thumb|Skelet in bovenaanzicht en diagram van Akainacephalus met gevonden botten in het okergeel Akainacephalus johnsoni is een plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de Ankylosauria, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving In 2008 werd door Scott Richardson, een paleontoloog van het Bureau of Land Management, in het Grand Staircase-Escalante National Monument in Kane County, Utah, een vindplaats van fossielen gelokaliseerd. In 2008 werd daarin het skelet gevonden van een ankylosauriër. In 2009 werd de opgraving daarvan door een team onder leiding van R. Irmis, voltooid. De schedel en onderkaken werden geprepareerd door vrijwilliger Randy Johnson, een gepensioneerde scheikundige, een inspanning die vier jaar en duizenden manuren vergde. In januari 2014 werd een CAT-scan uitgevoerd van de schedel. left|thumb|De vindplaats In 2018 benoemden en beschreven de Nederlandse paleontoloog Jelle P. Wiersma en Randall Benjamin Irmis de typesoort Akainacephalus johnsoni. De geslachtsnaam is een combinatie van het Oudgrieks ἄκαινα, akaina, "stekel", een verwijzing naar de stekelvormige osteodermen, met κεφαλή, kephalè, "hoofd". De soortaanduiding eert preparateur Randy Johnson.

Het holotype, UMNH VP 20202, is gevonden in een laag van de Kaiparowitsformatie die dateert uit het late Campanien. De ouderdom van de laag is met zirkoondatering vastgesteld op 76,26 miljoen jaar. Het holotype bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Het omvat de hele schedel met onderkaken en predentarium; vier ruggenwervels, vier dorsosacrale wervels, drie sacrale wervels, een caudosacrale wervel, acht losse staartwervels, elf vergroeide staartwervels als hendel voor een volledige staartknots, ribben, beide schouderbladen, het linkerravenbeksbeen, het rechteropperarmbeen, de rechterellepijp, een linkerdarmbeen, het linkerdijbeen, het linkerscheenbeen, het linkerkuitbeen, een teenkootje, een klauw, twee halsbergen en veertien osteodermen van rug en flanken. Het fossiel lag gedeeltelijk in verband. Het bewaart ongeveer 45% van de skeletelementen. Het is de meest complete ankylosauride die gevonden is in het zuiden van Laramidia. Het maakt deel uit van de collectie van het Natural History Museum of Utah in Salt Lake City. In dat museum is ook een skeletmodel opgesteld.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|De schedel van Akainacephalus, links, vergeleken met die van de verwant Nodocephalosaurus Akainacephalus is vrij klein met een lichaamslengte van zo'n vier tot vijf meter.

De beschrijvers wisten een aantal autapomorfieën vast te stellen, unieke afgeleide eigenschappen. De bulten boven de oogkas maken in zijaanzicht een massieve indruk, een hoge naar achteren uitlopende richel vormend die zijwaarts over de oogkas uitsteekt, terwijl ze de bovenste voorhoek en de achterrand van de oogkas omvatten. De jukbeenhoorns zijn driehoekig en steken bijna verticaal naar beneden uit. Op de voorhoofdsbeenderen ligt een centrale grote platte zeshoekige caputegula. De zone tussen de voorhoofdsbeenderen en neusbeenderen is bedekt met dicht opeengepakte symmetrisch geplaatste piramidevormige en kegelvormige caputegulae. De neusbeenderen tonen een opvallende middelste rij van kegelvormige caputegulae die symmetrisch afgescheiden zijn van de beenschubben die daar boven en bezijden van liggen. Het achterhoofdsgat ligt schuin boven en voor de achterhoofdsknobbel. left|thumb|Scans van de schedel Het koppantser van Akainacephalus lijkt opvallend sterk op dat van Nodocephalosaurus. Deze verwant is daarbij op niet zo'n grote afstand gevonden, in New Mexico. De beschrijvers besteedden dus speciale aandacht aan een vergelijking tussen de twee vormen om te bewijzen dat Akainacephalus een geldig taxon is. Akainacephalus en Nodocephalosaurus hebben bepaalde kenmerken gemeen, zoals piramidevormige osteodermen op de snuit en wijd naar bezijden uitstaande osteodermen boven de neusgaten. Er zijn echter ook verschillen. Bij Akainacephalus vormen de osteodermen van de voorste en achterste supraorbitalia een enkelvoudige, wat naar achteren gebogen, hoge structuur. Bij N. kirtlandensis blijven het aparte elementen die daarbij een stuk kleiner zijn. Bij Akainacephalus is de squamosale hoorn veel kleiner. De wanghoorn steekt als een enorme driehoek naar beneden uit, terwijl die van Nodocephalosaurus als een kleinere gebogen vin naar achteren kromt. De vergelijking wordt bemoeilijkt door het feit dat de schedel van Nodocephalosaurus slechts onvolledig bekend is en bij het holotype van Akainacephalus de squamosale hoorns afgebroken zijn, zodat hun bouw niet goed vastgesteld kan worden, en de schedel als geheel van voor naar achteren samengedrukt is, zodanig dat er een knik ontstaan is waardoor snuit en achterdeel afhangen en heel de zone rond de oogkas versmald en verhoogd wordt. Nodocephalosaurus is echter gevonden in de geologisch drie miljoen jaar jongere Kirtlandformatie. Dat alleen al sluit vrijwel uit dat het om hetzelfde taxon gaat. Tijdens het Campanien was er op Laramidia een snelle opeenvolging van soorten.

