thumb|Morenkop in de vlag van Corsica De Moor werd als wapenafbeelding al vroeg in de heraldiek gebruikt. De Moor staat als een gewoon wapenfiguur op veel wapenschilden en wordt veel gebruikt bij de schilddekking en het helmteken. Voorbeelden hiervan zijn het wapen van paus Benedictus XVI, het wapen van het prinsbisdom Freising en het wapen van het Duits adellijk geslacht Pappenheim.

Kenmerken Er wordt een menselijk figuur of delen hiervan getoond, bijvoorbeeld in het helmteken als een figuur of alleen als een romp. In het bijzonder wordt het hoofd afgebeeld. Zowel mannelijke als vrouwelijke personen worden opgenomen als wapen. Zij hebben blonde, goudkleurige haren of zwarte korte krullen. Ze kunnen voorzien zijn van een kroon of een witte hoofdband en oorringen. Een moor wordt afgebeeld in de heraldische kleur sabel (zwart) of in natuurlijke kleur.

Moren op het wapen van Kirchberg en Fugger voorzien van een kroon (14de eeuw) Het oude wapenschild uit de Zwaabse lijn van de graaf van Kirchberg laat reeds een gekroonde vrouwelijke figuur (maagd) zien met in haar hand drie bloeiende bloemen (roos, lelie of distel). Dit stond destijds voor de heilige drie-eenheid, waardoor het een verwijzing naar Maria lijkt te zijn. Op de zegel van graaf Coenraad van Kirchberg, die voorkomt op een oorkonde uit 1313 van de Abdij van Wiblingen, staat de gekroonde maagd afgebeeld met een kogel in haar rechterhand. In 1355 staat ze op de wapenrol van Zurich voor het eerst in kleur afgebeeld als Moor.

Op het wapen van Kirchberg krijgt de vrouwelijke Moor vanaf de 15de eeuw in plaats van een zwarte hoed een bisschopsmuts, eerst in plaats van de kroon op het hoofd, later in de hand. Dit is waarschijnlijk gedaan in opdracht van Eberhard van Kirchberg, nadat hij in 1407 tot bisschop van Augsburg werd benoemd.

In 1488 kende keizer Frederik III Illertissen een wapen toe, dat gebaseerd werd op het wapen van de toenmalige heer de graaf van Kirchberg. Het toonde een in het zwart geklede vrouwelijke Moor met een zwarte bisschopsmuts op haar hoofd, in haar rechterhand een groene tak met drie bladeren, hier waarschijnlijk met drie distels. De graven van Kirchberg stierven uit in 1520, kort daarop ontving Illertissen het wapen van de nieuwe heren van het landhuis.

Nadat de familie Fugger in 1507 het graafschap Kirchberg en de heerschappij van Weißenhorn, Wullenstetten, Pfaffenhausen en overblijfselen van het voormalige graafschap Märstetten hadden verworven, toont het wapen van de graven Fugger van Kirchberg en Weißenhorn ook de vrouwelijke Moor van Kirchberg met een mijter.

Een vrouw met een mijter staat ook op de wapens van Oberkirchberg vanaf minstens 1555 (maar dan nog niet als een vrouwelijke Moor), Unterkirchberg, de gemeente Illerkirchberg die ontstaan is uit deze plaatsen en het bestuursdistrict Neu-Ulm.

Andere wapens van Frederik III met vrouwelijke Moren Naast het wapen van Illertissen (1488) heeft keizer Frederik III ook andere wapens met vrouwelijke Moren toegekend.

Innsbruck, Wenen, Regensburg (15de eeuw) Al op 17 december 1442 had Frederik aan Sigmund Rukenhauser uit Innsbruck een wapenschild verleend waarop "ain swarcze Morin bisz an die prust mit ainem gelben geflochten zopphen" stond afgebeeld. Op 5 juli 1471 stelde hij een wapenbrief op voor Georg Swab von Burgbernheim uit Regensburg. Zowel op het schild als op de helm staat een borstbeeld van een vrouwelijke moor. Op 28 februari 1472 gaf hij een wapenschild aan Claus Newffer waarop een vrouwelijke Moor te zien was. (Omschrijving: "ain barhawbte morin, becleidt in weyss habende in ir yeder hand auch ein aufrecht gelb salczschewfl und umb ir hawbt ein gepundn fliegen pinden, blab und weysz".) Op 10 maart van hetzelfde jaar ontvingen Sebald Schreyer en zijn vader Hanns Schreyer een wapenschild met een vrouwelijke Moor. (Omschrijving: "morin on fusz und on arm, in swarcz becleidet vorn mit dreyen gelben gesperren gelben gurtl gollir harpannt einem swarczn geflochten zopfen und gelben ringlein in den oren".) In 1487 ontvingen ook Hans en Lorenx Mordeisen een wapen met een Moor erop.

