrialisatiegraad van België voorziet de dienstensector in het leeuwendeel van het bbp: 71,8%, tegen 26,3% voor de industrie en 1,9% voor de landbouw.

Belgische economie in de 20e eeuw thumb|Het financieel centrum van Brussel, zicht vanaf de Kruidtuin Begin jaren 1980 maakte België een periode van moeizame structurele aanpassingen door, veroorzaakt door een daling in de vraag naar traditionele producten, een afname van de economische productiviteit en een aantal structurele hervormingen die te laat werden doorgevoerd. De daaropvolgende crisis in de jaren 1980-82 veroorzaakte een sterke stijging van de werkloosheid en oplopende sociale lasten, waardoor veel gezinnen in de schulden raakten. Het begrotingstekort liep op tot 13% van het bbp en de staatsschuld bedroeg meer dan 100% van het bbp. Door hun investeringszin in roerend en onroerend goed werd deze schuld echter grotendeels in stand gehouden door de Belgen zelf (70% van de huishoudens is huiseigenaar)

Om uit de crisis te komen lanceerden premier Martens en zijn centrumrechtse coalitie in 1982 een herstelplan voor de economie. Een devaluatie van de Belgische frank van 8,5% moest de concurrentiepositie van Belgische bedrijven versterken en de export vergroten. In 1984 groeide de economie met 2% en in 1989 bedroeg de groei 4%. In mei 1980 had de regering de frank aan de Duitse mark gekoppeld, waarbij de rentevoet van de mark nauw gevolgd werd. Als gevolg van de koersstijging van de Duitse mark stagneerde de groei van de Belgische economie in de jaren 1990.

In 1992-93 werd België getroffen door de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog, waarbij het bbp daalde naar 1,7% in 1993. In 1999 herstelt de groei zich en stijgt het bbp naar 2,2%. Investeringen (4%) en export (4,4%) stimuleren daarbij de economische activiteit. De consumentenuitgaven blijven wat achter door een lichte inkomensdaling en een gebrek aan vertrouwen bij de consument. Dit cijfer komt op 1% uit terwijl de overheidsuitgaven 0,9% zijn.

Eind 2005 telde België 7.906 bedrijven die failliet gegaan waren in het voorafgaande jaar. Op landelijk niveau kwam dit neer op een op de 100 bedrijven. Uit een studie uitgevoerd door onderzoeksbureau Graydon is gebleken dat dit een nieuw record was.

Macro-economische cijfers thumb|Het Belgische bbp in de periode 1980-2009 thumb|Import en export in België in miljarden euro’s in de periode 1998-2010

Bbp en groei Na een negatief groeicijfer in 2009, dat was te wijten aan de mondiale economische crisis, realiseerde België in 2010 een groei van +2% en een bbp van 395 miljard Amerikaanse dollar.

In 2010 steeg het bbp per hoofd van de bevolking naar 37.800 US dollar waarmee België op de 26e plaats komt op de wereldranglijst. Het bbp per hoofd in Vlaanderen is 1,37 keer zo hoog als dat in Wallonië. In de regio Brussel was het bbp 1,69 keer zo hoog als dat in Vlaanderen.

Buitenlandse handel thumb|Grootte van de Belgische export volgens sector, 2019 De Belgische export bedroeg in 2010 211 miljard euro. Driekwart van de uitvoer betrof de landen van de Europese Unie, in het bijzonder de buurlanden Duitsland, Nederland, Frankrijk en Engeland. Daarnaast zijn Italië en de Verenigde Staten belangrijke exportmarkten voor België. De voornaamste exportproducten zijn chemische producten (25% van de uitvoer; het gaat hierbij voornamelijk om geraffineerde petrochemische producten uit de regio Antwerpen), machines en apparaten, minerale producten en transportmaterieel.

De Belgische import bedroeg in 2010 213 miljard euro. De grootste importeurs zijn Nederland, Duitsland en Frankrijk, en in mindere mate de Verenigde Staten, Engeland, Italië, Ierland en China. De invoer betreft voornamelijk chemische producten, machines en apparaten, minerale producten en transportmaterieel.

