De geschiedenis van Zevenburgen of Transsylvanië gaat meer dan 2000 jaar terug in de tijd. Gedurende zijn geschiedenis bevond Zevenburgen zich in het spanningsveld tussen Roemenen, Hongaren, Duitsers (zij het Habsburgers of Zevenburger Saksen) en het Ottomaanse Rijk. Vooral in de 20e eeuw speelden Rusland en de Sovjet-Unie ook een grote rol in Transsylvanië.

Romeinse tijd en Volksverhuizingen thumb|250px|right|Dacië Transsylvanië werd al rond het begin van de jaartelling bewoond door Daciërs, voornamelijk in de laagvlakten want de bergachtige streken telden nauwelijks bewoners. De hoofdstad van Dacië was Sarmizegetusa. Rond het jaar 100 werd het gebied van de Daciërs door de Romeinse generaal Trajanus bezet, waarna Dacië een provincie van het Romeinse Rijk werd. De Romeinen romaniseerden de bevolking, met name door steden in te richten zoals Apulum (Alba Iulia) en Napoca (Cluj-Napoca) en te bevolken met Romeinse staatsburgers. Na het verval van de Romeinse staatsmacht vielen Germaanse nomadenstammen het land binnen: als eersten de Westgoten, sinds ca. 375, die rond het midden van de 5e eeuw werden opgejaagd door de Hunnen. Na het vertrek van de Hunnen in 454 vestigden zich de Germaanse Gepiden in dit gebied maar zij werden al snel, in 567, door de Siberische nomadenstam van de Avaren verdreven. Deze Avaren vestigden een betrekkelijk stabiel rijk in Pannonië (het hedendaagse Hongarije) en Transsylvanië, dat tot het einde van de 8e eeuw standhield. Toen ging het in 796 ten onder door de komst van de Bulgaren, een gemengd Tataars-Slavische nomadenstam uit het Midden-Wolgagebied. Een eeuw later, in 895, kwamen vanuit de zuidelijke Oeral de Hongaren, de Bulgaren trokken zich terug bezuiden de Donau en sindsdien behoorden Hongarije en Transsylvanië gezamenlijk tot het Hongaarse Rijk, sinds 1001 was dit een christelijk koninkrijk. Ter bescherming van de oostgrens tegen nieuwe nomadeninvallen werd in het Transsylvaanse bergland ter plaatse van de bergovergangen de Hongaarse stam van de Szeklers gevestigd als grenswacht. Ondanks deze bevolkingwisselingen bleef een oorspronkelijk element van geromaniseerde Daciërs bestaan.

Komst van de Hongaren miniatuur|rechts|De zeven hoofdmannen van de Hongaren, detail van het cyclorama De aankomst van de Hongaren

Reeds voor de val van Dacië en de daaropvolgende romanisering in het begin van de 2e eeuw werd het gebied dat overeenkomt met het huidige Roemenië en Moldavië in hoofdzaak bevolkt door een gemengd Dacisch-Latijns volk. Tijdens de Grote Volksverhuizing vielen vele nomadische volkeren het gebied binnen, om het na enkele generaties ook weer te verlaten, waarbij elke stam ook voor een deel achterbleef. De huidige bevolking is gebaseerd op deze heterogene gelaagdheid. Een van de laatste in de reeks waren de Magyaren, die op hun weg van de Joegra (nu Midden-Rusland) naar het huidige Hongarije zich in de 8e en 9e eeuw eerst kort vestigden in wat door hen Etelköz genoemd wordt (nu West-Oekraïne). Vervolgens trokken ze naar het huidige Hongarije en Transsylvanië. Hun gebied werd strategisch beschermd door de Karpaten. De geromaniseerde Dacische bevolking organiseerde zich aan de andere zijde van de bergketen staatkundig in Walachije en Moldavië. Hongaarse en Roemeense historici zijn het heftig oneens over de vroege aanwezigheid van Daciërs in Transsylvanië. Volgens de eersten was die aanwezigheid marginaal en kwamen Roemenen pas later in de middeleeuwen in het land. Volgens de laatsten lag de bakermat van de Roemenen juist in Transsylvanië.