De mannelijke Moor c.q. vrouwelijke Moor van Tuttlingen-Möhringen (15de eeuw) thumb|links|rechtop|Wapen van Tuttlingen-Möhringen thumb|Voormalig wapen van Seitingen Het wapen dat door keizer Frederik III in 1470 is verleend aan de voormalige stad Möhringen aan de Donau is tegenwoordig nog steeds van belang. Vanaf 1973 maakt Möhringen deel uit van de stad Tuttlingen. Men beweert dat de Möhringen in de 19de eeuw hier een vrouwelijke Moor van hebben gemaakt die in de volksmond, afgeleid van de plaatsnaam, "Möhrin" wordt genoemd. Maar met het oog op Frederik III, zou het al vanaf het begin een vrouwelijk Moor kunnen zijn geweest. In brons gegoten siert ze levensgroot de fontein in het centrum van de stad.

Hiermee verbonden is waarschijnlijk ook het tot 1977 gebruikte wapen van de buurgemeente Seitingen.

De Moor op het wapen van Wolffskeel en Grumbach (14de eeuw) De Moor van Wolffskeel Het wapen van de adellijke familie Wolffskeel toont een naar links stappende Moor met drie rode rozen. Voor het eerst is dit wapen te zien bij prins-bisschop Wolfram Wolfskeel von Grumbach (1322-1333). Traditiegetrouw gaat het hier om de heilige Mauritius.

De grafstenen van bisschop Wolfram en zijn neef Otto II von Wolffskeel(† 1345), die hem in 1333 als bisschop van Würzburg opvolgde, zijn nu nog te bezichtigen in de Dom van Würzburg. Op zijn wapen staan twee Moren, waarvan een naar links en een naar rechts stapt.

Er zijn nog twee grafstenen te bezichtigen in het Museum voor Franken in Würzburg: Eberhard von Wolfskeel († 1379) Friedrich von Wolfskeel († 1408)

De Moor van Grumbach De familie Grumbach zijn van dezelfde oorsprong als de Wolffkeels en gebruikten in het begin ook hetzelfde wapen.

Daarom staat de Moor ook in het wapen van Grumbach en dus ook op het ceremonieel zwaard en op munten van de prins-bisschop van Würzburg, Johann III van Grumbach (bisschop van 1455 tot 1466). Toen de Wolffskeel een wijziging van het wapen eisten, om zich te kunnen onderscheiden van de door hen verfoeide Grumbachs, legde de Rooms-Duitse Keizer Maximiliaan I in 1492 vast dat de Moor van Grumbach naar links en de Moor van Wolffskeels naar rechts stappen moest.

Het wapen met de Moor staat ook op de meestal door Tilman Riemenschneider gemaakte grafmonumenten van de volgende adellijke Grumbacher: Eberhard von Grumbach († 1487) Konrad von Grumbach († 1526) Hans von Grumbach-Estenfeld († 1529) Wilhelm von Grumbach (1503–1567)

Daarom staat ook op enkele andere gemeentewapens Van gemeenten die vroeger in bezit waren van de Wolffskeels of de Grumbacher ook een Moor afgebeeld.

Hiervan afgeleid is bijvoorbeeld ook de Moor van Uettingen en de Moor van Unterpleichfeld.

Tot 1974 stond de Moor van Wolffskeel ook op het wapen van het bestuursdistrict Würzburg.

De gekroonde moor van Freising (13de eeuw) De Moor van Freising Ook het bisdom Freising en het district Freising hebben een Moor in het wapen. De gekroonde Afrikaan ("caput aethiopis") verscheen voor het eerst in 1284 op het wapen van bisschop Emicho Wildgraf von Wittelsbach (1283–1311). De titel Wildgraf von Wittelsbach laat niet zien dat hij aan vaderskant afstamt van de Kyrburger en via zijn grootmoeder afstamt van de Kirchbergers. Zijn oom Coenraad was al bisschop van Feising († 1278) zodat een link met het wapen van Kirchberg voor de hand ligt.

