Joseph Herreboudt (Brugge, 13 november 1841 – Brusselse agglomeratie, voor 1923) was een Belgisch advocaat en gemeenteraadslid in Brugge. Hij was een vroege promotor van de monumentenzorg en de bouw van Brugge Zeehaven. Nadien werd hij een organisator van de emigratie naar Canada.

Levensloop Joseph Vincent Marie Jean Herreboudt was een zoon van Adolphe Herreboudt en Adelaïde Englebert.

Zijn voorouders Herreboudt behoorden vanaf de achttiende eeuw tot het Brugse bakkersambacht. Karel Herreboudt (1706-1779), getrouwd met Anna Michiels, was deken van de 'eed' van de bakkers in 1751 en 1762, bestuurslid in 1752, 1754 en 1756. Minstens twee zoons, Jean-François en Jacques-Ignace, werden bakker.

Bakker Jean-François Herreboudt (1736-1794), was de voorvader van de dynastie van krantenuitgevers Herreboudt.

Bakker Jacques-Ignace Herreboudt (1741-1796), getrouwd met Marie-Catherine Co(u)deré of Codery had verschillende zoons en dochters die, zoals hij, het bakkersberoep kozen. Een paar onder hen zocht het in andere activiteiten, zoals Frans-Jozef, die 'fabrikant' werd en Jan-Robert Herreboudt (Brugge, 24 april 1787 – 31 mei 1869), die zoutzieder werd. Deze was met zijn groot gezin gevestigd langs de Potterierei en was de vader van Adolphe Herreboudt (Brugge, 18 januari 1813 – 25 januari 1885), die in opvolging van zijn vader zoutzieder was en trouwde met Adèle Englebert (1821-1912). Het werd een gezin met twaalf kinderen, onder wie zes de geestelijke staat verkozen.

Van de lange rij broers en zussen was Joseph-Vincent Herreboudt de oudste. Hij liep middelbare school in het Sint-Lodewijkscollege en voltooide er de retorica 1859-1860. Onder zijn tien klasgenoten bevonden zich Adolf Duclos (Brugge, 1841-1925), de latere historicus en kanunnik, Charles de Madrid (Brugge, 1841 – Beernem, 1886) die provincieraadslid werd en burgemeester van Beernem, Gustaf Delescluze (Brugge, 1842 – Kortrijk, 1918), later priester, musicus en kunstcriticus, Victor de Thibault de Boesinghe (Brugge, 1842-1901), die vrijgezel bleef in Zwevezele, en Charles de Brouwer (Oostende, 1842 – Gent, 1919) die in Gent advocaat werd en vervolgens textielindustrieel en afgevaardigde bestuurder van La linière gantoise. Hun retoricaleraar was de bekende taalkundige, priester Leonard De Bo (Beveren, 1826 – Poperinge, 1885).

Herreboudt behaalde in 1865 zijn doctoraat in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf het jaar 1866 was hij ingeschreven eerst als stagiair, vervolgens als advocaat in Brugge en zou dit blijven tot begin 1880. Hij woonde in de Hoogstraat A12-13 (later nr. 7) en had vanaf 1874 een tweede verblijf in Sint-Andries, dat stilaan zijn feitelijke hoofdverblijfplaats werd. Vanaf 1878 hield hij kantoor in de Braambergstraat, zonder echter zijn officiële woonplaats te wijzigen.

In 1870 trouwde Joseph Herreboudt met Elisabeth (of Elza) De Laet (Antwerpen, 21 juli 1841 – Brussel, 2 april 1909). Zij was de dochter van de Antwerpse volksvertegenwoordiger voor de Meetingpartij Jan De Laet (1815-1891), dichter, zakenman en politicus die een groot aandeel had in het tot stand komen van de eerste taalwetten. Het echtpaar Herreboudt – De Laet had zeven kinderen: (Joseph)-Leon (° Brugge, 10 februari 1871) – Jean-Adelin (Brugge, 10 mei 1872 – Brussel, 1925) – de drieling Elza, Marie en Claire (° Brugge, 29 april 1873) – Adolphe (° Sint-Andries, 12 mei 1874) – Bertha (° Sint-Andries, 17 juni 1875).

Nog maar pas ingeschreven als stagiair bij de balie van Brugge, liet Herreboudt van zich horen. Hij publiceerde een pamflet onder de titel Le domicile est inviolable (Article 10 de la Constitution). Aux membres des parquets de Bruges et de Courtrai. Hierin trok hij van leer tegen de parketten die waren opgetreden in een politieke zaak die betrekking had op gebeurtenissen in de gemeente Sint-Denijs en waarin ze bij de katholieke opinie de indruk hadden gewekt partijdig te werk te zijn gegaan. Het ging over een hevig dispuut betreffende de gemeentelijke begraafplaats.

