miniatuur|Poolse nationalisten protesteren in Warschau tijdens Internationale Vrouwendag 2010. Zij dragen borden met de tekst "Feminazi stop" waarbij het vrouwensymbool is verwerkt in een nazivlag. Antifeminisme is politieke, sociale beweging en wereldbeschouwing die zich verzet tegen de rechten die vrouwen hebben verkregen door het feminisme. De anti-feministische beweging maakt onderdeel uit van de bredere anti-genderbeweging. De belangrijkste pijlers onder het antifeminisme zijn het masculinisme en de overtuiging dat God/de natuur mannen en vrouwen verschillende genderrollen heeft toebedeeld.Antifeminism in: Encyclopedia of Women and American Politics (p.35) De betekenis van antifeminisme verandert in de loop der tijd en is ook verschillend per cultuur. Het antifeminisme wordt zowel door mannen als door vrouwen aangehangen.
De term antifeminisme is bedacht door de Duitse vrouwenrechtenactivist Hedwig Dohm in haar boek Die Antifeministen uit 1902. De term baseerde ze op het woord antisemitisme. In 1882 was door de Franse Hubertine Auclert de term feminisme geïntroduceerd.
Tijdens alle feministische golven zijn wereldwijd ook een antifeministische tegenbewegingen zichtbaar. Tijdens de eerste feministische golf keerden antifeministen in de Verenigde Staten zich met name tegen het vrouwenkiesrecht. Tijdens de tweede feministische golf werd in dat land vooral de Equal Rights Amendment geviseerd. Antifeministische bewegingen in de 21e eeuw keren zich tegen de ideologie van het feminisme, die volgens hen geworteld is in vijandigheid tegenover mannen.
Standpunten Basisuitgangspunt van de antifeministen is de gedachte dat God (of de natuur) mannen en vrouwen creëerde met ieder verschillende rollen in het leven. Volgens deze ideologie vinden mannen hun plaats in de publieke wereld (voor bijvoorbeeld werk en politiek) en hebben vrouwen een plek in het privédomein (voor bijvoorbeeld huishouden en kinderen). Deze traditionele waarden bepalen dat de man leidt en de vrouw volgt.
Veel voorkomende antifeministische standpunten zijn:
De sociale rollen van "de vrouw" versus "de man" zijn natuurlijk en onoverbrugbaar. Er bestaan fundamentele verschillen tussen vrouwen en mannen die voortkomen uit hun biologische aard. Vanuit hun biologische aard zijn vrouwen ongeschikt voor studie, arbeid en politiek en is hun natuurlijke bestemming in het gezin. Vanuit hun biologische aard zijn vrouwen minder geschikt voor bepaalde banen zoals rechters en wetenschappelijk onderzoek.
Sommige antifeministen zien het feminisme als een ontkenning van de aangeboren verschillen tussen de geslachten, en zien het als een poging om mensen te programmeren tegen hun biologische neigingen. Antifeministen beweren ook vaak dat het feminisme, ondanks dat het zegt gelijkheid na te streven, juist de rechten en problemen negeert die uniek zijn voor mannen. Sommigen geloven dat de feministische beweging haar doelstellingen heeft bereikt en denken dat deze beweging juist een hogere status voor vrouwen opeist dan voor mannen, bijvoorbeeld via speciale vrouwenrechten en uitzonderingen, zoals beurzen voor vrouwen, positieve vrouwenactie, of het vrouwenquotum.
Sommige antifeministen betogen dat het feminisme heeft geleid tot veranderingen van de seksuele moraal. Dit vinden zij schadelijk voor de traditionele waarden en voor religieuze overtuigingen. Zo worden vrije seks en de vele echtscheidingen gezien als negatieve gevolgen van het feminisme. Sommige van deze antifeministen zijn tegen de komst van vrouwen op de werkvloer, in de politiek en bij verkiezingen. Zij zijn voorstander van handhaving van de autoritaire positie van de man in het gezin. Ook zien sommige antifeministen de veranderende rol van vrouwen als een destructieve kracht die het gezin in gevaar brengt, of die in strijd is met de religieuze moraal.