Na hun uittocht uit Rusland veroverden de Magyaarse stammen in 896 de Pannonische vlakte, het huidige Hongarije, TranssylvaniëÉdouard Sayous, Histoire générale des Hongrois, Budapest/Paris, 1900, pag. 25 en de aangrenzende streken van Oostenrijk, Slowakije en Kroatië. Daar had zich sinds de 6e eeuw het Avaarse Rijk gevestigd onder een gelijknamige nomadenstam. Deze Avaren heersten over een zeer heterogene bevolking van Kelten en Germanen, die tot op zekere hoogte geromaniseerd waren. Zijzelf waren nomaden uit de huidige Oekraïne met ook weer een heterogene achtergrond van Hunnen, oer-Turken, oer-Boelgaren, en Slaven. De Magyaren kregen de kans dit Rijk over te nemen toen het verzwakt werd door de Frankische verovering tot aan de Donau in 876. In 895 trokken Magyaarse nomadenstammen, zoals alle vorige nomaden oorspronkelijk ook weer afkomstig uit het grensgebied van het huidige Rusland en Siberië, binnen. Zij namen de Avaarse staat over en werden een krijgerelite over de heterogene bevolking. De Franken die hun gezag tot de Donau hadden uitgestrekt, waren niet opgewassen tegen de nomadische militaire tactiek en moesten zich terugtrekken tot in het huidige Oostenrijk. Daarop gingen de Magyaren in hun veroveringsroes door en in de eerste helft van de 10e eeuw teisterden hun rooftochten de landen tot aan Hamburg, Keulen, Parijs, Barcelona en Napels. Hun succesvolle tactiek had als nadeel dat zij niet in staat waren zich als bezetters en heersers te handhaven. Na, in 955, een vernietigende slag op het Lechfeld bij Augsburg tegen de Duitse koning Otto I, trokken ze zich terug. Onder hun leider Geza zochten de Magayaren vervolgens toenadering tot Midden-Europa. Stephan I huwde een Duitse prinses en stichtte in 1001 een koninkrijk dat het christendom als staatsgodsdienst aannam.

Koninkrijk Hongarije In de middeleeuwen was Transsylvanië een autonome provincie onder de Hongaarse vorsten van de Árpáddynastie en fungeerde het als een belangrijke provincie van dit koninkrijk. Het Karpatengebergte dat Transsylvanië naar het oosten afgrenst, was namelijk een uiterst belangrijke strategische bevestiging. Er was het koninklijk gezag veel aan gelegen dit gebied te bevestigen, onder andere door de Magyaarse stam van de Szeklers als militaire grensbewakers aan te stellen. En door boeren en stedelingen uit Duitse landen, zogenaamde Zevenburger Saksen, aan te trekken, teneinde het gebied modern in cultuur te brengen en er een bestuursorganisatie in te richten. Met succes werd Hongarije aan de Transsylvaanse grenzen voortaan gevrijwaard van invallen van nomaden, zoals Petsjenegen en Koemanen die ondernamen in de 12e eeuw. Deze nomadenvolken werden voor een klein deel opgenomen in Hongaars verband. In 1241 vielen de Mongolen de regio binnen en verwoestten deze. Veel van de steden die door de Saksische kolonisten waren gebouwd, werden vernietigd. Later, in 1285, vond opnieuw een Mongoolse invasie plaats, die andere verwoestingen veroorzaakte. Deze keer hadden de indringers het echter moeilijker vanwege het gebrek aan voedsel en de weerstand van de Szeklers, Roemenen en Saksen. In 1438, de politieke macht in de regio was in handen van drie groepen: de Hongaarse edelen, de Szeklers en de Saksen, een systeem dat bekendstond als de Unio Trium Nationum. Hoewel de Roemenen (Wlachen) de meerderheid van de bevolking vormden, waren zij uitgesloten van de privileges waar de andere bevolkingsgroepen van genoten. miniatuur|rechts|De slag bij Mohács door Bertalan Székely Na de overwinning van de Ottomanen op Hongarije in de Slag bij Mohács in 1526 zou Transsylvanië overigens als vorstendom zijn autonomie behouden, terwijl de westelijke gebieden van Hongarije juist economisch ontmanteld werden, verarmden en ontvolkten. De Ottomaanse machtsuitbreiding liep parallel aan de godsdienstige afscheidingen uit het ene katholieke verband. De hoge Hongaarse adel ('magnaten') bleef voorlopig nog wel rooms-katholiek en stelde zich formeel onder gezag van de Hongaarse, inmiddels Habsburgse koningen. Saksen gingen in hun geheel over tot het Lutheranisme, de lagere Hongaarse adel koos met zijn onderhorigen voor een deel voor het calvinisme en daarnaast zocht de lagere Hongaarse burgerij haar heil in het Unitarisme. Al deze groepen steunden het Ottomaanse gezag op voorwaarde van de godsdienstvrijheid, die hun door de Hongaarse, later Habsburgse koningen werd ontzegd. In 1556 werden de rooms-katholieke bisdommen zelfs opgeheven en gingen rooms-katholiek gebleven adellijke geslachten over tot het calvinisme. De Roemeense adel mengde zich niet in deze tegenstellingen omdat hun oosters-orthodoxe kerk door de Sultan in Constantinopel erkend werd. De politieke invloed van de Roemenen in het Transsylvaanse bestuur was overigens gering. Ook de Roemeense adel beperkte zijn gezag tot de eigen godsdienstgenoten en religieuze instituties. Een aantal edelen die hun gezag wilden uitbreiden, gingen over tot het calvinisme om een plaats in de overheersende Hongaarse elite te krijgen. Omdat de Habsburgers geen godsdienstige pluriformiteit aanvaardden, duurde het meer dan anderhalve eeuw voordat de Transsylvaans-Hongaarse adel en Transsylvaans-Duitse burgerij, na het succesvol optrekken van de Habsburgse legers, openlijk de kant van Oostenrijk tegen de Sultan zouden kiezen.