Herreboudt werd een rasspreker, die meetings hield over politieke thema's zowel in Brugge als in andere steden, in het kielzog van zijn schoonvader. Hij gaf ook voordrachten over andere onderwerpen, zoals de arbeidersstakingen of over koning Willem I der Nederlanden. In 1877 gaf hij in vele steden een voordracht over de ontwikkeling van Afrika, waarbij hij het verhaal deed van de verschillende ontdekkingsreizigers die zich op dit continent hadden gewaagd, tot en met David Livingstone en Henry Morton Stanley, en tevens van leer trok tegen de slavenhandel. Hij vertrouwde er op dat de bemoeiingen van koning Leopold II hieraan een einde zouden stellen.

In 1871 was het aan Herreboudt om aan de balie de openingsrede te houden. Hij deed onder een eerder onschuldige titel De la liberté testamentaire een felle uitval tegen wetsvoorstellen die vanuit liberale hoek werden ingediend, teneinde het schenken aan religieuze instellingen onmogelijk te maken. Hij betoogde dat het inderdaad wel niet paste dat men in testamenten de wettige erfgenamen zou onterven, maar dat het ook moest mogelijk zijn dat welmenende en welvarende burgers een gedeelte van hun bezit konden overmaken ter ondersteuning van liefdadige instellingen. Het is duidelijk dat Herreboudt zich met zijn stellingnamen tot het katholieke kamp bekende en er op sympathie mocht rekenen.

Hij verklaarde zich tevens als Vlaamsgezind, door lid te worden van Vlaamsche Broederbond, de pressiegroep die de Franstalige katholieke kiesvereniging op de hielen zat.

In 1868 werd Herreboudt lid van de Vereniging van de Schamele Armen. Ook al was het een neutrale vereniging, alleen het feit dat het zich niet situeerde binnen de christelijke caritatieve verenigingen en dat burgemeester Jules Boyaval (1814-1879) er erevoorzitter en Adolphe Goupy de Beauvolers (1825-1894) voorzitter van was, gaf er toch een uitgesproken liberaal tintje aan. In januari 1872 behoorde Herreboudt, samen met katholiek gemeenteraadslid en advocaat Pieter Boutens (1831-1878), tot de stichters van het Willemsfonds. Toen het na enkele jaren duidelijk werd dat het Willemsfonds tot het liberale kamp behoorde, bleef Herreboudt in tegenstelling tot anderen toch lid. Hij gaf er zelfs in 1877 een voordracht over zijn plan voor een groot programma van openbare werken. Ook toen in 1878 het liberale Van Gheluwe's genootschap werd gesticht, was hij erbij en werd hij zelfs ondervoorzitter. Op 14 april 1878 hield hij een voordracht voor de Reizigerskring, een andere vereniging van liberale strekking, waarin hij zijn geloof in het Plan de Maere uiteenzette. Tegen die tijd, zoals we hierna zullen zien, was Herreboudt een stevige tegenstander geworden van het katholieke meerderheidsbestuur. Ook nog in de lente van 1878 was hij een van de leden van de informele vereniging die zich de naam gaf van Bestendig Bureau van de Meeting, waarin een aantal Brugse verenigingen van liberale en katholieke strekking zitting hadden en die de organisatie op zich nam van vergaderingen en meetings voor de bevordering van het havenplan van de Maere. Toen echter begin 1880 de Kring Brugge-Zeehaven formeel werd opgericht, was Herreboudt er niet meer bij.

Gemeenteraad Op 26 oktober 1869 werden tussentijdse verkiezingen gehouden voor de vervanging van vijf leden in de Brugse gemeenteraad. Herreboudt werd voor de eerste maal voorgedragen door de katholieke kiesvereniging. De partijbonzen waren echter niet voor zijn kandidatuur gewonnen en ageerden tegen hem, zodat hij niet werd verkozen.

Bij de tussentijdse gemeenteraadsverkiezing van 2 juli 1872, toen de katholieke partij het stilaan haalde op de liberale (13 zetels tegen 14), werd Herreboudt dan toch tot gemeenteraadslid verkozen. Hij had tijdens de kiescampagne sterke taal gesproken en onder meer het thema 'In Vlaanderen Vlaams' met veel overtuiging naar voor gebracht. Op 2 september 1872 legde hij met de andere verkozen leden, de grondwettelijke eed af.

