De dood van Anne Faber was het gevolg van een misdrijf dat zich afspeelde in 2017 nabij Soest in de Nederlandse provincie Utrecht. Op 29 september 2017 raakte de 25-jarige vrouw uit de stad Utrecht vermist, waarna haar lichaam bijna twee weken later werd gevonden. Ze bleek meerdere keren te zijn verkracht en met opzet om het leven te zijn gebracht. In juli 2018 werd de 28-jarige Michael Panhuis voor het ontvoeren, verkrachten en doden van Faber in eerste aanleg veroordeeld tot 28 jaar celstraf, tbs met dwangverpleging en het betalen van een schadevergoeding van ruim 100.000 euro. In hoger beroep werd hij in juli 2019 opnieuw tot dezelfde celstraf en tbs veroordeeld; de schadevergoeding viel iets hoger uit. De Hoge Raad verlaagde in juni 2020 de opgelegde celstraf met vier maanden.
De zaak kreeg extra aandacht, omdat de dader tijdens het misdrijf geplaatst was in een psychiatrische instelling waar hij veel vrijheden genoot. Procedures voor zijn overplaatsing waren onzorgvuldig verlopen, evenals hoe hem de vrijheden waren verleend. Het leidde tot strengere landelijke regelgeving. Er werd een toelage voor een nieuwe generatie zakelijke leiders in de Nederlandse theater- en danswereld naar Faber vernoemd, het Anne Faber Stipendium.
Vermissing en zoektocht De op 15 december 1991 geboren Anne Faber verdween op vrijdagavond 29 september 2017 tijdens een toertocht per fiets, nadat ze vanuit Utrecht was vertrokken. Ze reed via Lage Vuursche, Baarn en Soest in de richting van het dorp Den Dolder in de gemeente Zeist. Om 18:50 uur verstuurde ze nog een selfie vanuit Baarn. Haar telefoon maakte vlak voor 19:30 uur voor de laatste keer contact met een zendmast ten zuiden van Soest. Toen zij die avond niet thuiskwam, werd aangifte gedaan van haar vermissing. Haar familieleden, vrienden en bekenden organiseerden een zoektocht die van 30 september tot en met 12 oktober duurde. Het duurde enkele dagen voordat er door de politie en uiteindelijk zo'n 65 militairen naar haar gezocht werd. Op 3 oktober werd haar jas gevonden, twee dagen later haar fiets en op 6 oktober haar rugtas.
Het Nederlands Forensisch Instituut stelde op 8 oktober vast dat zich op de jas van Faber DNA-materiaal bevond dat overeenkwam met het profiel van een destijds 27-jarige man. Hij was reeds veroordeeld tot een gevangenisstraf voor gewelds- en zedendelicten en werd behandeld in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) Roosenburg in Den Dolder. De volgende dag werd hij gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij Fabers verdwijning. Op 11 oktober bekende hij. De dag erna werd Fabers lichaam op zijn aanwijzingen gevonden in het Horsterwold, een natuurgebied bij Zeewolde, waar het was begraven. Uit het forensisch onderzoek bleek dat de dader veel geweld had toegepast. Dat werd geconcludeerd uit het forse letsel – een groot aantal bloeduitstortingen – op het lichaam van het slachtoffer, die bij leven waren toegebracht.
Bekentenis Panhuis verklaarde dat, toen hij van een bospad het fietspad opreed, hij met zijn scooter in botsing kwam met de fiets van Faber. De vrouw wilde volgens hem de politie bellen en aangezien zijn scooter niet verzekerd was, zou hij haar telefoon hebben afgepakt en hebben vernield, waarna hij haar dwong om een bospad in te lopen waar hij haar op verschillende manieren verkrachtte. Hij nam Faber vervolgens geboeid achterop zijn scooter mee naar een verder afgelegen plek waar hij de vrouw doodde door met een mes haar keel door te snijden. Hij begroef haar eerst provisorisch onder wat bladeren en later ondiep onder het zand. Een deel van Fabers eigendommen, zoals haar jas, fiets, rugtas en pasjes, heeft hij later die avond in de omgeving op verschillende locaties achtergelaten of verstopt.