Volgens de legende werd echter al eerder de Moor opgenomen op het wapen van vorige bisschoppen. In het bijzonder bisschop Otto van Freising (1112-1158) die in het kader van zijn deelname aan de Tweede Kruistocht de Moor op het wapen kreeg verleend. Otto was de zoon van de heilige Babenberger Leopold III, markgraaf van Oostenrijk en Agnes van Waiblingen, dochter van keizer Hendrik IV en dus de kleinzoon van keizer Hendrik IV en oom van keizer Frederik Barbarossa. Zijn eerste opleiding kreeg hij in Klosterneuburg, dat zijn vader in 1114 opgericht had. In 1126 werd hij benoemd tot proost van dit klooster, waardoor een link met het altaar van Verdun met de Koningin van Seba voor de hand ligt. Aan het einde van de 15de eeuw plaatste men hem op een Klosterneuburgse muurschildering vanzelfsprekend bij een Moor. In 1586 wees de schilder Stephan Andreas Mayr hem een wapen toe met twee Moren. Ook dit schilderij is te vinden in Klosterneuburg.

Volgende de wijdverspreide opvatting is de Moor echter ontstaan door een verkeerde interpretatie van een beeltenis, die eigenlijk alleen een gekroond hoofd moest voorstellen, waarmee de bisschop Emicho de omvang van zijn bestuursgebied wilde laten zien. Het is denkbaar dat het eigenlijk om een portret gaat van Rudolf von Habsburg of van Emicho zelf. Een andere verklaring is de mogelijkheid dat het verwijst naar een verhaal in de handelingen van de apostels, waar een Ethiopische kameraar (financieel beheerder) door de apostel Filippus gedoopt wordt. (Apg. 8,26)

De figuur werd in 1316 dan duidelijk als een 'Moor' in een gekleurde uitgave op het dekblad van huis- en notitieboek van bisschop Coenraad III (1314-1322) afgebeeld. In 1340 staat deze dan op de wapenrol van Zürich reeds bij het bisschopswapen vermeld. Tot aan de opheffing van het bisdom Freising in 1803 stond de Moor steeds op het wapen van de bisschoppen van Freising. Vanaf 1846 mocht het nieuwe aartsbisdom München en Freising weer de Moor op het wapen dragen.

Ook in de Cosmograhia Universalis van Sebastian Münsters, waarin een afbeelding van de stad Freising staat, is een wapen opgenomen met daarin op het schild twee Moren, die echter wel twee verschillende gezichten hebben.

Wapens van gemeente en districten die afhankelijk waren van Freising Talrijke steden en dorpen, die vroeger onderdeel uitmaakten van het bisdom Freising, hebben een wapen met "De Moor van Freising".

Het wapen van Mittenwald is bijzonder omdat het in de allervroegste vorm een portret met vooraanzicht van een hoofd van een Moor laat zien. Het wapenrecht werd in 1407 door bisschop van Freising Berthold von Wehingen verleend.

Aanvullend in Neder-Oostenrijk: Hollenburg (gemeente Krems) Ulmerfeld

Steiermark: Oberwölz Sankt Peter am Kammersberg

Slovenië: Dovje Klevevz Severna Istra Škofja Loka

Bisschoppelijke wapens die afhankelijk waren van Freising Veel bisschoppen van Freising hebben de Moor overgenomen in hun eigen wapen, bijvoorbeeld: Bisschop Konrad III der Sendlinger (1314–1322) Bisschop Nikodemus della Scala (1421-1443) Bisschop Johann IV Tulbeck (1453-1473) Bisschop Philipp von der Pfalz (1498–1541) nog niet geïdentificeerde prins-bisschop Prins-bisschop Albert Sigismund van Beieren (1652–1668) Prins-bisschop Johann Franz Eckher von Kapfing und Liechteneck (1694/1695–1727) Prins-bisschop kardinaal Johan Theodoor van Beieren (1727–1763) Prins-bisschop Clemens Wenzeslaus van Saksen (1763–1768) Prins-bisschop Maximilian Prokop von Toerring-Jettenbach (1788–1789) Kardinaal Franziskus von Bettinger (1909–1917) Kardinaal Michael von Faulhaber (1917–1952) Kardinaal Joseph Wendel (1952–1960) Kardinaal Julius Döpfner (1961–1976) Kardinaal Joseph Ratzinger (1977–1982). Hij gebruikte de Moor ook op zijn wapen toen hij curiekardinaal was en uiteindelijk ook op zijn wapen als paus Benedictus XVI. Curiekardinaal Georg Gänswein (2012-dato) (als naaste medewerker van paus Benedictus XVI)

De moor/leeuw van Abfaltersbach thumb|Wapen van Abfaltersbach De moor/leeuw in het wapen van Abfaltersbach (Tirol) De moor/leeuw is een fictief tweeledig wapenfiguur, waarbij het bovenlichaam uit een Moor bestaat en het onderlichaam van een leeuw is. De Moor is afkomstig van het wapen van Freising

De gekroonde moor van Lauingen (15de eeuw) thumb|links|Wapen van de stad Lauingen