De gemeenteraadsverkiezingen van 26 en 27 oktober 1875, betekenden de definitieve doorbraak van een katholieke meerderheid. De helft van de raad diende te worden vernieuwd en alle verkiesbare zetels, toegewezen volgens het meerderheidsprincipe van the winner takes all, werden door de katholieken ingepalmd. Herreboudt, die in de kiesmeetings Vlaams sprak, was de vijfde in de rij van gekozenen en behaalde zelfs een paar stemmen méér dan Amedée Visart de Bocarmé (1835-1924), die weldra burgemeester van Brugge zou zijn. Er bleven nog alleen enkele liberalen over die het weinig bemoedigend vooruitzicht hadden van een complete eliminatie bij de volgende gedeeltelijke vernieuwing. Dit gebeurde bij de volgende verkiezingen in oktober 1878, toen 14 katholieken werden gekozen en geen enkele liberaal.

Vanaf zijn intrede drukte Herreboudt zich, heel alleen, in het Nederlands uit. Hij liep hiermee voorop, want de meest standvastige promotor van het Nederlands in de Brugse stadsadministratie, dokter Eugène Van Steenkiste (1841-1914), was toen nog niet eens lid van de gemeenteraad en Herreboudt bleef nog heel eenzaam in zijn houding. Zijn tussenkomsten in het Nederlands waren: Zijn maidenspeech in de tweede zitting die hij bijwoonde, in verband met een taalkwestie. Over een losgebroken rund dat enige paniek in de Hauwerstraat had veroorzaakt. Over de noodzakelijke investeringen die moesten gebeuren ten bate van handel en nijverheid, meer bepaald in de Brugse haven. Over de spaarkassen in de scholen voor arme kinderen, die volgens hem in een bedroevende toestand verkeerden.

Het is zeer waarschijnlijk dat collega's, ook partijgenoten, aan Herreboudt lieten blijken dat ze zijn tussenkomsten in het Nederlands niet apprecieerden en er hem op wezen dat hij zijn eigen ruiten ingooide, doordat een aantal van de raadsleden en schepenen niet eens begreep wat hij zegde. Daarom begon hij zijn volgende tussenkomst met de woorden: Je m’exprimerai en français, non parce que je renonce à me servir de la langue flamande, mais je désire être bien compris par ceux auxquels je m’adresse.

Pas in 1879, tijdens een discussie met betrekking tot twee lagere scholen voor arme kinderen, sprak hij opnieuw Nederlands. Hij begon toen aldus: Ik zal Vlaams spreken in verband met dit belangrijk punt, want ik wens goed begrepen te worden door mijn medeburgers, opdat men niet zou kunnen zeggen dat ik tegenstander van die school ben. Dergelijke houding, duidelijk bedoeld voor het aanwezige publiek, werkte op de zenuwen van zijn collega's en deed aan schepen en advocaat Emile-Ernest Cauwe (1845-1908) de opmerking ontvallen: Richt u tot de gemeenteraad en niet tot het volk, we zijn hier niet in een meeting. Herreboudt zou nog driemaal dat jaar in het Nederlands het woord voeren, telkens over kwesties in verband met het gemeentelijk onderwijs.

Herreboudt had tegen die tijd enige versterking gekregen voor zijn taalopvattingen. Dokter Eugeen-Karel Van Steenkiste, architect Karel Verschelde (1842-1881) en advocaat Polydoor Demonie (1844-1887) hadden, na hun verkiezing in oktober 1878 op de katholieke lijst, in het Nederlands hun eed afgelegd. Het duurde echter nog enkele jaren vooraleer Van Steenkiste zich in het Nederlands uitdrukte tijdens de zittingen. Verschelde deed geen tussenkomsten en overleed weldra. Demonie kwam alleen in het Frans tussen.

Een discussiepunt waarop Herreboudt vaak terugkwam betrof het gebrek aan evenwicht tussen wat de stad spendeerde voor haveninfrastructuur en industrie (300.000 fr. in 20 jaar) en het miljoen dat was besteed aan de bouw van een schouwburg. In afgemeten bewoordingen drukte hij dezelfde kritiek uit die in de lokale bladen met heel wat grotere heftigheid werd uitgebazuind. Hij kwam later nog op het theater terug, het verlenen van toelagen bekritiserende en verzoekende om die als nutteloze en contraproductieve uitgaven af te schaffen.