thumb|Anne Killigrew (zelfportret) Anne Killigrew (Londen, 1660 – Westminster Abbey, 16 juni 1685Volgens Anthony Wood was dit haar overlijdensdatum. Aitken bevestigt dit, maar beweert dat ze op 15 juni begraven werd en merkt de tegenstrijdigheid niet op. (Aitken, George Atherton (1900), ‘KILLIGREW, ANNE’ in: Dictionary of National Biography geïmporteerd naar Wikisource op 25 januari 2013). Gearchiveerd op 24 februari 2019.) was een Engels dichteres en kunstschilder, die in het tijdperk van de Restauratie leefde. Zij is in de vergetelheid geraakt,Richard Morton (1967), ‘Introduction’, in: Poems (1686) by Mrs. Anne Killigrew. A Facsimile Reproduction with an Introduction by Richard Morton. Gainesville, Florida: Scholars’ Facsimiles and Reprints, blz. V. maar werd destijds gevierd voor zowel haar poëzie als haar schilderijen.David Erskine Baker (red.) (1812), Biographia Dramatica, or a Companion to the Playhouse: Containing Historical and critical Memoirs, and original Anecdotes, of British and Irish Dramatic Writers, from the commencement of our theatrical exhibitions; among whom are some of the most celebrated actors: also an alphabetical account, and chronological lists, of their works, the dates when printed, and observations on their merits: together with an introductory view of the rise and progress of the British stage. In three volumes. Vol I.—Part II. Londen: Forgotten Books, 2015, blz. 432, Haar gedichten zijn bekend uit de bundel Poems, een boekje van 100 bladzijden dat één jaar na haar dood door haar nabestaanden werd uitgegeven. Van haar oorspronkelijke schilderijen zijn er nog drie bewaard.Philip Mould, Venus Attired by the Graces. Anne Killigrew (1660-1685), op: Historical Portraits Image Library, geraadpleegd op 23 februari 2019. Killigrew was mogelijkerwijze een hofdame van Maria van Modena, maar wordt in geen enkele lijst van hofdames vermeld. Wel staat vast dat de familie Killigrew invloedrijk was en Anne met de hoogste kringen van het hof vertrouwd moet zijn geweest. Haar reputatie als poëet blijkt uit een postume eulogie die John Dryden voor haar schreef en die vooraan in Poems werd opgenomen. Samuel Johnson beschouwde dit lofdicht als het edelste in de Engelse taal.Aitken, ibid.

Levensloop De schaarse gegevens die over Killigrews leven bekend zijn, stammen grotendeels van de antiquair Anthony Wood, die haar terloops besprak in zijn standaardwerk Athenae Oxonienses uit 1692; diens informatie werd door latere biografen als Theophilus Cibber overgenomen. In elk geval correspondeerde Wood met haar vader Henry Killigrew, blijkens een brief van Henry die gedateerd is op 4 november 1691.Mary Mark Ockerbloom (red.), ‘Anne Killigrew (c.1660-1685)’, op: A Celebration of Women Writers, University of Pennsylvania, geraadpleegd op 23 februari 2019. Gearchiveerd op 21 februari 2019. Zij werd kort vóór de restauratie van Karel II geboren in het Londense St. Martin’s Lane. Het jaar 1660 is dus aannemelijk.

Killigrews vader Henry, haar ooms Thomas en William en haar broer Henry junior bekleedden prominente posities aan het hof van de Stuarts en in het openbare leven. Thomas, een succesrijk toneelschrijver en vertrouweling van Karel II, stichtte het gezelschap The King's Company, dat na de Cromwell-periode een belangrijke impuls gaf aan de opleving van het Engelse theater, toen de monarchie hersteld was. Ook Henry Killigrew senior had, als zeventienjarige, een toneelstuk geschreven, The Conspiracy, later hernoemd naar Pallantus and Eudora.Baker, blz. 431. William Killigrew was een broer van Henry senior en Thomas; van hem zijn vijf toneelstukken bekend.Baker, blz. 435 De jongere Henry Killigrew diende onder Ruprecht van de Palts en werd uiteindelijk admiraal bij de zeemacht. Een andere broer van Anne, James Killigrew, was eveneens marinier.

