Lambertus Theodorus ('Lambert' of 'Berth') van Kleef (Den Haag, 21 mei 1846 – Den Haag, 19 februari 1928) was een Nederlandse arts en amateurfotograaf. Hij verwierf bekendheid als pionierend chirurg in een tijd dat de medische wetenschap grote veranderingen onderging. In 1882 verrichtte hij als eerste in Nederland een geslaagde maagoperatie. In 1896 maakte hij de eerste medische röntgenfoto's in Nederland. Als geneesheer-directeur van het Maastrichtse Ziekenhuis Calvariënberg wist hij dit achtergebleven gemeentelijke ziekenhuis te vernieuwen tot een van de modernste van het land. Zijn bewaard gebleven collectie amateurfoto's is van belang voor de geschiedenis van de fotografie in Nederland en de stadsgeschiedenis van Maastricht, Den Haag en andere plaatsen.
Levensloop Familie, jeugdjaren en opleiding Lambert van Kleef werd geboren als oudste van acht kinderen van de middenstander Petrus (Peter) van Kleef en diens echtgenote Anna Maria Meyers. Van de acht kinderen zouden slechts drie de volwassenheid bereiken. De Van Kleefs dreven een distilleerderij aan de Haagse Lange Beestenmarkt, een bedrijf dat nog voortleeft als Distilleerderij Museum Van Kleef.Zie de website: . Gearchiveerd op 5 februari 2023. Over Lamberts kinderjaren is weinig bekend, maar duidelijk is dat hij weinig ambitie toonde voor het familiebedrijf. (2016): 'Van Den Haag naar Maastricht: wordingsjaren van een chirurg'. In: Evers e.a. (2016), pp. 43-46.
De familie Van Kleef behoorde tot de circa 19.000 katholieken, die omstreeks het midden van de 19e eeuw ongeveer een derde van de Haagse bevolking uitmaakten. Het is niet duidelijk waar Lambert van Kleef zijn eerste schoolopleiding kreeg, maar dit zal ongetwijfeld een school van katholieke signatuur zijn geweest. Vermoedelijk volgde hij in het Noord-Brabantse Zevenbergen vervolgonderwijs aan het Institution des Gens Jeunes ('Kostschool voor Jonge Heeren') van de onderwijzer Christiaan Mol.
thumb|left|195px|Oorkonde studentenvereniging Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen in Utrecht, 1862 Omdat hij geen gymnasiale vooropleiding had genoten, stonden de medische faculteiten van Leiden, Utrecht, Amsterdam en Groningen niet voor hem open. Van 1862 tot 1866 studeerde Van Kleef aan de Utrechtse Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen, een opleiding waarvoor wel een zekere basiskennis van het Latijn was vereist, maar waar niet in die taal werd gedoceerd. Dankzij het daaraan verbonden militaire hospitaal (Rijks Hospitaal ter Instructie, tegenwoordig Centraal Militair Hospitaal) stond het praktisch gerichte onderwijs er als goed bekend. Ook was er grote aandacht voor de exacte wetenschappen, die bij het universitair onderwijs toen nog goeddeels ontbraken. In het laatste studiejaar behandelden de studenten, onder toezicht, zelfstandig patiënten en werkten ze enige tijd in de ziekenhuisapotheek. Aan de Rijkskweekschool was geen internaat verbonden. De zestienjarige Van Kleef woonde in Utrecht aanvankelijk op kamers aan de Voorstraat, later aan de Potterstraat. Hij doorliep de opleiding zonder problemen en slaagde in 1866 bij de eerste poging voor het eindexamen. Met enkele medestudenten, zoals H.E. Korndorffer en G.H. de Kruijff, hield hij jarenlang contact.Evers/Schmitz (2016), pp. 46-52.