De volgende avond leende hij de auto van zijn moeder, reed naar Zeewolde en groef daar aan een bospad een kuil. Daarna reed hij terug naar Soest, waar hij Fabers lichaam opgroef, in de auto legde en naar Zeewolde bracht. Daar maakte hij het lichaam schoon met chloor, waarna hij het opnieuw begroef. De auto liet hij reinigen in Amersfoort. Fabers telefoon, haar sieraden, de gouden ketting met groeibriljant die ze vermoedelijk om had en de oorringetjes die ze droeg op de laatste foto die ze maakte en verstuurde, werden niet teruggevonden.Ouders Anne Faber: Michael P. mag nooit meer vrijkomen. NOS (28 mei 2019). Panhuis bleef tijdens zijn strafproces volhouden dat hij de sieraden nooit had gezien.
Onderzoek Pollux Panhuis bleek bij zijn arrestatie hardhandig door het arrestatieteam te zijn aangepakt. Hij liep daarbij een avulsiefractuur aan de rechterschouder op en deed aangifte van mishandeling, waarop de rechtbank een onderzoek instelde dat de naam "Pollux" meekreeg. Daaruit bleek dat het OM het arrestatieteam opdracht had gegeven om Panhuis na zijn aanhouding onmiddellijk te vragen naar de verblijf- of vindplaats van Faber en hem daarbij niet te wijzen op zijn zwijgrecht. Ook mocht hij "stevig beetgepakt" worden, maar het OM ontkende toestemming te hebben gegeven voor bedreiging of mishandeling. Na zijn aanhouding werd Panhuis, geblindeerd met een neopreenbril, op zijn buik in de transportbus gelegd en werd gedreigd dat de diensthond hem zou bijten als hij verzweeg waar Faber gevonden kon worden. Ook werd aan de handboeien gedraaid om hem pijnprikkels te geven. Niemand van het arrestatieteam zei te weten hoe Panhuis aan de avulsiefractuur was gekomen. De rechtbank achtte het echter aannemelijk dat die verwonding in de transportbus had plaatsgevonden en concludeerde dat er sprake was geweest van een "onmenselijke behandeling" en "onherstelbaar vormverzuim".
Rechtszaak De inhoudelijke behandeling van de strafzaak in eerste aanleg diende op 11 en 12 juni 2018. Moord werd door de rechtbank niet bewezen geacht, omdat niet viel te bewijzen dat Panhuis al van tevoren het plan had opgevat haar te doden. Zijn advocaten stelden dat hun cliënt puur impulsief had gehandeld. Zelf verklaarde Panhuis tijdens de rechtszaak dat hij pas tot het besluit kwam Faber te doden toen de vrouw naar een fietser om hulp schreeuwde. Hem werd "gekwalificeerde doodslag" ten laste gelegd (dus het doden van Anne Faber om de andere feiten – haar verkrachting en vrijheidsberoving – te verhullen), wat geldt als een zwaarder delict dan gewone doodslag. Op gekwalificeerde doodslag staat dezelfde maximumstraf als op moord. Het OM gaf aan geen levenslange gevangenisstraf te willen eisen, omdat bij een dergelijke strafoplegging de kans bestond dat hij na 25 jaar zonder behandeling in de maatschappij zou kunnen terugkeren.
De rechtbank in Utrecht veroordeelde Panhuis op 17 juli 2018 in eerste aanleg tot 28 jaar celstraf en tbs met dwangverpleging wegens het ontvoeren, verkrachten en om het leven brengen van Anne Faber. De straf kwam overeen met de eis van het OM. Verder moest hij de ouders en broer van Faber een schadevergoeding van minstens 137.354,65 euro betalen. Hij werd ook veroordeeld wegens het mishandelen van twee veiligheidsmedewerkers in het Pieter Baan Centrum en drie medewerkers van deze psychiatrische kliniek, waar hij verbleef ten tijde van het vooronderzoek. Het feit dat het arrestatieteam geheel onnodig een avulsiefractuur bij hem had veroorzaakt werd niet gezien als een reden tot strafvermindering, omdat de behandeling er niet toe had geleid dat hij een relevante, belastende verklaring had afgelegd.
De rechtbank concludeerde dat de man "(licht) verminderd toerekeningsvatbaar" was, de enige omstandigheid die een matigend effect had op de strafmaat. Panhuis leed aan een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken. Ook was hij afhankelijk van alcohol, drugs en ritalin. De rechtbank benadrukte dat ze met de straf de man zo lang mogelijk uit de maatschappij wilde houden en hem daarin niet onbehandeld wilde laten terugkeren.
