De Feldbergrennen vormden een serie races met auto's en motorfietsen die van 1920 tot 1954 werden georganiseerd in de omgeving van de Großer Feldberg in de toenmalige Obertaunuskreis (tegenwoordig: Hessen) in het Taunusgebergte. miniatuur|het circuit in de jaren vijftig Geschiedenis Tot in de jaren vijftig was het in Duitsland tamelijk gebruikelijk dat raceweekenden werd gecombineerd: auto en motorraces. Dat gold ook voor de Feldbergrennen, die met tussenpozen werden georganiseerd: van 1920 tot 1928, van 1934 tot 1936 en van 1950 tot 1954, hoewel er ook al in 1904 een race op de Großer Feldberg was gehouden. Die werd gewonnen door Martin Pfeifer met een Neckarsulm. De wedstrijden werden altijd verreden op een stratencircuit, dat in de loop van de tijd veranderde. In de beginjaren was het een heuvelklim van 8 kilometer lang, in de jaren dertig werd het verlengd tot 12 kilometer en bij het herstarten na de Tweede Wereldoorlog was het een rondlopend stratencircuit van 11,6 kilometer lengte. miniatuur|links|August Momberger was in 1923 waarschijnlijk de jongste deelnemer. De foto dateert echter uit 1934, met een Auto Union op de AVUSring. Feldberg-Bergpreis 1920-1928 (Heuvelklim) In de jaren twintig werden de auto's aanvankelijk ingedeeld naar het Fiscaal vermogen (Steuer-PS), een systeem waarbij belasting naar vermogen moest worden bepaald, maar waarbij dat vermogen niet nauwkeurig berekend werd. In Duitsland vertegenwoordigden elke 262 cc een "Steuer-PS". Zo stond de Adler waarmee Carl Iron de 12pk-klasse van 1920 won te boek voor 12 fiscale pk's, maar de auto leverde in werkelijkheid 50 pk. De meeste deelnemers waren amateurs, veelal rijken die een auto konden betalen. In 1925 stapte men af van de klassen-indeling naar fiscaal vermogen en gebruikte men de inmiddels meer gebruikelijke indeling naar cilinderinhoud, maar ook naar toer- sport- en racewagens en naar privérijders en fabrieksrijders. Deze laatste indeling was echter nogal ondoorzichtig en min of meer willekeurig. In 1927 liet men ook de toerwagenklasse vervallen omdat de scheiding tussen toer- en sportwagens niet duidelijk was. Vrouwelijke deelnemers Zelfs dames namen vanaf het begin deel: Ines Folville uit Frankfurt am Main werd al in 1922 tweede in de 10pk-klasse met een Steiger en in 1926 werd ze tweede in de Racewagenklasse tot 1100 cc met een Amilcar. Gretel Kalinowsky won in 1922 als bakkeniste met haar man Hugo de 500cc-zijspanklasse. In 1925 won Friedel Wessinger als rijdster de 1000cc-zijspanrace. In 1928 won Änne Wiest uit Darmstadt (die een internationale racelicentie bezat) de sportwagenklasse tot 500 cc met een Hanomag Kommissbrot, Liliane Roehrs uit Hannover won met een Adler de 1500cc-sportwagenklasse voor internationale licentiehouders, Margot Gräfin von Einsiedel uit München won met een Steyr de sportwagenklasse tot 5000 cc voor internationale licentiehouders en Friedel Wessinger uit Pforzheim won met een Wanderer-zijspancombinatie de 1000cc-zijspanklasse van 1925. Lore Keller, die later trouwde met coureur Alois Stößer, won in 1927 de 600cc-zijspanklasse met een snelheid die aanmerkelijk hoger lag dan die van haar 1000cc-collega's.

August Momberger uit Bad Homburg, die in 1923 totaalwinnaar werd, werd "Bubi" genoemd, omdat hij op dat moment pas 18 jaar oud was. Momberger zou in 1928 ook de 3000cc-klasse winnen.

Resultaten