Tibetaanse schilderkunst is schilderkunst uit het cultuurgebied Tibet, waartoe ook andere gebieden in het Himalaya-gebergte horen, zoals Bhutan, Ladakh, Sikkim en voor een deel Nepal.

Religieuze en culturele achtergrond thumb|275px| Thangka met afbeelding van de godheid Achala, eind elfde eeuw. Een voorbeeld van de Kadam-stijl Eind zevende, begin achtste eeuw wordt het boeddhisme in Tibet geïntroduceerd. Dat was aanzienlijk later dan in omringende landen en gebieden. Vanaf eind achtste eeuw kiezen de heersers van het toenmalige Tibetaanse rijk voor een boeddhisme gebaseerd op de Indiase madhyamakatraditie van het mahayana als de leidende religieuze en intellectuele beweging van het land. Die keus heeft enorme consequenties gehad voor de ontwikkeling van de Tibetaanse kunst in het algemeen en ook voor de schilderkunst. Vanaf eind achtste eeuw tot in de twintigste eeuw was Tibetaanse schilderkunst vrijwel geheel religieus van aard. Van Tibetaanse schilderkunst werd verwacht dat het een hulpmiddel zou zijn op de weg naar de verlichting. Er werd veel meer de nadruk gelegd op aspecten als devotie en veel minder op esthetische aspecten.

De late komst van het boeddhisme in Tibet heeft als consequentie gehad, dat in Tibet dit boeddhisme beïnvloed werd – veel meer dan in gebieden waar het al eerder aanwezig was – door de latere ontwikkelingen van het boeddhisme in India zelf. In India ontwikkelde de tantrische traditie binnen het boeddhisme zich pas na circa 400. Als gevolg van de late introductie, speelden in Tibet de tantrische elementen van meet af aan een grote rol. Veel schilderkunst werd gebruikt voor tantrische rituelen bij meditatietechnieken, waarbij bijvoorbeeld afbeeldingen van een Boeddha getransformeerd worden tot een reële Boeddha en /of waarbij de mediterende persoon visualiseert dat hij/zij een wordt met de afgebeelde godheid en de kracht van het afgebeelde naar die persoon vloeit.

Even na het midden van de negende eeuw stort het Tibetaanse rijk in en verdwijnt de dynastie. Een gevolg van de chaos volgend op de val van het rijk was het geheel verloren gaan van het kloosterleven en de monastieke traditie van het Tibetaans boeddhisme in Centraal-Tibet. De tweede verspreiding van het boeddhisme in Tibet vanuit India begint vanaf eind tiende/ begin elfde eeuw. Tegelijkertijd begint een herleving van het kloosterleven en de monastieke traditie en ook van de schilderkunst.

Die ontwikkeling krijgt voor het eerst gestalte in het voormalige koninkrijk Guge in het zuidwesten van het Tibetaans plateau met Tsaparang als hoofdstad. De koningen van Guge gaven kunstenaars met name opdracht tot het maken van muurschilderingen in door hen gefinancierde kloosters. De stijl die daaruit rond 1100 ontstaat wordt benoemd als de Guge/Ngari-stijl en heeft veel invloeden vanuit Kasjmir. Een tweede stijl die ongeveer in dezelfde periode ontstaat wordt benoemd als de Kadam-stijl. Die naam refereert aan de Indiase leraar Atisha, die in de elfde eeuw de grondvester wordt van de kadamtraditie binnen het Tibetaanse boeddhisme.

Vormen van Tibetaanse schilderkunst thumb|180px|De bodhisattva Vajrapani. Dit is een van de vroegste bewaard gebleven thangka´s. Een voorbeeld van de invloed van de pata schilderingen uit India. Eerste helft negende eeuw.De bodhisattva draagt Indiase juwelen en kleding en er zijn hindoeïstische motieven te zien in de lotusbloembladeren. De disproportioneel geschilderde handen en voeten, de ruwe schetsmatige opzet en het ontbreken van de latere iconometrie maken duidelijk dat dit een van de vroegst geschilderde thangka’s moet zijn. Tibetaanse schilderkunst bestaat voor het grootste deel uit drie vormen. De muurschildering, de thangka en de tsakli. Muurschilderingen zijn vooral aanwezig in kloosters alsmede in grotten die dienden als plaats voor vaak langdurige periodes van meditatie. Tot de oudste nog geconserveerde behoort het Tibetaanse deel van de muurschilderingen in de Mogao-grotten nabij Dunhuang die dateren uit de periode eind achtste/ eerste helft negende eeuw toen het zuidelijk deel van de zijderoute beheerst werd door het Tibetaanse rijk.