Terwijl de handelsbalans van België in relatie met andere EU-lidstaten positief is, geldt dit niet voor landen buiten de Europese Unie, waarmee de balans juist verslechtert. Het handelstekort met Azië bedroeg 9 miljard euro in 2010. Over het algemeen liet de Belgische handelsbalans in 2010 tekorten zien tot 2 miljard euro. In de jaren daarna leek er een verbetering op te treden op dit terrein.

Financiën Munteenheid Sinds 1 januari 1999 geldt in België de euro als munteenheid. De Nationale Bank van België is verantwoordelijk voor het drukken van bankbiljetten. De Koninklijke Munt is verantwoordelijk voor het slaan van munten, in overeenstemming met de regels van de Europese Centrale Bank.

Voor de introductie van de euro in 2002 was de Belgische frank de nationale munteenheid. De koers was 40,3399 frank voor 1 euro. De oude Belgische franken in munten zijn sinds 31 december 2004 niet meer inwisselbaar, terwijl er voor het inwisselen van bankbiljetten geen einddatum bestaat. Toen de frank nog in gebruik was, was deze vrij inwisselbaar in het Groothertogdom Luxemburg. De koers van de Belgische frank ten opzichte van de Luxemburgse frank was een op een.

In tegenstelling tot de geluiden in sommige andere landen in de eurozone, wil in België geen enkele grote politieke partij van de euro af. Uit een peiling van Eurobarometer uit 2013 blijkt dat 49% van de Belgen van mening is dat de gevolgen van de crisis verzacht worden door de euro. Een andere 49% denkt juist het tegenovergestelde.

Overheidsschulden en -tekorten Begin jaren 1990 bedroeg de ratio van de overheidsschuld ten opzichte van het bbp 130%. In 2007 was dit cijfer gedaald tot 87% waarna de ratio weer steeg, naar 104,5% in 2013. Dit betekent dat België niet voldoet aan de eisen van het Europese begrotingspact (voluit het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance), dat een maximum van 60% aanhoudt voor deze ratio.

Tussen 1997 en 2008 schommelde het overheidstekort jaarlijks tussen de 2,6% en de -0,3% (dat wil zeggen een overschot). In 2009 steeg het tekort plotseling sterk waardoor het plafond van 3%, opgelegd door het Europese begrotingspact, werd overschreden. In 2013 was het Belgische overheidstekort weer op norm met 2,9%.

De maatregelen, die als streng te boek staan, zijn er voornamelijk op gericht om de overheidsuitgaven te verlagen en de inkomsten door fiscale heffingen te verhogen. De opeenvolgende regeringen die zich ten doel stelden om het overheidstekort te verminderen na de recessie van 2007 kregen zware kritiek te verduren van de oppositie, de vakbonden en sommige keynesiaanse economen, waaronder Bruno Colmant, die deze maatregelen als een deflationistisch beleid beschouwden, wat volgens hen risico’s met zich meebracht.

Deze periode wordt op politiek gebied gekenmerkt door een hernieuwde interesse in de PTB, een communistische partij die bijvoorbeeld in Wallonië 5,76% van de stemmen haalt tijdens de regionale verkiezingen in 2014. De partij is onder andere tegen de als oneerlijk beschouwde spreiding van de belasting die de burgers moeten opbrengen.

Gegevens per sector thumb|Bietenveld met de Butte de Lion bij Braine-l’Alleud, in het gebied van de Slag bij Waterloo

Primaire sector In 1846 maakte 52% van de beroepsbevolking deel uit van de primaire sector. In 1880 was dat 22%, in 1913 16%. Tegenwoordig is het 2%.

Infrastructuur Transport Omdat België in een van de rijkste regio’s van Europa ligt, is de economie voor een groot deel gebaseerd op het transport en de logistiek van producten. Van oudsher gold dat voor Vlaanderen met zijn havens, maar recentelijk legt ook Wallonië zich toe op deze sectoren. België mag dan prat gaan op zijn vervoersnetwerk, dat tot het meest fijnmazige netwerk ter wereld hoort, parallel daaraan hoort het land ook tot de dichtst bevolkte landen van de wereld.

Wegtransport thumb|De snelweg bij Jabbeke Het Belgische wegennet staat met ruim 149.000 km tweede op de Europese ranglijst wat dichtheid betreft (km per km2), net na Nederland. Het netwerk bestaat bijvoorbeeld uit 1763 km snelweg, voorzien van verlichting en gratis in het gebruik.