De Deportatie van Tsjetsjenen en Ingoesjen, ook gekend als Aardach (Tsjetsjeens: Aardax), Operatie Lentil en Tsjetsjevitsa (Russisch: Чечевица, Chechevitsa; Tsjetsjeens: вайнах махкахбахар, Vaynax Maxkaxbaxar; Ingoesjetisch: гIалгIайи нохчийи мехках бахар) was de gedwongen volksverhuizing van de gehele Vajnach-bevolking (Tsjetsjenen en Ingoesjen) van de Noordelijke Kaukasus naar Centraal-Azië door de Sovjets. De deportatie begon op 23 februari 1944 tijdens de Tweede Wereldoorlog en kwam er na de Tsjetsjeense opstand van 1940-1944. De verplaatsing werd bevolen door NKVD-baas Lavrenti Beria na goedkeuring van Jozef Stalin en eindigde in 1957 na 13 jaar onder Nikita Chroesjtsjov en diens destalinisatie, die de deportaties veroordeelde in zijn geheime rede van 1956 als een schending van leninistische principes. Hij weigerde echter de Vajnachen te rehabiliteren.

De deportatie werd voorbereid sinds oktober 1943 en gebeurde met inzet van 19.000 officieren en 100.000 NKVD soldaten. Men beoogde de complete ontbinding van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek. De demografische gevolgen waren catastrofaal en enorm: van de 496.000 gedeporteerde Tsjetsjenen en Ingoesjen, verdween minstens een kwart. In totaal tonen archieven aan dat meer dan honderdduizend mensen stierven tijdens de razzia's en transportatie, die veelal plaatsvond in erbarmelijke omstandigheden in treinwagons. Veel Tsjetsjenen en Ingoesjen kwamen tijdens hun ballingschap terecht in Kazachstan en Kirgizië. Een ander deel belandde in werkkampen en was onderhevig aan gedwongen volksverhuizingen.

Als redenen voor de deportaties werd het vermeende "laag niveau van arbeidsdiscipline", "de alomtegenwoordigheid van diefstal en terrorisme", "het falen van Tsjetsjenen om zich te voegen bij de Communistische Partij" en de bekentenis van een Duitse agent waaruit bleek dat hij veel steun kreeg uit Ingoesjetische hoek aangehaald. Officieel gold als reden "de gewapende weerstand tegen Sovjetmacht". De vermeende collaboratie van Vajnachen met de Duitsers werd echter nooit aangetoond in Sovjetrechtbanken.W. DUSHNYCK, ""Discrimination and Abuse of Power in the USSR" in VEENHOVEN, W. A., Case Studies on Human Rights and Fundamental Freedoms Volume Two: A World Survey, Leiden, Martinus Nijhoff Uitgeverij, 1975, p. 503. Verscheidene historici, waaronder Moshe Gammer, Ben Fowkes en Tony Wood, weerleggen de door de Sovjets aangehaalde banden tussen Vajnachen en de Duitsers door er op te wijzen dat de veldtocht van de Duitsers stopte aan de uiteindes van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR in Noord-Ossetië. Bovendien zou de overgrote meerderheid van de Vajnachbevolking niet eens in direct contact zijn gekomen met het Duitse leger.

Volgens lokale verslaggeving waren 432.000 Vajnachen naar de Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR teruggekeerd tussen 1957 en 1961, ondanks de werkloosheid, slabakkende economie en etnische twisten met de lokale Russische bevolking. Uiteindelijk slaagden de Tsjetsjenen en Ingoesjen erin er de meerderheid van de bevolking te vormen. De deportatie wordt er beschouwd als een catastrofe en wordt jaarlijks herdacht op 23 februari, de dag waarop de deportaties begonnen.

Vele Tsjetsjenen en Ingoesjen beschouwen de deportaties als een daad van genocide. Het Europees Parlement kwam in 2004 tot het volgende besluit:

Historische achtergrond 18de en 19de eeuw Het Tsjetsjeens en Ingoesjetisch zijn nauw verwante talen en zijn onderling passief begrijpbaar. Samen vormen ze de Vaynakh-taal. Het Tsjetsjeens-Russisch conflict is een van de langste en langstdurende conflicten in de moderne geschiedenis dat al drie eeuwen duurt. Het begon in 1785, wanneer de Tsjetsjenen zich verzetten tegen het Russisch expansionisme in de Kaukasus. De Kaukasusoorlog werd tussen 1817 en 1864 uitgevochten. Het Russisch Keizerrijk slaagde erin het gebied te annexeren en de bevolking er te onderwerpen, maar vermoordde en deporteerde in datzelfde proces ettelijke niet-Russische bevolkingsgroepen en was verantwoordelijk voor de Circassische Genocide. De Tsjerkessen, de Oebychen en de Abanezen werden als gevolg aangesloten bij het Ottomaans Rijk. Ook andere Kaukasische volkeren ontsnapten niet aan de gevolgen van het Russisch expansionisme. In 1847 waren er ongeveer 1,5 miljoen Tsjetsjenen in de Kaukasus. In 1861 daalde dat aantal naar 140.000, en erna naar 116.000 in 1867. In 1865 werden minstens 39.000 Tsjetsjenen verbannen naar het Ottomaans Rijk door het Russische Keizerrijk.

thumb|Een schilderij toont een Tsjetsjeen, een Osseet, een Circassiër en een Kabardijn in de 19de eeuw.|left

Desalniettemin vroegen de Tsjetsjenen met horten en stoten om het herstel van hun onafhankelijkheid. Ze rebelleerden tegen het Russisch Keizerrijk in 1878.

20ste eeuw Tijdens het tijdperk van de Sovjet-Unie - de jaren '20 en '30 - verwierpen de Tsjetsjenen het collectivisatie- en Sovjetiseringsbeleid van Jozef Stalin. Deze sociale weerstand kreeg al gauw de bijnaam "het Tsjetsjeens probleem". In deze periode wijzigden de Sovjets regelmatig hun grenzen, tot uiteindelijk in 1936 de Tsjetsjeense Autonome Oblast en de Ingoesjetische Autonome Oblast werden samengevoegd tot de Tsjetsjeens-Ingoesjetische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek.

In 1940 startte een Tsjetsjeense opstand die geleid werd door Hassan Israilov en deels geïnspireerd werd door de weerstand van de Finnen tegen de Sovjets in de Winteroorlog van 1939. In februari 1942 rebelleerde Mairbek Sheripovs groep in Sjatojski en Itoem-Kalinski. Zij voegden zich bij Israilovs leger om te rebelleren tegen de Sovjets. De luchtmacht van de Sovjet-Unie bombardeerde de Tsjetsjeens-Ingoesjetische republiek echter in de lente van 1942 met als doel de rebellie te onderdrukken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog beschuldigden Sovjetautoriteiten de Tsjetsjenen en Ingoesjen van collaboratie met het naziregime, dat toentertijd Rusland was binnengevallen. De Duitsers wilden de Azerbeidzjaanse SSR bereiken voor hun oliereservaten in het kader van Fall Blau. Op 25 augustus 1942 landde een groep van Duitse parachutisten geleid door Osman Gube nabij het dorp Berezhki in het district Galashinsky om er anti-Sovjetactiviteiten te voeren, maar zij slaagden er enkel in om 13 personen te rekruteren in het gebied.

Het sleutelmoment in de Tsjetsjeense guerrilla brak aan in augustus-september 1942, toen Duitse troepen Ingoesjetië bereikten, en eindigde in de zomer tot herfst van 1943 met het Sovjet-Russisch tegenoffensief waardoor de Wehrmacht werd weggedrongen van de Noordelijke Kaukasus. Op dat ogenblik bevonden er zich ongeveer 20 miljoen moslims in de Sovjet-Unie, wat aanleiding gaf tot angst bij de Sovjets met betrekking tot een mogelijke islamitische revolutie van de Kaukasus naar Centraal-Azië. In augustus 1942 drong de Wehrmacht Noord-Kaukasus binnen. Daar veroverden ze Karatsjaj-Tsjerkessië en de Kabardino-Balkaarse Autonome Socialistische Sovjetrepubliek. Ter plaatse promootten ze anti-Sovjetideeën. De Duitsers bereikten echter nooit Grozny. De enige stad die ze kort konden veroveren in de Tsjetsjeens-Ingoesjetische republiek was Malgobek, maar die stad werd enkel bewoond door Russen.