Henry Killigrew was afkomstig uit Hanworth in Middlesex en behaalde een mastergraad aan het Christ Church-college van de Universiteit van Oxford. In 1642 werd hij tot Divinitatis Doctor benoemd en aangesteld als kapelaan van de jonge Jacobus, hertog van York. Tijdens de Engelse Burgeroorlog bleef hij koning Karel I trouw en na de restauratie werd hij daarvoor beloond doordat de nieuwe koning Karel II hem tot de persoonlijke aalmoezenier van zijn broer Jacobus benoemde. Rond die tijd werd zijn dochter Anne geboren.

De invloedrijke positie van de Killigrews suggereert dat de jonge Anne een degelijke opvoeding genoot. Zij zou goed Latijn en Oudgrieks beheerst hebben; de kwaliteit van haar poëzie, met talrijke verwijzingen naar de antieke mythologie, ondersteunt die bewering. Als lid van de hofentourage had ze wellicht toegang tot de uitgebreide kunstcollectie aldaar, die Karel I verzameld had en die door Karel II werd uitgebreid. Het feit dat Peter Lely haar portretteerde, maakt het waarschijnlijk dat ze diens schilderijen had bekeken. Een fontein op een van haar schilderijen lijkt op de stijl van Lely.

Hofdame thumb|Jacobus II door Anne Killigrew Traditioneel wordt gesteld dat Anne Killigrew een Maid of Honour van Maria van Modena was: voor zover bekend was het Wood die dit als eerste beweerde. Er is echter geen bewijs voor. Mogelijkerwijze verwarde Wood haar met een andere Anne: de hertogin van Winchilsea, Anne Kingsmill, staat anno 1683 als hofdame geboekstaafd. Van haar is bekend dat zij eveneens gedichten schreef, die zij in 1701 en 1713 als ‘Anne Finch’ publiceerde. Anderzijds sluit dit geenszins de mogelijkheid uit dat ook Anne Killigrew tot de Maids of Honour behoorde. Dat Killigrew en Kingsmill elkaar kenden, is aannemelijk maar valt niet te bewijzen.

Jacobus, hertog van York, bekeerde zich tot het katholicisme en huwde Maria van Modena in 1673. Dit veranderde de officiële anglicaanse instituten niet: doctor Killigrew, Annes vader, bleef hoofd van Jacobus’ privékapel en was daarnaast hoofd van het Savoy-hospitaal van 1663 tot 1697. Karel II stond tolerant tegenover de Katholieke Kerk en had er sympathie voor, ook al dwongen de politieke omstandigheden hem om rigoureuze beperkingen aan katholieken op te leggen. Na de dood van Karel II zou Jacobus als laatste katholieke vorst de troon bestijgen, maar na drie jaar in de Glorious Revolution afgezet worden toen Maria van Modena koningin geworden was en van een katholieke troonsopvolger was bevallen. Dit alles heeft Anne Killigrew niet meer meegemaakt. Op 15 juni 1685 bezweek ze, wellicht op vijfentwintigjarige leeftijd, aan de pokken in de vertrekken van haar vader in Westminster Abbey. Zij werd in het priesterkoor van de Savoy Chapel begraven, die onder leiding van haar vader stond. Haar grafmonument is door een brand verwoest.

Op 2 oktober 1685 werd Poems by Mrs. Anne KilligrewMrs. staat hier voor de traditionele titel ‘mistress’. Killigrew was niet gehuwd. in het Stationer’s Register geregistreerd, met als vermeld jaartal ‘1686’, wellicht in de veronderstelling dat het boek pas het jaar nadien zou verschijnen.Morton, blz. VI. De publicatievergunning was op 30 september 1685 door Roger L'Estrange verstrekt. Ten geleide van dit boek staat een gedicht, getiteld ‘On the Death of The Truly Virtuous Mrs. Anne Killigrew who was Related to my (Deceased) Wife’, ondertekend door een zekere ‘E.E.’ Volgens Joseph Hunter was de auteur ‘E.E’ de geestelijke Edmund Elys, die gelegenheidsgedichten en pamfletten schreef.Morton, blz. VIII-IX. Op welke wijze Elys’ echtgenote verwant was met Anne Killigrew, is niet bekend.