Het Tibetaanse woord thangka heeft de betekenis van geschreven verslag. De oudste thangka’s waren tot in de tiende eeuw sterk beïnvloed door de pata schilderingen uit India. Deze hindoeïstische schilderingen op textiel waren afbeeldingen van goden of van gebeurtenissen die in de heilige teksten van het Sanskriet beschreven werden. Al voor het begin van de jaartelling was er sprake van handel en migratie vanuit het noorden van India richting de Himalaya. Hindoeïstische en boeddhistische vormen van schilderkunst hebben elkaar via deze weg beïnvloed.

Thangka‘s zijn rolschilderingen gemaakt op meestal katoen of zijde. Er zijn ook thangka’s die gemaakt worden met een applicatietechniek of geborduurd worden. Indien geschilderd is dat niet met olieverf of acryl maar met een lijmverftechniek. De verf bestaat uit pigmenten met een bindmiddel van dierlijk vet. De compositie van een schildering op een thangka is vrijwel altijd geometrisch. Lichaamsdelen, armen, benen, ogen, etc. en rituele voorwerpen worden geschilderd op een systematisch raster van hoeken en elkaar kruisende lijnen. Thangka’s zijn oprolbaar en dus gemakkelijk te vervoeren voor bijvoorbeeld reizende monniken. Ook leken konden opdracht verlenen tot het laten maken van een thangka. Die werd vaak weer geschonken aan een klooster in de overtuiging dat een daad als deze verdiensten genereert die zouden kunnen leiden tot betere omstandigheden in dit dan wel een volgend leven. Gevonden begeleidende teksten maken duidelijk dat het laten maken ervan gericht was op deugdzaamheid in het eigen leven van de opdrachtgever, dat van zijn/haar familie of dat van bewuste wezens in het algemeen. Er zijn een beperkt aantal voorbeelden van thangka’s met seculiere onderwerpen, bijvoorbeeld op het gebied van onderricht over medische onderwerpen.

Tsakli‘s zijn miniatuurschilderingen die meestal gemaakt werden in sets van 8 tot 100 om een thema te verduidelijken. Dit soort schilderingen werd onder meer gebruikt voor instructie aan monniken en bij inwijdingsrituelen. De tsakli's werden dan gebruikt om boeddhistische godheden op te roepen. Als de tsakli's in de vorm van een mandala op de grond werden gelegd vormden zij een afgeschermde heilige ruimte

Invloeden Er kunnen globaal drie fasen in de ontwikkeling van de Tibetaanse schilderkunst worden onderscheiden. De eerste is de introductie van vooral invloeden uit India en Nepal. De tweede is het tot stand komen van een authentieke Tibetaanse schildersstijl in de eerste helft van de vijftiende eeuw. De derde fase is die van toenemende invloed van de Chinese schilderkunst vanaf eind zeventiende eeuw.

