miniatuur|Vermoedelijke locatie van Fort Boekoe op een rits ten oosten van de Barbakoebakreek en ten noorden van de Boekoekreek in Noordoost Suriname miniatuur|Boekoemonument in Tamarin Fort Boekoe (Suriname, 1771 - 1772) was de versterkte nederzetting en verblijfplaats van de Boni-marrons. BoekoeIn plaats van Boekoe wordt ook Buku of Boucou (spreek uit boekoe zoals boek en koe) geschreven. lag op een verhoging in een moerasgebied, ten oosten van de Cottica en was bereikbaar via een geheim pad dat gedeeltelijk verborgen lag onder het wateroppervlak. Het dorp was versterkt met palissades en werd verdedigd met enkele kanonnen. Vanuit Boekoe werden overvallen op nabijgelegen plantages uitgevoerd. In september 1772 werd Boekoe veroverd en met de grond gelijkgemaakt door de troepen van het gouvernement en het korps Zwarte Jagers. De Boni-marrons vluchtten daarop naar de regio Locusboom, verder naar het oosten, waar zij nieuwe dorpen en kostgronden bouwden.

Fort Boekoe speelde een belangrijke rol in de eerste Boni-oorlog (1765 - 1776) en is een symbool geworden voor de opstand van de slaven tegen het plantagesysteem en de koloniale overheersing.

Voorgeschiedenis In 1770 was de strijd tussen de Boni-marrons (waarmee geen vredesverdrag was afgesloten) en de patrouilles opgezet door plantagehouders al enkele jaren gaande. Door een overval op de plantage Mon Désir in november 1770 kregen de Boni's ruimere beschikking over geweren en kruit. Een patrouille die de overvallers probeerde te achterhalen kon hun spoor niet terugvinden. In maart 1771 werd er door de planters een nieuwe patrouille uitgerust om dorpen van de marrons te vinden en te vernietigen. Die patrouille slaagde erin om op 5 maart 1771 Libia, het dorp van Boni, te vinden. Libia was vlak voor hun aankomst verlaten, de vuurplaatsen waren nog warm. Een dag na de ontdekking van Libia werd de patrouille door de marrons overvallen. Enkele soldaten sneuvelden en de overlevenden kwamen enkele dagen later aan op de post ’s-Landsrust. miniatuur|links|Kaart van het noorden van Suriname (Stedman 1796). Boekoe lag ten noorden van de Cottica tussen de Motkreek en de Marowijne in. Op 9 juni 1771 overvielen de marrons de plantage Bockensteyn, gelegen aan de bovenloop van de Cottica-rivier. De plantage werd verdedigd door de slaven en de overvallers slaagden er niet in om slaven in handen te krijgen. De gebouwen werden in brand gestoken. De overvallers vertrokken in buitgemaakte boten, met meeneming van vijf vrouwen en een man die op het land aan het werk waren. Een achtervolgende patrouille probeerde wederom vruchteloos de marrons te achterhalen. Die voeren stroomopwaarts over de Cottica en de Koopmanskreek en vervolgden hun terugtocht te voet naar een nieuwe nederzetting, het dorp Boekoe.De Groot p.34Hoogbergen p.136-141

Fort Boekoe miniatuur|Strafexpedities naar Fort Boekoe 1771-72. (Hoogbergen, 1985) Boekoe werd het nieuwe bastion van de Boni-marrons. De naam betekent tot stof vervallen en duidt aan dat het dorp eerder tot stof zou vergaan dan dat het zou worden ingenomen.Stedman p.84 Boekoe was gelegen ten oosten van de Barbakoebakreek en ten noorden van de CassiperaDe Cassiperakreek wordt ook wel Boekoekreek genoemd. Deze kreken stromen door een moerasland (zwamp) dat doorsneden wordt door zand- en schelpritsen. Het versterkte dorp lag op een zandrits in een diepe zwamp, de Biribiri. Boekoe was dus moeilijk te vinden en te benaderen. De marrons die de omgeving goed kenden konden vanuit deze plek te voet of per korjaal plantages overvallen en terugkeren met hun buit terwijl het voor achtervolgers moeilijk was om hen te achterhalen.

