Louis Beyaert, meestal vermeld als Louis Beyaert-Carlier (Brugge, 10 augustus 1876 - Gent, 1952), was een Belgisch uitgever, kunstschilder en Nederlandstalig en vooral Franstalig dichter en essayist in Brugge.
Levensloop Carlier behoorde tot een familie van drukkers en uitgevers. Hij was de oudste van de tien kinderen van drukker Karel Beyaert (1848-1922) en van Marie Storie. Karel kreeg, als uitgever van vooral godsdienstig en theologisch werk, de titel pauselijk uitgever. Deze titel ging van Karel over op zijn twee zoons, Louis Beyaert-Carlier en diens broer Jean Beyaert (1884-1938), Journal de Bruges 3 december 1938, In Memoriam; La Patrie 3 december 1938 die, na eerst geassocieerd te zijn geweest, elk een eigen uitgeversbedrijf hadden. Louis trouwde in 1902 in Schaarbeek met Emma Carlier (1873-1927). Het gezin kreeg een zoon en drie dochters.
Louis Beyaert schreef gedichten en essays. Hij behoorde tot het Brugse actieve, vooral katholieke, culturele leven. Hij verzorgde de kunstrubiek in het Woensdagblad, een lokale krant, onderdeel van de Brugsche Courant. Hij was ook correspondent voor Nederlandse, Franse en Engelse tijdschriften. In 1927 was hij stichtend lid van Rotary Club Brugge. Journal de Bruges 21 januari 1928 Louis was ook voorzitter van de Vereniging van Belgische Uitgevers. La Patrie 3 december 1938 In Brugge was hij lid van de 'Amitiés Françaises'. Journal de Bruges 2 december 1928
Naast de uitgeverij leidde hij een atelier van religieuze kunst, waar kruisbeelden en kruiswegstaties werden gemaakt evenals kopieën van religieuze beelden. Hij had lessen gevolgd aan de Brugse Academie, in de Gentse Sint-Lucasschool en bij de beeldhouwer Alfred Gilbert. Hij leverde illustraties voor het Liturgisch Parochieblad en voor de publicaties van dom Gaspar Lefébvre. Louis Beyaert-Carlier ontwierp een vijftigtal beelden van personages uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament en schilderde talrijke kruiswegen. In opdracht van rijksarchivaris en stoetenbouwer Albert van Zuylen van Nyevelt ontwierp hij kostuums voor de historische stoet van het Gulden Vlies in 1930. Brugsch Handelsblad 31 maart 1956
Zijn gedicht Bruges, in Brugge in maart 1926 tot stand gekomen, werd getoonzet door René Brancour, conservator van het Musée du Conservatoire in Parijs.
Tweede Wereldoorlog In de jaren dertig werd Beyaert een volgeling van het Verdinaso en werd bevriend met Joris van Severen. Hij werd gaandeweg tamelijk Nieuwe Ordegezind en stapte in 1940 over naar de VNV-Eenheidsbeweging. Hij gaf nogal openlijk uiting aan zijn Duitsgezindheid, onder meer door met de Brüsseler Zeitung onder de arm door de stad te wandelen. Gewoon als literair correspondent te werken voor Franstalige kranten, zag hij geen probleem in samenwerking met het Brussels collaboratieblad Le Soir. Hij schreef er onder meer zeer lovend over Cyriel Verschaeve, van wie hij trouwens een paar geschriften in het Frans vertaalde.
Hij was in 1939 opgevolgd door zijn zoon Carl Beyaert (Brugge, 1905 - Luik, 1970), die, advocaat in Brussel, in 1932 overstapte naar de balie van Brugge om er zich tevens om de uitgeverij te kunnen bekommeren. Hij hield er dezelfde Nieuwe-orde ideeën op na als zijn vader en bij de Bevrijding ontvluchtte hij de stad. Hij werd nochtans noch vervolgd noch veroordeeld. Niettemin verliet hij de Brugse balie en werd advocaat in Luik. A. VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, a.w. blz. 110.
