Ziekenhuis Calvariënberg, ook wel Burgerziekenhuis, Gasthuis of Gesticht Calvariënberg (Maastrichts: Klevarie), was van 1821 tot 1950 een algemeen ziekenhuis in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. Zowel van het 'tweede' (1821-1887) als 'derde Calvariënberg' (1887-1950) zijn delen bewaard gebleven, waarvan enkele gebouwen de status van rijksmonument bezitten. Daaronder bevinden zich gebouwen die tot het 17e-eeuwse Klooster Calvariënberg behoorden ('eerste Calvariënberg', 1628-1798).
Geschiedenis 1821-1881: stichting en beginperiode Het Ziekenhuis Calvariënberg werd in 1821 opgericht als Algemeen Burgerlijk Zieken- en Gebrekkigenhuis. Tot de 19e eeuw bekommerden vooral kloosterlingen zich om zieken, invaliden, ouden van dagen, vondelingen, wezen en andere hulpbehoevenden. Die instellingen werden enkele jaren na de komst van de Fransen (1794) opgeheven.Enkele instellingen die in Maastricht vóór 1794 als zodanig functioneerden waren: het Sint-Servaasgasthuis, het Sint-Jacobsgasthuis en het Sint-Gillishospitaal in Wyck. Daarnaast hielden o.a. de kapucijnen, cellebroeders en grauwzusters zich bezig met ziekenzorg. Het Twaalf Apostelenhofje en het Hofje Sint Maartenshuizen waren particuliere instellingen, die aan de opheffing ontsnapten, al zou het bestuur van de Twaalf Apostelen enige tijd aan de provisors worden onttrokken. Het nieuwe ziekenhuis kwam in de plaats van een door de gemeente ingericht "infirmenhuis" in het voormalige Cellebroedersklooster (1806-1819). Toen dit gebouw niet meer voldeed, vond het in 1815 opgerichte Burgerlijk ArmbestuurHet Burgerlijk Armbestuur (BA) was de opvolger van het Bureau van Weldadigheid (1802-1815) uit de Franse tijd. Het kapitaal waarover het BA kon beschikken was grotendeels afkomstig uit voormalig kerkelijk of adellijk bezit, de zogenaamde "ontdekte domeinen". Gales/Kreukels/Luijten/Roebroeks (1997), pp. 17-23, 27-28. een nieuw onderkomen in het leegstaande 17e-eeuwse Klooster Calvariënberg. Een deel van dit complex werd in 1820 voor 25.000 francs gekocht van de weduwe Rigano, wier overleden man hier een katoenfabriek was begonnen. De voormalige kloosterkapel en een kanunnikenwoning waren niet bij de koop inbegrepen en bleven in gebruik als fabriek voor straatlantaarns van de gebroeders Fraiture. Het kloostergedeelte werd in 1821 door de architecten Hermans en Soiron verbouwd tot 'Godshuis' voor 200 armlastige ouderen en gehandicapten ('gebrekkigen') en ten zuiden hiervan verrees een ziekenhuis met ruim 100 bedden. De twee delen waren met elkaar verbonden door een provisorische gestichtskapel.Ubachs/Evers (2005), pp. 111-112: 'Calvariënberg, ziekenhuis'.
thumb|left|260px|Gasthuis Calvariënberg (Ph. van Gulpen, 1849). In het midden de gasthuiskapel. Rechts daarvan de heringerichte kloostervleugels uit 1671. Links de nieuwbouw uit 1821 Het Algemeen Burgerlijk Zieken- en Gebrekkigenhuis Calvariënberg was aanvankelijk een instelling van armenzorg.Ziekenhuizen waren in deze tijd voornamelijk bedoeld als opvang voor behoeftige zieken en meer gericht op verzorging dan op genezing. Wie het kon betalen, liet zich thuis verplegen. De investeringen en de exploitatielasten werden gefinancierd uit de opbrengsten van de armenfondsen (zie noot 2). Koning Willem I spendeerde een gift voor de inrichting van het ziekenhuis. In 1822 arriveerden de eerste patiënten en bewoners. De eerste heelmeester was Joannes Franciscus Josephus Bosch (1794-1874), die tevens verbonden was aan de plaatselijke school voor genees- en verloskunde. (2011): 'Het Burgerlijk Zieken- en Gebrekkigenhuis Calvariënberg (1822 -1891)'. In: Eggen e.a. (2011), p. 121. Het ziekenhuis was in principe 'algemeen', maar na 1840 werd het neutrale karakter enigszins gecompromitteerd door de komst van de Liefdezusters van de Heilige Carolus Borromeus ('Zusters Onder de Bogen'), die hier vanaf 1837 als verpleegsters en ziekenverzorgsters aan de slag gingen.De aanwezigheid van de Zusters Onder de Bogen leverde aanvankelijk strubbelingen op in Calvariënberg. In 1843 kregen de eerste vijf zusters een vaste aanstelling. (2011): 'Vader en zoon Bosch'. In: Eggen e.a. (2011), pp. 130-141.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 34-36.