Sommige antifeministen beweren dat vrouwen vanwege hun neiging om conflicten te mijden en consensus te zoeken minder geschikt zijn voor beroepen als rechterlijke macht en wetenschappelijk onderzoek.
Geschiedenis miniatuur|Amerikaanse tegenstanders van het vrouwenkiesrecht in het begin van de 20e eeuw
Eerste feministische golf De "vrouwenbeweging" begon in 1848. In dat jaar vroegen Elizabeth Stanton en Susan B. Anthony om stemrecht en vele andere rechten voor vrouwen, zoals het recht op onderwijs, vrijheid om te werken, huwelijksrechten en eigendomsrechten, en het recht om zelf te kiezen voor het moederschap. Tegen het eind van de 19e eeuw begon al een culturele tegenbeweging. Janet Chafetz onderzocht medio jaren 80 van de 20e eeuw de antifeministische bewegingen, die als reactie op de eerste feministische golf ontstonden. Zij vond in haar onderzoek 32 organisaties. Deze tegenbewegingen ontstonden als reactie op de groeiende eisen van vrouwen, die door leden van de tegenbewegingen gezien werden als bedreigend voor de toenmalige manier van leven. Hoewel de leden van tegenbewegingen niet alleen mannen waren, ervoeren mannen toen al wat sommigen nu de "crisis van de mannelijkheid" noemen. De reacties op de groei van het feminisme waren gevarieerd. Sommige mannen onderschreven de feministische ideologie, maar anderen werden juist antifeminist. De mannen die in dit antifeministische model geloofden, haalden religieuze en natuurlijke wetten van stal om te benadrukken dat vrouwen moesten terugkeren naar de privésfeer, met als doel mannen en vrouwen van elkaar te scheiden en vrouwen ervan te weerhouden mannen in het openbaar uit te dagen.
In de 19e eeuw was het verzet tegen het vrouwenkiesrecht een van de belangrijkste speerpunten van het antifeminisme. De strijd voor het vrouwenkiesrecht begon als beweging in 1848 en duurde meer dan zeventig jaar.miniatuur|Titelpagina van het boek Sex in Education Er waren ook tegenstanders van het recht op hoger onderwijs voor vrouwen. Zij betoogden dat het hoger onderwijs een te grote fysieke belasting voor vrouwen zou vormen. Edward Clarke, arts en hoogleraar aan Harvard, betoogde in zijn boek, Sex in Education: or, a Fair Chance for the Girls (1873) dat als vrouwen naar de universiteit zouden gaan, hun hersenen groter en zwaarder zouden worden, maar hun baarmoeder zou atrofiëren. Andere antifeministen waren tegen de deelname van vrouwen aan de beroepsbevolking, tegen hun recht om lid te worden van een vakbond, tegen hun recht om in een jury zitting te nemen, en tegen het aanschaffen van anticonceptie door vrouwen.
De pro-familie beweging ontstond rond 1870. Deze beweging wilde iets doen aan het stijgende aantal echtscheidingen en wilde de traditionele familiewaarden herstellen. De National League for the Protection of the Family, eerdere bekend als Divorce Reform League nam de pro-familie beweging in 1881 over. Samuel Dike was een van de oprichters van de League, en werd beschouwd als een expert op het gebied van echtscheiding. Door zijn inspanningen kreeg de League veel aandacht van pro-family aanhangers. De League onderging in de loop der jaren een verschuiving; van de strijd tegen echtscheidingen ging de organisatie werken aan het bevorderen van het huwelijk en het traditionele gezin. Deze beweging gebruikte argumenten die het hedendaagse antifeminisme nog steeds gebruikt.
Ook in Nederland deden antifeministen van zich horen. In een krantenartikel uit 1899 betoogt de schrijver dat het recht op werk en het verlangen naar het afschaffen van de voogdij waar alle vrouwen onder stonden, alleen goed zou zijn voor enkele alleenstaande vrouwen, waarvan een deel overigens in een klooster zou kunnen intreden. Voor getrouwde vrouwen zou het nergens goed voor zijn, het is in strijd met de natuur. "Man en vrouw zijn als mensch gelijk, maar in het huwelijk is de man het hoofd van de vrouw". Hij begrijpt dan ook niet dat vrouwen voor een recht op echtscheiding pleiten.