Magyaren Voordat de Magyaren Transsylvanië binnentrokken, hebben ze enige tijd in Moldavië gewoond, wat mag blijken uit plaatsnamen van veronderstelde Hongaarse oorsprong als onder meer Suceava (uit Szűcsvár), Orhei (van het Roemeense woord 'Orhei' dat uiteindelijk komt van Örhely uit het Hongaars, in het land Moldavië) en misschien ook Bacău (uit Bakó). Het is ook mogelijk dat Magyaarse nomaden vanuit Transsylvanië de bergen overtrokken naar de valleien van de Siret en de Trotuș, waar een rooms-katholieke Hongaarstalige gemeenschap van zogenaamde Csángó's woont. Zij staan heden ten dage onder een sterke druk van roemenisering.

Saksen miniatuur|rechts|Zicht op de stad Hermannstadt (Sibiu), gesticht door de Zevenburger Saksen In de 12e en 13e eeuw kwamen bewoners van het Moezelgebied en daarnaast ook Brabanders, Vlamingen, Walen en Rijnlanders, als zogenaamde Zevenburger Saksen, op uitnodiging van de Hongaarse koning om het gebied tussen de steden Schässburg (Sighișoara), Kronstadt (Brașov) en Hermannstadt (Sibiu) te bevolken. Zij stichtten daar zeven steden, beschermd door burchten, en vandaar noemden zij Transsylvanië Siebenbürgen (Zevenburgen, Zivenbork). Deze Saksen waren geen Saksen maar werden door de Hongaren szász genoemd wat Duits betekent. Rondom de steden richtten zij dorpen op met in totaal 197 kerken. In de 15e eeuw bouwden zij om de meeste kerken fortificaties om de bevolking de gelegenheid te geven zich en hun vee in veiligheid te brengen bij de toenemende invallen vanuit Ottomaans gebied (zogenaamde Wehrkirchen). Deze 'Saksen' vormden slechts een tiende van de totale Transsylvaanse bevolking, maar in hun vestigingsgebieden waren ze een meerderheid en bezaten ze de grond. Hun grote welvaart maakte hen tot een belangrijke politieke factor, naast de Hongaarse adel. Hun gebied kreeg van de Hongaarse koningen autonomie toegekend, en ook nadat Transsylvanië in 1699 een Habsburgse provincie was geworden, zouden de 'Saksen' hun autonome instellingen behouden. Onder het bondgenootschap tussen Roemenië en nazi-Duitsland zag Roemenië af van gezagsuitoefening over de Saksen en werden zij als autonome, maar aan Berlijn ondergeschikte 'Volksgruppe' georganiseerd. Dat maakte hen tot nationale vijanden toen Roemenië zich met de Sovjet-Unie verbond. Na 1945 sloeg een kleiner deel van hen daarom op de vlucht voor de Sovjetinvasie. Een ander deel werd tot dwangarbeid veroordeeld. Voor zover deze in Sovjet-werkkampen werd verricht betaalden zij daarmee ook de herstelbetalingsplicht welke aan Roemenië was opgelegd. Na vrijlating in de loop van de jaren 50 kregen de Saksen culturele rechten terug. Hun woongebied raakte steeds meer door Roemenen en Zigeuners bevolkt, en na 1990 vertrokken de meesten van hen naar Duitsland, in wat lijkt op een overhaaste vlucht. De typisch Midden-Europese stadsarchitectuur en tientallen imposante, tot forten bevestigde, plattelandskerken getuigen nog steeds van hun toenmalige aanwezigheid.

Roemenen miniatuur|rechts|Vlachse herder uit Zăbalț (1852) door Théodore Valerio