Militair geneeskundige: Kampen, Venlo en Wesel Op 7 juli 1866 werd Van Kleef – twintig jaar oud – benoemd tot officier van gezondheid 3e klasse met de rang van tweede luitenant bij de Koninklijke Landmacht. De Militaire Geneeskundige Dienst (MGD) plaatste hem korte tijd later bij het Instructiebataljon van de landmacht in Kampen, waar hij assistent was van officier van gezondheid majoor J.J.P. van den Heuvel tot Beichlingen, gezegd Bartolotti Rijnders (1816-1883). In tegenstellingen tot de manschappen, woonden officieren niet in de kazerne. Van Kleef betrok dus ook in Kampen kamers en verbleef achtereenvolgens op twee verschillende adressen aan de Oudestraat. Na ruim twee jaar in Kampen, volgde op 17 oktober 1868 zijn benoeming bij het garnizoen te Venlo, waar hij kamers betrok aan de Vleeschstraat. Van Kleef was in Venlo assistent van majoor H.Z. Woltersom (1812-1908), die hij later in Maastricht weer zou tegenkomen als hoofd van het plaatselijke garnizoenshospitaal. Van Kleef zou, met enkele korte onderbrekingen, vijf jaar als militair geneeskundige in Venlo gestationeerd blijven, de laatste twee jaar als officier van gezondheid 2e klasse met de rang van eerste luitenant. In Venlo leerde hij de arts J.P.H. van de Loo kennen, de bekende maar enigszins omstreden promotor van het gipsverband van Mathijsen. In 1872 trad hij in het huwelijk met Van de Loo's nicht Cato.Evers/Schmitz (2016), pp. 53-57.
thumb|Franse krijgsgevangenen in een tentenkamp bij Wesel (V. Stoltenberg Lerche, 1870). Van Kleef werkte in een vlakbij gelegen barakkenkamp Toen de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) uitbrak, vroeg Van Kleef buitenlands verlof aan bij de MGD en het toenmalige Ministerie van Oorlog, om als vrijwilliger medische hulp te verlenen aan militaire slachtoffers. In 1863 was in Genève het Internationale Roode Kruis opgericht, dat in 1867 een Nederlandse afdeling kreeg onder voorzitterschap van koning Willem III. Na het uitbreken van de oorlog op 19 juli 1870, stuurde het Nederlandsche Roode Kruis al in augustus de eerste veldhospitalen naar België, Luxemburg en Frankrijk. Incidenteel zond men ook individuele artsen en officieren van gezondheid naar kampen met Franse krijgsgevangenen in Duitsland, waar de Duitse militaire medische staf het werk niet aankon. Van Kleef werd uitgezonden naar Wesel, niet ver van Venlo, waar op dat moment dertigduizend Franse krijgsgevangenen verbleven. Van 2 december 1870 tot 6 januari 1871 werkte de dan 24-jarige Van Kleef met twee studiegenoten in de merendeels buiten de stad gelegen kamplazaretten. Hij deed in Wesel waardevolle ervaring op met betrekking tot besmettelijke ziekten en de chirurgie.Evers/Schmitz (2016), pp. 59-71. Een verzoek om langer te mogen blijven, werd tot teleurstelling van de Duitse staf afgewezen.
Artsexamen in Amsterdam en burgerarts in Venlo
Op 14 juni 1873 werd Van Kleef van Venlo overgeplaatst naar het garnizoenshospitaal in Amsterdam, gevestigd in de Oranje-Nassau Kazerne. Met zijn vrouw huurde hij een etagewoning in het nog schaars bebouwde Amsterdam-Zuid, op de hoek van de Hobbemastraat en de P.C. Hooftstraat. Anderhalf jaar later zou hier hun dochter Bertha worden geboren. In hetzelfde jaar 1873 behaalde hij aan het Athenaeum Illustre het burgerlijk artsexamen, nadat hij bij prof. Leopold Lehmann (1817-1880) de hem ontbrekende praktische kennis van vrouwenziekten en verloskunde had aangevuld. Toen in 1876 zijn tienjarig dienstverband met de krijgsmacht afliep, vroeg en verkreeg hij per 1 juli van dat jaar eervol ontslag. Zijn schriftelijk ingediende, weloverwogen motivering voor het verlaten van de MGD haalde de landelijke en regionale pers, en zou later mede leiden tot een reorganisatie van de dienst.Evers/Schmitz (2016), pp. 71-77.
Van Kleef vestigde zich als burgerlijk arts met vrouw en dochter opnieuw in Venlo, aan de Lomstraat, waar hij aan de slag ging als huisarts. Al na enkele maanden voerde hij in het plaatselijke Sint Joseph Gasthuis een drietal ovariotomieën uit, het verwijderen van een cyste aan de eierstok. Een van de drie patiënten zou de behandeling niet overleven.Deze operatie betekende een opening van de buikholte, een procedure die toen nog weinig werd toegepast vanwege de problemen met anesthesie, infectiegevaar en een dodelijk shock. In 1877 publiceerde hij een artikel over deze risicovolle ingreep. In 1880 promoveerde hij aan de universiteit van Heidelberg met een proefschrift over intercostale zenuwrek.Evers/Schmitz (2016), pp. 78-81.