Skelet Dermatocranium thumb|De schedel van boven en onderen bezien De schedel heeft een bewaarde lengte van een halve meter. De beschrijvers deelden de schedelbotten in volgens hun embryologische en evolutionaire oorsprong, het feit weerspiegelend dat Akainacephalus, zoals alle Tetrapoda, een afgeleide beenvis is. Het dermatocranium bestaat uit elementen voorkomend uit de huidplaten van basale vissen. De praemaxillae vormen een brede, U-vormige, bovensnavel, korter dan breed, met een licht bolle snijrand. Hun interne vleugels vormen een secundair verhemelte met een lichte verheffing op de gezamenlijke beennaad. De zijwand van het bovenkaaksbeen is niet bedekt door osteodermen, net als bij Nodocephalosaurus. Het bovenkaaksbeen maakt driekwart van de snijrand van de snavel uit. Het aantal tanden per zijde in de bovenkaak is geschat op minstens zestien. left|thumb|De zijden van de schedel De neusbeenderen hebben op de middenlijn interne gepaarde tussenschotten die grote vleugels vormen. Het externe neusgat is naar bezijden gericht. Het vrij klein en het is onduidelijk in welke mate het in kleinere openingen onderverdeeld was; verwanten hebben daar vaak een zeer complex systeem van. Bij het verhemeltebeen ontbreken grote openingen aan de achterkant en zijkant.

Chondrocranium Hierop volgden in de beschrijving de botten van het chondrocranium, ten dele voortkomend uit de chorda dorsalis. Op het achterhoofd zijn de processus paroccipitales recht en kort. Ze steken horizontaal uit maar de afgeronde uiteinden hangen wat af en zijn verticaal verbreed. Aan de bovenkant van het achterhoofd bevindt zich een dwarskam met een trog erboven. Op het supraoccipitale zijn facetten zichtbaar die de beschrijvers interpreteerden als een vastgegroeide verbeende proatlas. Het basioccipitale mist een foramen op de onderzijde. Het steekt zijwaarts verder uit dan de niervormige achterhoofdknobbel, anders dan bij Nodocephalosaurus. Het zijprofiel vormt onderaan een ondiepe uitholling terwijl dat bij Nodocephalosaurus veel dieper is en zadelvormig.

De CAT-scan leverde veel extra informatie op over de structuur van de hersenpan. De openingen voor de tiende en elfde hersenzenuw liggen direct achter de fenestra ovalis in plaats van schuin eronder.