Louis Carlier was thuisgebleven in zijn woning, Mariastraat 8, en werd op de Bevrijdingsdag (12 september 1944), als mikpunt van de volkswoede, opgepakt en nogal mishandeld. K. RAVYTS, a.w., blz. 278. Een paar omstaanders vonden het plezierig aan zijn baardje te trekken. Hij werd in voorarrest opgesloten in het kamp voor incivieken in Sint-Kruis, met tussenpozen van opnamen in een ziekenhuis, vanwege zijn wankele gezondheid. Burgerwelzijn 12 januari 1946; Woensdagblad 12 januari 1946 Verdedigd door de Brugse advocaten Willem Willems en Leonce De Schepper, kwam zijn zaak in mei 1946 voor de Krijgsraad. Het Burgerwelzijn en het Woensdagblad, twee weekbladen die sterk de vaderlandslievende kaart trokken, publiceerden nogal kleurrijke en denigrerende verslagen over Louis Beyaert. De auditeur eiste een gevangenisstraf van 5 jaar, maar het werd een veroordeling tot 18 maanden (nagenoeg de tijd van de voorhechtenis) en een minimale geldboete van 5.000 fr. Woensdagblad 18 januari 1946 Het parket tekende beroep aan en door het hof van beroep werd de straf verhoogd tot 3 jaar gevangenis en 200.000 fr boete. Woensdagblad 8 mei 1946
Berooid en door een deel van zijn familie verlaten, ging hij na zijn vrijlating in Gent wonen. Toen hij overleed, gaven beide bladen op sobere wijze melding hiervan. Burgerwelzijn 19 september 1952 Het was anders in het Brugsch Handelsblad, dat na onderbreking opnieuw verscheen, en waarvan de eigenaars, Maurice Herreboudt sr. en zijn zoons Maurice Herreboudt jr. en Raymond Herreboudt, zoals Beyaert in het kamp van Sint-Kruis waren beland. Het blad gaf een positieve terugblik op zijn leven en schreef: "De heer Beyaert was een zeer ontwikkeld man en onder meer ook als kunstcriticus bedrijvig. Hij telde vele personaliteiten uit de hoogste kringen onder zijn vrienden en kennissen." Over zijn naoorlogse problemen schreef het blad: "Na de bevrijding werd hij zeer beproefd en bracht hij de laatste jaren van zijn leven in uiterst moeilijke omstandigheden door." Brugsch Handelsblad 20 september 1952
Publicaties Vijf dagen te Londen op het Eucharistisch Congres, 1908, verslag Smaragden, 1918, poëzie Pour le monument de l'Yser, 1919, essay Per crucem ad lucem, 1925, poëzie L'heure de la Flandre, 1926, poëzie, met een inleiding door Marcel Wyseur Journal de Bruges 26 januari 1926 Emile Verhaeren, l'homme, le poète, le citoyen, 1927, essay Journal de Bruges 4 december 1927 Flori Van Acker, artiste peintre, 1928, essay La Flandre Maritime, 2 september 1928 Bruges, 1930, poëzie en essay Guido Gezelle et le Réveil Westflamand et Bruges, 1930, essay, Imprimerie du Centre, Antwerpen Journal de Bruges 10 augustus 1930 Les litanies de Notre Dame du Soir, 1931, poëzie La Flandre Maritime 11 december 1931 en Journal de Bruges 24 januari 1932 A la pieuse mémoire de Sa Majesté la Reine Astrid, 1935, poëzie, Uitg. Commercium Montis, Brussel Journal de Bruges, 27 oktober 1935 Rubens, 1937, poëzie, uitg. J. L. Krijns, Brussel Journal de Bruges, 24 juni 1937
Literatuur Maurits VAN COPPENOLLE, Louis Beyaert-Carlier, in: Figuren uit het Brugsche, Brugge, 1936. Fernand BONNEURE, Brugge Beschreven. Hoe een stad in teksten verschijnt, Brussel, Elsevier, 1984. Fernand BONNEURE, Louis Beyaert-Carlier, in: Lexicon van West-Vlaamse schrijvers, T. I, Torhout, 1984. https://medialibrary.uantwerpen.be/oldcontent/container2452/files/Secretaris/Devotieprenten%20Beyaert.pdf Filip LEMMENS, Inventaris van de tekeningen van Louis Beyaert-Carlier bij het Ruusbroecgenootschap, Antwerpen, 1990. Jaak FONTIER, Louis Beyaert-Carlier, inː Lexicon van Westvlaamse beeldende kunstenaars, T. I, Kortrijk, 1992. Andries VAN DEN ABEELE, Drukkers en uitgevers te Brugge, 1800-1914, in: Brugs Ommeland, 2001. Robert DE LAERE, Louis Beyaert-Carlier (1876-1952), kunstschilder, letterkundige en uitgever, in: Brugs Ommeland, 2001. Kurt RAVYTS & Jos RONDAS, Het Brugse 1940-1945 Deel 2 Bevrijding en straatterreur, Kortrijk, 2001. Eduard G. C. DEGRIECK, Historiek Rotary Club Brugge, Brugge, 2002. Andries VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, Brugge, 2009. Ludo SIMONS, Het boek in Vlaanderen sinds 1800, Tielt, Lannoo, 2013.
Categorie:Belgisch uitgever Categorie:Vlaams essayist Categorie:Belgisch Franstalig dichter Categorie:Vlaams dichter Categorie:Belgisch kunstschilder Categorie:Belgisch collaborateur in de Tweede Wereldoorlog