De Tibetaanse schilderkunst is tot in de veertiende eeuw vrijwel uitsluitend beïnvloed door contact met gebieden waar min of meer identieke geloofsopvattingen aanwezig waren. Dat waren eerst India en Nepal en daarna Kasjmir en de ook overwegend boeddhistische Tangut van de Westelijke Xia-dynastie. De belangrijkste invloed kwam vanuit Nepal van de etnische groep van de Newah uit de Kathmandu-vallei. thumb|250px|Muurschildering van Maitreya in de Grote stupa van Gyantse, rond 1430 Van een eerste – geringe – beïnvloeding van de Chinese schilderkunst van de Tibetaanse is sprake tijdens de periode van de Yuan-dynastie (1279-1368). De Nepalese kunstenaar Araniko wordt aan het hof van Koeblai Khan de belangrijkste autoriteit op het gebied van kunst. Zijn voornaamste verdienste ligt op het gebied van de architectuur. Hij heeft echter ook opdracht gegeven voor een aantal schilderijen waarin Tibetaans-boeddhistische motieven het thema zijn waar een zekere Chinese invloed in te vinden is. Die uit zich in het schilderen van gestileerde rotspartijen in het landschap en het schilderen van wolken als een decoratief element in de achtergrond. Een andere invloed was afkomstig van Chinese schilders die zich verbonden voelden met het Chinees boeddhisme. Tibetaanse schilders gingen een aantal in het Chinees boeddhisme populaire thema’s overnemen. De bekendste voorbeelden zijn de schilderingen van de Vier Hemelse Koningen en die van de Zestien Arhats. Ook dan blijft echter in deze periode de Nepalese invloed (de zogenaamde Newah- of Bal-ris-stijl) dominant.

Onder zowel Tibetaanse als westerse auteurs op het vakgebied is er grote mate van overeenstemming dat het begin van een werkelijke authentieke Tibetaanse stijl van schilderen gedateerd moet worden in het begin tot midden van de vijftiende de eeuw. Dan zijn alle invloeden van buiten Tibet verwerkt. Als tijdstip van markering wordt vaak de schilderingen genoemd die rond 1430 zijn aangebracht in de Grote stupa van Gyantse Vanaf eind zeventiende eeuw neemt de Chinese invloed weer toe en bereikt zijn hoogtepunt in de achttiende en negentiende eeuw tijdens de Qing-dynastie (1644-1912). Die invloed kenmerkt zich in het gebruik van steeds helderder en lichtere kleuren en het creëren van meer open ruimtes in de schildering.

De Tibetaanse schilderkunst heeft tot eind negentiende eeuw een zeer dominante invloed gehad op de Mongoolse schilderkunst.

Schilders, tradities en stijlen vanaf de vijftiende eeuw thumb|250px|Een tsakli, deel van een set miniatuurschilderingen, uit de dertiende of veertiende eeuw. Het grootste deel van de Tibetaanse schilders waren ambachtelijke schilders die ook een opleiding daartoe hadden gevolgd. Zij werkten meestal in opdracht, maar wel vrijwel altijd anoniem. Een verschil met Chinese schilderkunst was dat in Tibet het verbeelden van enige persoonlijke vorm van expressie door de schilder niet op prijs werd gesteld. In de Chinese schilderkunst was sinds de Zuidelijke Song-dynastie de notie aanwezig dat een schilder in de eerste plaats zijn eigen persoonlijke gevoelens – een beeld van zijn eigen innerlijke wereld – moest creëren waaraan een natuurgetrouwe weergave van het onderwerp en de uiterlijke dingen ondergeschikt waren. Vanaf de veertiende eeuw werd die notie in de Chinese schilderkunst overheersend. Lang kon het grootste deel van de in al die eeuwen in Tibet geproduceerde werken dan ook niet verbonden worden aan de naam van een schilder.

Een tweede probleem was de chronologie van de diverse te onderscheiden stijlen en tradities in de Tibetaanse schilderkunst. Vanaf omstreeks 1980 heeft de studie van oudere Tibetaanse bronnen op het vakgebied aanzienlijk meer aandacht gekregen. In toenemende mate kunnen een aantal schilderingen verbonden worden aan de identiteit van een schilder. Er is ook minder onduidelijkheid over de chronologie van de diverse schildersstijlen. Er is ook meer helderheid verkregen over regionale ontwikkelingen binnen de schilderkunst in Tibet. Belangrijke Tibetaanse bronnen bij deze studies waren verhandelingen van onder meer Sanggye Gyatso (1653-1705), de regent in Tibet na het overlijden van de vijfde dalai lama, Düdül Dorje (1733-1797) en Lodrö Thaye (1813-1899).

Tot en met de negentiende eeuw ontstonden een aantal Tibetaanse stromingen van schilders. Het onderscheid lag niet zozeer in de artistieke verschillen tussen die stromingen, maar had meer te maken met welke geestelijke traditie binnen het Tibetaans boeddhisme gerelateerd was aan een stroming.

De Menri-traditie