Verscheidene geschiedkundigen, waaronder Moshe Gammer, Ben Fowkes en Tony Wood, weerleggen Tsjetsjeense banden met de Duitsers. Ze wijzen erop dat de Duitse veldtocht stopte aan de buitenwijken van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische republiek nabij Mozdok (Noord-Ossetië), en dat de overgrote meerderheid van de Vajnachen niet eens in direct contact kwamen met het Duitse leger. Ondanks de geheime onderhandelingen die werden gevoerd met de Duitsers aan de grens, wijzen Tsjetsjeense rebellen erop dat ze noch Duitse noch Russische overheersing verkozen. Sheripov waarschuwde het RMfdbO (Reichsministerium für die besetzten Ostgebiete) ervoor dat "als de bevrijding van de Kaukasus de uitwisseling van de ene kolonisator voor de andere betekende, de Tsjetsjenen dit enkel zouden beschouwen als een nieuwe fase in de nationale bevrijdingsoorlog". In oktober 1942 hielpen Tsjetsjenen andere vrijwilligers om een defensieve barrière op te stellen rond Grozny. Tussen december 1942 en maart 1943 bedroeg de Tsjetsjeens-Ingoesjetische bijdrage aan de Sovjet-Russische verdedigingsoorlog ongeveer 12 miljoen roebels. 17.413 Tsjetsjenen voegden zich bij het Rode Leger en 44 onder hen ontvingen een militaire onderscheiding. 13.363 anderen voegden zich bij de Tsjetsjeens-Ingoesjetische Volksmilitie (Russisch: Народное ополчение), die klaarstond om het gebied te beschermen tegen een invasie. Daartegenover, zo merkt Bakab Rezvani op, collaboreerden enkel een honderdtal Tsjetsjenen met de asmogendheden.

Deportatie

Op het bevel van Lavrenti Beria, het hoofd van de NKVD die door Stalin "onze Himmler" werd genoemd, werd de gehele Tsjetsjeense en Ingoesjetische bevolking (de Vajnachen) van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek gedeporteerd in goederentreinen naar afgelegen gebieden in de Sovjet-Unie. De operatie kreeg de naam "Chechevitsa" (een verwijzing naar de Tsjetsjenen) in het Russisch, en werd ook Operatie Lentil genoemd. Door Tsjetsjenen wordt de deportatie "Aardakh" genoemd, wat Tsjetsjeens is voor exodus. De operatie werd voorbereid en gepland sinds oktober 1943 door o.a. Beria's twee vertrouwelingen, Ivan Serov en Bogdan Kobulov. Beria klaagde bij Stalin over het laag niveau van arbeidsdiscipline", "de alomtegenwoordigheid van diefstal en terrorisme", "het falen van Tsjetsjenen om zich te voegen bij de Communistische Partij" en vertelde hem over de bekentenis van een Duitse agent waaruit bleek dat hij veel steun kreeg uit Ingoesjetische hoek. Erna beval Beria de implementatie van de operatie. Toen Supian Kagirovitsj Mollaev, de leider van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische overheid, het bevel vernam, barstte hij in tranen uit, maar besloot erna toch om de bevelen op te volgen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden 3.332.589 personen slachtoffer van Stalins deportaties en gedwongen verhuizingen. Een paar van de redenen die werd aangehaald waren het "bezweren van etnische twisten", het "stabiliseren van de politieke situatie" en personen te straffen voor hun "daden tegen de Sovjetautoriteiten". Volgens een volkstelling in 1939 waren er respectievelijk 407.690 en 92.074 Tsjetsjenen en Ingoesjen in de Sovjet-Unie. Op 13 oktober 1943 begon Operatie Lentil wanneer een honderdduizendtal troepen en arbeiders werd verplaatst naar de Tsjetsjeens-Ingoesjetische SSR om er zogezegd "wegen en bruggen te onderhouden". De soldaten woonden zelfs een maand thuis bij de Tsjetsjenen, die hen als gasten beschouwden. Op 20 februari 1944 arriveerde Beria in Grozny om de operatie er te overzien.

thumbnail|Kaart van de Tsjetsjeense en Ingoesjetische regio's vóór de deportatie Op 23 februari 1944 begon de operatie. De NKVD-troepen gingen systematisch elk huis af om personen op te halen. De inwoners werden opgepakt en gevangengezet in militaire vrachtwagens alvorens ze opeengepakt werden in onverwarmde en ongeïsoleerde goederenwagons. De gedeporteerden werden verrast door de operatie en kregen een kwartier tot een halfuur om in te pakken. Volgens briefwisseling van 3 maart 1944 werden minstens 19.000 officieren en 100.000 NKVD-soldaten van over de hele Sovjet-Unie gestuurd om de operatie uit te voeren. Een vijfhonderdtal mensen werd per ongeluk gedeporteerd ook al waren ze Tsjetsjenen noch Ingoesjen. Het plan voorzag dat 300.000 het laagland moesten worden uitgezet in de eerste drie dagen, waarna de overige 150.000 mensen die woonachtig waren in bergachtige regio's aan de beurt waren.

Geweld