In september 1771 is een lijst opgesteld van de bewoners van Boekoe. De lijst is tot stand gekomen door de verhoren van gevangengenomen en meegevoerde marrons, na de verovering van Boekoe in september 1771. Op die lijst staan 50 mannen, 24 vrouwen en 9 kinderen. Deze aantallen komen overeen met de schattingen van luitenant Meyer, een officier van de Sociëteitstroepen. De lijst is niet compleet: er missen 22 marrons afkomstig uit Boekoe, die voor september 1771 gevangengenomen waren. Later gevangengenomen marrons hebben ook nog namen genoemd van andere dorpsbewoners.Hoogbergen p.147, p.465

Begin 1771 liepen 9 slaven van de plantage Fauquemberg weg, waaronder Jolicoeur, 15 slaven van de plantage La Paix en 9 van de plantage Acconoribo. De weggelopen slaven vormden een extra bedreiging voor de plantagehouders omdat onder hen ook slaven waren die in Suriname zelf geboren waren. Van deze zogenoemde creolen had men aangenomen dat zij te vertrouwen waren en sommige plantagehouders hadden hen zelfs bewapend. Ook deze creolen liepen nu weg, met hun bewapening.Hoogbergen p.150 Het aantal bewoners van Boekoe nam in 1771 en 1772 dus sterk toe, door slaven die van hun plantage vluchtten en door slaven die werden meegenomen na aanvallen door de Boni's.

Vanuit Fort Boekoe werden meerdere succesvolle overvallen op plantages uitgevoerd. De plantagehouders voerden de druk op het bestuur van de kolonie op. Er moest militaire steun verleend worden op de plantages en de expedities om de marrons op te sporen moesten worden geïntensiveerd. De strijd nam dus toe. Maar Boni heeft in dezelfde periode ook drie keer aangeboden om vrede te sluiten. Op 13 sept 1771 na de overval op de plantage Capoerica. Bij de overval op de plantage Poelwijk op 27 juni 1772 en op 29 juli 1772 na de mislukte aanval op Boekoe door de Redi Musu. Deze verzoeken werden steeds afgewezen.Hoogbergen p.14, p.157, p.163

De strijd om Boekoe De eerste verovering van Boekoe In september 1771 werd opnieuw een bospatrouille uitgezonden met de bedoeling om nieuwe dorpen van de marrons te ontdekken. Een militair commando vertrok op 12 september vanuit de post ’s-Lands Welvaren. Het commando stond onder leiding van vaandrig Sebulo en bestond uit 50 soldaten en enkele dragers. Na enkele dagen ontdekte het commando een dorp dat op een zandrits in een zwamp lag, iets ten noorden van de Cassiperakreek. Het dorp werd omringd door een palissade van 3 meter hoog die was voorzien van schietgaten. Het dorp was bereikbaar via een smal, verborgen pad, dat gedeeltelijk onder het wateroppervlak lag. De toegang tot het dorp bestond uit een smalle doorgang in de palissade. Bij de doorgang waren twee draaibassen (kleine draaibare kanonnen) opgesteld. Het geheime pad werd door Sebulo ontdekt en zonder veel tegenstand kon hij het dorp bezetten. Op het moment van de verovering waren de weerbare mannen op een veldtocht naar de plantage Capoerica, gelegen aan de Pericakreek. De goederen die de troepen aantroffen in het dorp werden vernield en in het water gegooid. De 2 draaibassen en 2 donderbussen (kleine bronzen kanonnen) werden meegenomen. De huizen werden niet platgebrand en ook de palissade bleef staan. Er werden 15 vrouwen en 7 kinderen gevangengenomen en meegevoerd.

miniatuur|Gezicht op het weglopersdorp Mi Sa Lasi (1772). Op de voorgrond het kamp van Kapitein Oorsinga, bovenin het dorp met de palissade en over de zwamp het knuppelpad (barbecot) in aanbouw. Tijdens de terugtocht van hun overval op de plantage Capoerica stuitten de marrons op het commando van Sebulo. De marrons waren ongeveer 40 man sterk en werden geleid door Boni en de onderaanvoerders Baron en Jasmin. Ondanks verwoede pogingen en heftige gevechten lukte het de marrons niet om de vrouwen en kinderen te ontzetten. De gevangenen werden op 22 september 1771 overgeleverd aan de autoriteiten in Paramaribo.De Beet p.89-90 Het relaas van Vaandrig SebuloHoogbergen p.141-148