In 1845 kon de voormalige kloosterkapel met twee belendende huizen worden aangekocht. De huizen kregen de bestemming krankzinnigenzorg, iets waarvoor tot op dat moment geen gemeentelijke voorziening bestond.De Maastrichtse krankzinnigen waren vanaf 1799 ondergebracht in het Grauwzustersklooster dat beheerd werd door de particulieren Didden (sr. en jr.) en Brand, die niet anders deden dan de patiënten opsluiten en in leven houden. De Utrechtse hoogleraar J.L.C. Schroeder van der Kolk bracht in 1825 een vernietigend oordeel uit over dit onderkomen als een van de slechtste van het land, waar patiënten geboeid in hun hokken lagen en nog geen stoel tot hun beschikking hadden. (2011): 'Faliezusters, grauwzusters en het particulier initiatief in de krankzinnigenzorg' en 'Krankzinnigenzorg in de negentiende eeuw tot 1850', in: Eggen e.a. (2011), pp. 80-81, 130. Het kanunnikenhuis werd verbouwd en uitgebreid en langs de kant van de Calvariestraat kwam een hoge muur. Van de Calvariekapel (een dubbelkapel) werd de bovenverdieping ingericht als gasthuiskapel, ter vervanging van de gestichtskapel uit 1821. De benedenverdieping werd de woning van de directeur. In 1858 verwierf het Burgerlijk Armbestuur een pand in de Abtstraat (nr. 4?), dat toen als woning voor de directeur ging dienen. De benedenverdieping van de kapel werd daarna ingericht als werkplaats voor de krankzinnigen.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 37-40.
In 1856 werd de oude kloostervleugel langs de Abtstraat gesloopt en vervangen door een nieuw administratiegebouw ontworpen door de architect Carl Weber. Ook het Burgerlijk Armbestuur kreeg hier onderdak, waarna het resterende deel van het Sint-Servaasgasthuis, waar deze instelling tot dan toe was gevestigd, aan de slopershamer werd prijsgegeven.Luijten/Roebroeks (1988), p. 40.
1881-1904: periode Van Kleef
In 1881 werd Lambert van Kleef benoemd als geneesheer-chirurg. Hij reorganiseerde het ziekenhuis en de plaatselijke geneeskundige armenzorg door onder meer de oprichting van een polikliniek voor minvermogenden. Als chirurg slaagde hij erin diverse vernieuwingen in de gezondheidszorg door te zetten, waarbij hij weerstand niet uit de weg ging. Van Kleef hield zich steeds op de hoogte van de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen, zoals antisepsis, asepsis, narcose en röntgenologie. (2016): 'Lambertus Theodorus van Kleef (1846-1928), een geneeskundig pionier in Maastricht'. In: Evers e.a. (2016), pp. 25-39.
In Maastricht verwierf hij een internationale reputatie met toen zeer gewaagde maag- en andere buikoperaties. In deze periode deden tientallen jonge medici ervaring bij hem op, om vervolgens bijna allemaal een glanzende carrière tegemoet te gaan. Ook de epidemiologie en de openbare en preventieve gezondheidszorg hadden Van Kleefs belangstelling. Zijn voorzichtige verklaring voor de grote Maastrichtse cholera-epidemie van 1894 zou in later jaren door de wetenschap worden bevestigd. (2016): 'Dr. Lambert van Kleef als epidemioloog'. In: Evers e.a. (2016), pp. 105-126.
Toen Van Kleef in 1881 begon, waren er nog geen geschoolde verpleegsters in Calvariënberg. De Zusters Onder de Bogen waren bovendien snel in hun zedelijk gevoel aangetast, zelfs bij het aanschouwen van een naakte peuter of bij een gecompliceerde bevalling. Niettemin kreeg hij het voor elkaar dat enkele zusters rond de eeuwwisseling een opleiding ziekenverpleging gingen volgen.Roebroeks (2016), pp. 30-32.Rogier (1958), passim. Lambert van Kleef was de drijvende kracht achter de uitbreiding van het bestaande hospitaal met het eerste paviljoenziekenhuis in Nederland. Dit in 1891 geopende 'derde Calvariënberg' was een ontwerp van Jules Bilmeyer en Jozef van Riel uit Antwerpen. Het had meerdere operatiekamers, zes algemene paviljoens (drie elk voor mannen en vrouwen) en een separate klasse-afdeling, een relatief nieuwe ontwikkeling in het ziekenhuiswezen. (2016): 'Calvariënberg, ontstaansgeschiedenis van een paviljoensziekenhuis'. In: Evers e.a. (2016), pp. 129-156.