Splanchnocranium Het restant van het kopskelet valt onder het splanchnocranium en bestaat uit delen die ontstaan zijn uit de kieuwbogen. De quadrata zijn robuust en hellen meer dan 60° naar achteren. De knobbels van het kaakgewricht liggen daardoor vóór de punt van de jukbeenhoorn en zijn van bezijden zichtbaar, een uniek kenmerk in de Ankylosauridae. left|thumb|Elementen van de onderkaken Vooraan worden de onderkaken verbonden door een gezamenlijk predentarium, de eerste keer dat dit bij een Amerikaanse ankylosauride bewaard is gebleven. Het os dentale of dentarium lijkt op dat van Saichania en heeft een hoge bolle bovenrand; bij de meeste verwanten is het dentarium lager. Er is vooraan een diepe verlaging tussen de tandrij en de symfyse. Het aantal dentaire tanden bedraagt minstens zestien. De tanden zelf zijn niet bewaardgebleven. Het os spleniale, aan de binnenkant van de voorste onderkaak, heeft een golvend profiel in onderaanzicht doordat het vooraan bol naar binnen kromt. Dat verschilt van de gebruikelijke bouw waarin het over de hele lengte hol is. Het spleniale lijkt het angulare niet te raken maar wel het prearticulare. Het wordt achteraan doorboord door een groot foramen intermandibulare caudale onder de achterste tand, net als bij Euoplocephalus; bij sommige verwanten ligt het meer achteraan. Het surangulare steekt relatief hoog uit en schijnt bedekt te zijn door een apart coronoïde dat maar zelden bij andere ankylosauriden gemeld is.

Postcrania thumb|De staartknots De delen achter de schedel, de postcrania, zijn bij ankylosauriden tamelijk "conservatief": ze tonen weinig variatie tussen de soorten. Zo hebben de twee bewaarde halswervels van Akainacephalus geen bijzondere kenmerken. De twee gevonden voorste ruggenwervels hebben een haakvormig uitsteeksel op de onderste achterrand van het achterste facet van het wervellichaam dat zich naar voren voortzet als een kiel op de onderzijde. De doornuitsteeksels van de rug zijn relatief hoog en breed in zijaanzicht. Acht wervels zijn hecht vergroeid tot een synsacrum. Er zijn geen beennaden zichtbaar wat erop kan duiden dat het om een vrij oud individu gaat. De vier voorste wervels worden als uit de rug "ingevangen" dorsosacralen gezien omdat hun ribben een T-vormige dwarsdoorsnede hebben en een breed contact met het darmbeen missen. De staartwervels zijn slechts licht amficoel. Bij de eerste twee staartwervels zijn de zijuitsteeksels horizontaal en haaks gericht, niet schuin naar beneden en voren. Hun doornuitsteeksels zijn bovenaan uitzonderlijk sterk overdwars verbreed. De meer achterste "vrije" staartwervels behouden een hoog ruggenmergkanaal. Er bevinden zich elf staartwervels in de "hendel" van de staartknots, een relatief laag aantal. Naar achteren in de reeks worden deze wervels smaller en lager. De hendel wordt verstijf door bij elkaar V-vormige voorste gewrichtsuitsteeksels die de helft van de voorliggende wervel beslaan en door staafvormige en V-vormige vergroeide chevrons. Verbeende pezen lijken te ontbreken.

Aan het uiteinde van de staart bevindt zich een staartknots. Deze bestaat uit met de uiterste wervels vergroeide osteodermen. Hoewel dus eigenlijk deel van het huidpantser, wordt deze structuur traditioneel in de context van de staart beschreven omdat zij er een functioneel geheel mee vormt. De knots wordt gevormd door twee grote langwerpige gepaarde osteodermen aan de zijkanten en een kleinere centrale ruitvormige osteoderm aan het uiteinde. Het profiel van de knots als geheel is ook driehoekig, met de afgeronde vrij brede punt naar achteren gericht. Dit wijkt af van de knots van andere Amerikaanse ankylosauriden waar de knots meer een ovaal vormt. Het kan echter zijn dat de driehoekige vorm een artefact is van erosie van het fossiel. Een overeenkomst met de meeste Amerikaanse vormen is de vrij forse omvang. De structuur is bijna net zo breed als de schedel. De knots steekt schuin omhoog onder een hoek van 10° tot 15°. De binnenzijden van de grote osteodermen zijn hol om de staartwervels te omvatten. De buitenzijden hebben geen kiel maar zijn verticaal afgerond. Aan de achterste onderzijde vormen deze osteodermen ronde structuren die elkaar raken. De osteoderm aan het uiteinde is breder dan lang. thumb|left|Elementen van de schoudergordel