Specialist en geneesheer-directeur in Maastricht In november 1881 werd Van Kleef benoemd als geneesheer-chirurg bij het Gesticht Calvariënberg te Maastricht. Hij was de eerste medische specialist die bij een Limburgs ziekenhuis zou worden aangesteld. Hij reorganiseerde het ziekenhuis en de plaatselijke geneeskundige armenzorg door onder meer de oprichting van een polikliniek voor minvermogenden. Als chirurg slaagde hij erin diverse vernieuwingen in de zieken- en gezondheidszorg door te zetten, waarbij hij weerstand niet uit de weg ging. Van Kleef hield zich steeds op de hoogte van de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals antisepsis, asepsis, narcose en röntgenologie. (2016): 'Lambertus Theodorus van Kleef (1846-1928), een geneeskundig pionier in Maastricht'. In: Evers e.a. (2016), pp. 25-39.
thumb|left|Van Kleef met collega's (Timmers, Indemans en Van der Horn van den Bos) in het laboratorium, ca. 1895-96 In Maastricht verwierf hij zich een internationale reputatie met toen zeer gewaagde maag- en andere buikoperaties, gewaagd omdat hierbij de buikholte werd opengelegd. Tijdens zijn Maastrichtse jaren deden tientallen jonge medici ervaring bij hem op, om vervolgens bijna allemaal een glanzende carrière tegemoet te gaan. In 1888 kwam het door zijn bemoeienissen tot een beter georganiseerd Limburgs vaccinatieprogramma tegen pokken. Ook de epidemiologie en de openbare en preventieve gezondheidszorg hadden Van Kleefs belangstelling. Zijn voorzichtige verklaring voor de grote Maastrichtse cholera-epidemie van 1894 zou in later jaren door de wetenschap worden bevestigd. (2016): 'Dr. Lambert van Kleef als epidemioloog'. In: Evers e.a. (2016), pp. 105-126.
Lambert van Kleef was de drijvende kracht achter de uitbreiding van het bestaande hospitaal in Maastricht met het eerste paviljoenziekenhuis in Nederland. Dit in 1891 geopende 'derde ziekenhuis Calvariënberg' was een ontwerp van Jules Bilmeyer en Jozef van Riel uit Antwerpen. Het had meerdere operatiekamers, zes algemene paviljoens voor mannen en vrouwen en een separate klasse-afdeling, een relatief nieuwe ontwikkeling in het ziekenhuiswezen. (2016): 'Calvariënberg, ontstaansgeschiedenis van een paviljoenziekenhuis'. In: Evers e.a. (2016), pp. 129-156. Het ziekenhuis viel onder het bestuur van het Burgerlijk Armbestuur, terwijl de verpleging in handen was van de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus, beter bekend als 'zusters Onder de Bogen'. Toen Van Kleef in 1881 begon, waren er in Nederland nog weinig geschoolde verpleegsters en in Maastricht geen enkele. De religieuze pleegzusters waarmee Van Kleef moest werken, waren bovendien snel in hun zedelijk gevoel aangetast, zelfs al bij het aanschouwen van een naakte mannelijke peuter, of bij een gecompliceerde bevalling. Niettemin kreeg hij het voor elkaar dat deze Liefdezusters rond de eeuwwisseling een opleiding ziekenverpleging gingen volgen. In 1901 slaagden in Amsterdam de eerste elf voor het examen. Zij waren de eerste gediplomeerde religieuzen in Nederland. Een van hen was zuster Rosalie van Haaff (1860-1928), later overste van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam.Roebroeks (2016), pp. 30-32.
Zijn reputatie als heelkundige (chirurg) maakte Lambert van Kleef een goede kandidaat voor een professoraat. Een aanbod van de Rijksuniversiteit Groningen uit 1889 wees hij af. Een voordracht in Utrecht een jaar later ondervond tegenwerking, omdat hij katholiek was. Feit is echter, dat hij voor een academische loopbaan elders geen belangstelling had. Het beviel Van Kleef in Maastricht. Hij was er de hoogst betaalde gemeentelijke ambtenaar en werkte daarvoor extreem hard, maar in het ziekenhuis had hij de vrije hand. Van Kleef was lid van de Sociëteit Momus en omarmde het Maastrichtse gezelschapsleven.
Na een glansrijke carrière nam Van Kleef in 1904 op 58-jarige leeftijd ontslag als geneesheer – en sinds 1897 ook directeur – van het Burgerziekenhuis Calvariënberg. Hij werd opgevolgd door zijn voormalige assistent, Gerard Rombouts (1869-1946), die deze functie 33 jaar lang zou vervullen.Evers e.a. (2016), p. 221.
Maagoperaties