Vanaf 1902 werd ook het krankzinnigengesticht vernieuwd. De verrotte verdiepingsvloer in de Calvariekapel werd verwijderd, zodat deze in zijn geheel als bedehuis kon dienen. De kapel werd in oostelijke richting uitgebreid, dwars door de kloostervleugel heen, waardoor een nieuwe ingang ontstond aan de binnenplaats van het gesticht. Het priesterkoor werd bij die gelegenheid naar de westzijde verplaatst. De ziekenhuiskapel werd in de jaren daarna voorzien van wandschilderingen, gebrandschilderde ramen, nieuw kerkmeubilair en een nieuw orgel. De kapel had de beschikking over een eigen rector.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 41-48.
1904-1934: periode Rombouts en Hintzen Van Kleef nam in 1904 ontslag als geneesheer-directeur van Calvariënberg. Hij werd opgevolgd door zijn voormalige assistent, Gérard Rombouts (1869-1946). Onder zijn leiding werd in 1913 een nieuw röntgenlaboratorium ingericht.'Geschiedenis van de ziekenhuiszorg in Maastricht' op website medischegeschiedenis.mumc.nl. De bouw van nieuwe slaapzalen voor de geesteszieken was in 1907 voltooid, maar daarmee was een nieuw probleem gecreëerd, omdat de maximale capaciteit was teruggebracht van 75 naar 56. (2011): 'Het krankzinnigengesticht Calvariënberg, 1847-1952'. In: Eggen e.a. (2011), p. 150. In 1917 had het krankzinnigengesticht te maken met een overbevolking van 56 patiënten. Het zou toen eigenlijk gesloten moeten worden, maar door de Eerste Wereldoorlog werd dat besluit op de lange baan geschoven.Luijten/Roebroeks (1988), pp. 49-50.
In 1919 werd Antonius Hintzen (1883-1934) geneesheer-directeur. Hintzen was in dezelfde functie werkzaam geweest in het Heerlense Sint-Josephziekenhuis (later De Wever-Ziekenhuis). In Maastricht wist hij de administratie van het ziekenhuis los te maken van het Burgerlijk Armbestuur.Ubachs/Evers (2005), p. 228: 'Hintzen, A.H.J.'. Onder zijn bestuur werden diverse verbeteringen doorgevoerd, zoals de aanleg van centrale verwarming en koud en warm stromend water, de verbouwing van de voormalige gestichtsboerderij tot zusterhuis voor de Zusters Onder de Bogen, de samenvoeging van het chemisch, pathologisch en bacteriologisch laboratorium, de bouw van twee noodbarakken in de tuin, de bouw van het 'epidemisch ziekenhuis' en de vernieuwing van de kinderafdeling. Voor dat laatste zette de kindergeneeskundige Hendrik Koenen (1891-1963) zich in, die vanaf 1922 aan het ziekenhuis verbonden was. Koenen speelde ook een belangrijke rol bij het terugdringen van de zuigelingen- en kindersterfte in Maastricht en de regio, door het geven van voorlichting over het belang van hygiëne en goede voeding, in het bijzonder over de voordelen van moedermelk.
1935-1949: periode Mendes de Leon Hintzen, die na een galblaasoperatie overleed in Calvariënberg, werd opgevolgd door Charles Mendes de Leon (1893-1962). Deze was in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis assistent geweest van de vermaarde hoogleraar interne geneeskunde Isidore Snapper. Hoewel rooms-katholiek gedoopt, werd hij als afstammeling van joodse grootouders in februari 1941 ontslagen. In november van dat jaar werd zijn Ariërverklaring alsnog geaccepteerd en mocht hij in zijn ambt terugkeren, maar zijn positie bleef precair tijdens de Duitse bezetting. In 1942 was hij enkele maanden gegijzeld.Ubachs/Evers (2005), pp. 348-349: 'Mendes de Leon, Charles'. Enkele joodse vrouwen wisten de oorlog te overleven doordat Mendes de Leon hun op de afdeling interne geneeskunde onderdak bood.