Als Poet Laureate van Karel II moet John Dryden op zijn minst het werk van Killigrew hebben gekend en hij was naar alle waarschijnlijkheid een kennis van haar, gezien zijn regelmatige samenwerking met haar oom Thomas.James Anderson Winn (1987), John Dryden and His World. New Haven & London: Yale University Press, blz. 417, Omtrent hun persoonlijke relatie kan niets met zekerheid worden gezegd. In elk geval spreekt uit Drydens ode een oprechte waardering voor haar talent.

Dichtwerken In de Restauratieperiode circuleerden gedichten veelal in handschriften. Om een boek te publiceren had men een vergunning en bij voorkeur een beschermheer of beschermvrouw nodig, aan wie het boek in ruil voor financiële steun werd opgedragen. In de hofentourage van Karel II verkeerden de zogeheten wits, edelen die dichtwerken schreven en de manuscripten aan elkander doorgaven. Veel van dit materiaal was scurriel en obsceen, maar daarom niet wars van literaire pretenties. De wits ging het niet om het geld: zij spreidden graag hun talenten tentoon en hadden geen behoefte aan een goed verkopend boek. In deze kringen, waarin ook Anne Killigrew circuleerde, was het publiceren van een boek meer uitzondering dan regel.

Het is onbekend wie Poems heeft samengesteld; of alle werken in dit boek van haar hand zijn, is al even onzeker. Op bladzijde 81 staat: „Theſe following Fragments among many more were found among her Papers.” Daarbij blijft in het midden of de daaropvolgende gedichten de hare zijn: vermeld wordt eenvoudigweg dat ze tussen haar paperassen werden aangetroffen.

Thematiek en vormelijke kenmerken thumb|Venus wordt door de Gratiën aangekleed, door Anne Killigrew Killigrews gedichten bestrijken zowel mythologische als moralistische thema’s. Ze bediende zich dikwijls van pindarische versmaten, een grillige combinatie van versvoeten die in de Engelse barok niet ongewoon was: ook Abraham Cowley en Dryden zelf gebruikten graag Pindariques, teneinde een dichtwerk een nobele gedragenheid te verlenen. Van tijd tot tijd speelde ze hier ook mee, zoals in het begin van The Discontent, waarin ze haar muze oproept onregelmatig te zijn:

Here take no Care, take here no Care, my Muſe, Nor ought of Art or Labour uſe: But let thy Lines rude and unpoliſht go, Nor Equal be their Feet, nor Num’rous let them flow. The ruggeder my Meaſures run when read, They’l livelier paint th’unequal Paths fond Mortals treadAlle citaten komen uit Morton (1967).

De structuur is hier op de eerste regel een jambische pentameter (met een chiasme erin), gevolgd door een jambische tetrameter, met opnieuw een jambische pentameter erachter. Op de vierde regel staat een jambische hexameter, die wederom door een jambische pentameter wordt gevolgd. Op de zesde regel wordt het patroon doorbroken met zes amfibrachen en een bijkomende beklemtoonde lettergreep, of een jambische pentameter, afhankelijk van hoe men livelier en th’unequal uitspreekt; op het woord fond hoort echter een klemtoon. De laatste regel is onregelmatig en illustreert zodoende het argument dat Killigrew in deze verzen uitwerkt: hoe onregelmatiger haar versvoeten zijn, des te levendiger schilderen ze de grillige paden die ‘mensen met een begeerte’ in hun leven bewandelen. Dergelijke kunstgrepen waren in de barok populair, maar illustreren tevens Killigrews onderlegdheid in de vormelijke aspecten van de poëzie.

Pastorale gedichten