Begin van de 20e eeuw Het vrouwenkiesrecht werd in vele landen van kracht rond de jaren 1920. Het antifeminisme uit het begin van de 20e eeuw was dan ook hoofdzakelijk gericht op het bestrijden van vrouwenkiesrecht. Onder de tegenstanders waren ook vele vrouwen. Hun argumenten hadden niet zozeer te maken met de plaats van de vrouw in het huishouden, maar met de plaats die vrouwen via het kiesrecht moesten gaan innemen in het publiek domein. Velen - ook leiders van deze beweging - moedigden andere vrouwen juist wel aan om hun huishouden te verlaten en deel te nemen aan de samenleving. Waar ze tegenstander van waren, was deelname van vrouwen aan de politiek. Daar waren twee redenen voor. Sommigen waren van mening dat vrouwen al overbelast waren. De meerderheid was echter van mening dat deelname van de vrouw aan de politiek haar deelname aan andere sociale en maatschappelijke taken zou belemmeren. Als vrouwen moesten gaan stemmen, zouden ze zich moeten verbinden aan een bepaalde partij, waardoor ze niet meer politiek neutraal konden blijven. Zij meenden dat dit vrouwen juist zou belemmeren om invloed op de wetgevende macht uit te oefenen.
In Nederland heerst tijdens de eerste feministische golf ook antifeminisme in het parlement. Partijen met een antifeministisch beleid waren vooral de Rooms-Katholieke Staatspartij, de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk Historische Unie. Deze drie partijen kregen in deze periode samen 45-60% van de stemmen.
Midden 20e eeuw Volgens onderzoek door Zonneke Matthée was de Nederlandse NSB van Mussert, die bestond in de periode 1931-1948, antifeministisch. Toch waren ca. 30.000 vrouwen lid van de NSB. Zij vonden dat door het feminisme de seksuele moraal verdwenen was, het moederschap en huwelijk waren uitgehold, zelfs dat het land als geheel hierdoor in een crisis terecht was gekomen.
Tweede feministische golf Equal Rights Amendment in de VS Het Equal Rights Amendment (ERA, amendement voor gelijke rechten) is een voorgestelde wijziging van de Grondwet van de Verenigde Staten waarmee iedere burger, ongeacht zijn of haar geslacht, gelijke rechten zou krijgen. Dit amendement werd in 1950 en 1953 al aangenomen door de Senaat, maar stond nog steeds ter discussie. In 1972 werd het amendement gesteund door de twee grote partijen en werd het immens populair. Het amendement werd echter in 1982 niet aangenomen door het Congres, en is daardoor niet in de Amerikaanse wetgeving opgenomen.
Jerome Himmelstein trof in 1986 twee theorieën aan voor de grote populariteit van het antifeminisme en de rol daarvan tegen het ERA:
Er bestaat een tegenstelling tussen de upper-class liberalen en de lower-class conservatieven. Bepaalde sociale klassen zijn meer antifeministisch dan andere. Vrouwen die zich kwetsbaar voelen omdat zij afhankelijk van mannen zijn, verzetten zich tegen veranderingen die hun kwetsbare stabiliteit bedreigen. Volgens deze theorie steunen goed opgeleide, onafhankelijke carrièrevrouwen het feminisme, terwijl huisvrouwen die niet over dergelijke voordelen beschikken, zich meer aangetrokken voelen tot het antifeminisme.
Volgens Himmelstein zelf zijn beide theorieën op zijn minst gedeeltelijk onjuist. Volgens hem is de scheidslijn tussen feministen en antifeministen eerder cultureel bepaald dan dat deze voortvloeit uit verschillen in economische en sociale status.
Val Burris stelde in 1983 dat mannen met een hoog inkomen vooral tegenstander van het amendement waren, omdat zij het meest te verliezen hadden als de ERA zou worden ingevoerd. Het betekende meer concurrentie voor banen en wellicht ook een lager gevoel van eigenwaarde.
Haydenbepaling