Bedlo, een planter en burgerkapitein van het district Boven-Cottica en Perica en eigenaar van de plantage Capoerica, stuurde enkele patrouilles om de overvallers te achterhalen en om het dorp en de versterking alsnog te vernietigen. Een patrouille onder leiding van vaandrig Kraft vertrok op 6 november vanuit de post Vredenburg, maar keerde, na een gevecht met 70 tot 80 marrons, onverrichter zake terug.De Beet, p.95. Rapport van Vaandrig Kraft De patrouille onder leiding van Sebulo kon het dorp niet meer terugvinden, maar vond wel de plek waar zij eerder slag hadden geleverd met de marrons. De hoofden van de gedode soldaten waren op staken gespietst.De Groot p.36

Eind november zond Bedlo opnieuw een grote patrouille uit naar Boekoe. 73 soldaten en 81 lastdragers onder leiding van Kraft en Keller. Op 21 november staken ze de Cottica over en trokken op in de richting van Boekoe. Ze ontdekten verschillende kostgronden, maar bleven steken aan de oever van de Birbirizwamp. De marrons vielen ’s nachts het kamp aan en na hevige gevechten, die twee dagen duurden, kregen de troepen gebrek aan munitie. Ze besloten om zich terug te trekken. Kraft en Keller rapporteerden later dat het op dat moment niet mogelijk was om Boekoe opnieuw in te nemen. De moerassen waren niet doorwaadbaar en de tegenstand van de marrons was te hevig.Hoogbergen p.148-150

Vorming van het korps Zwarte Jagers of Redi Musu De teleurstellende resultaten van het Corps Vrije Mulatten en Neegers, opgericht in 1770 en bestaande uit twee detachementen van elk 50 mannen leidde ertoe dat er in 1772 een ander korps werd gevormd: het Neeger-vrijcorps, ook wel het korps Zwarte Jagers of Redi Musu genoemd. Het besluit hiertoe werd genomen door het Hof van Politie, onder voorspraak van de raadsleden (en plantagehouders) Bedlo en Van der Mey.Het dagelijks bestuur van de kolonie werd uitgeoefend door de gouverneur in samenwerking met het Hof van Politie. Vanaf 1680 bestond het hof uit 12 leden, de gouverneur, de bevelhebber der strijdkrachten, de raad-fiscaal (vergelijkbaar met de huidige functie van procureur-generaal) en negen leden door de gouverneur gekozen uit door de kolonisten genomineerde dubbeltallen. (Dragtenstein, hfd.1) Gouverneur Nepveu ondersteunde het voorstel en op 15 juli 1772 kocht het gouvernement de eerste 116 slaven voor de vorming van een Neeger-Vrijcorps. Aan de slaven werd beloofd dat zij vrij zouden komen nadat zij hun contract hadden uitgediend. Het korps werd vrijwel direct ingezet in Boven-Cottica, het gebied waar de Boni-marrons opereerden.Hoogbergen p.156De Beet p.123-126 Reglement van het korps Vrije Negers

De belegering miniatuur|Een vluchtende slaaf, gewapend en op zijn hoede. (Stedman 1794) Terwijl de Boni’s doorgingen met het overvallen van plantages werd een nieuwe veldtocht voorbereid. In april 1772 werd Kapitein Oorsinga op pad gestuurd met 150 soldaten en 150 dragers. Hun opdracht was om op de zandrits tegenover Boekoe een nieuwe militaire post te vestigen en van daaruit Boekoe in te nemen. Op 30 april kwamen de troepen aan op de rits tegenover Boekoe. De zwamp was wel diep, maar niet breed. Het kamp dat kapitein Oorsinga liet inrichten en Boekoe lagen op gehoorafstand van elkaar. De marrons hadden hun dorp in de voorgaande maanden verder versterkt. De palissade was aan de kant van het kamp nu 5 meter hoog. Op enkele plekken rond het dorp waren valkuilen gegraven waarin spiesen gestoken waren. Boven het dorp hing een vlag met een zwarte en een witte leeuw op een gele ondergrond met zwarte rand. De Boni’s daagden de soldaten voortdurend uit. De aanvallers hoorden de verdedigers van Boekoe schreeuwen: "dit dorp heet Mi sa lasi (Ik zal verliezen)Pas later is duidelijk geworden dat Mi Sa Lasi en Boekoe samenvielen. Ook is mogelijk dat Misalasi alleen de naam van de versterking was en Boekoe de naam van de nederzetting met de kostgronden. Hoogbergen p.154. maar ons nieuwe dorp zal de naam Ju no sa fini (Je zult het niet vinden) dragen."De Beet p.96-117 Het journaal van Kapitein OorsingaEncyclopedie van Suriname p.77 Lemma: Boni-oorlog