Hoger beroep Op 28 en 29 mei 2019 vond de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep plaats bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het OM eiste opnieuw 28 jaar gevangenisstraf, gevolgd door tbs met dwangverpleging. Het OM meende echter dat inmiddels was komen vast te staan dat Panhuis de vrouw met een vooropgezet plan had gedood en vorderde om die reden dat hij voor moord veroordeeld werd.
Na een tussenarrest van 13 december 2018 veroordeelde het hof Panhuis op 5 juli 2019 tot een gevangenisstraf van 28 jaar en tbs met dwangverpleging, onder meer opnieuw voor het verkrachten en doden van Anne Faber. Het hof vond – net als de rechtbank – dat niet vastgesteld kon worden dat Panhuis de jonge vrouw met voorbedachte raad (dus met een vooropgezet plan) van het leven had beroofd, zodat hij opnieuw werd vrijgesproken van moord. Hoewel delen van de verklaringen van Panhuis volgens het hof niet waar konden zijn, was dat - ook met de andere omstandigheden die uit het dossier bleken - onvoldoende om hem te veroordelen voor moord. Hij werd wel opnieuw veroordeeld voor ‘gekwalificeerde doodslag’. Daarnaast werd hij ook weer schuldig bevonden aan het mishandelen van vijf medewerkers in het Pieter Baan Centrum. Het hof zag net als de rechtbank geen aanleiding tot strafvermindering omdat bij zijn aanhouding door toedoen van het optreden van het arrestatieteam een stuk bot in zijn schouder was afgescheurd. Het hof vond wel dat bij de aanhouding zijn rechten waren geschonden, maar niet dat hij daardoor geen eerlijk proces had gekregen.Ook in hoger beroep 28 jaar cel en TBS voor Michael P., rechtspraak.nl, 5 juli 2019
Zwaar werd meegewogen dat de man eerder jonge meisjes had verkracht en dat de straf die hij daarvoor kreeg nog niet eens helemaal was beëindigd toen hij Faber doodde. De licht verminderde toerekeningsvatbaarheid die de deskundigen bij Panhuis vaststelden was de enige enigszins matigende factor bij de op te leggen straf. Het werd onverantwoord geacht om hem zonder behandeling terug te laten keren in de maatschappij, ook omdat het risico dat hij weer strafbare feiten zou plegen als zeer hoog voor een zedendelict en als hoog voor een geweldsdelict werd ingeschat.
Aan de ouders en de broer van Faber moest hij een schadevergoeding betalen. De schadevergoeding viel deze keer iets hoger uit dan bij de eerste veroordeling. Naast de vergoeding van de materiële schade (onder andere de kosten van de crematie) ging het om een vergoeding van 40 duizend euro per persoon voor de shockschade. De shockschade was volgens het hof het gevolg van de confrontatie van hen met het lichaam van hun dochter en zus en de posttraumatische stressstoornis die daar het gevolg van was. Het gerechtshof zag, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om de hoogte van de vergoeding voor de ouders anders te beoordelen dan die van de broer. Het hof wees de gevorderde affectieschade niet toe, omdat dit in deze zaak volgens de wet niet mogelijk was.
Beklag geen vervolging arrestatieteam Op 18 januari 2018 deed Panhuis aangifte van mishandeling en bedreiging bij zijn aanhouding op 9 oktober 2017. Hij verzocht om vervolging van het vijfkoppige arrestatieteam. Op 7 juni 2018 werd zijn aangifte door het OM geseponeerd. Tegen deze beslissing deed Panhuis beklag bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.
Bij beschikking van 17 juli 2019 beval het Gerechtshof Amsterdam de officier van justitie om de beklaagden te vervolgen, met de last om nader strafrechtelijk onderzoek te verrichten naar de gang van zaken bij de aanhouding van Panhuis op 9 oktober 2017 en zijn overbrenging naar een cellencomplex daarna. Het nadere onderzoek diende mede betrekking te hebben op de instructies van de leidinggevenden.
Cassatie Op 5 juli 2019 had het gerechtshof geoordeeld dat een vernederende en onmenselijke behandeling van de verdachte, gekwalificeerd als vormverzuim, uitsluitend kan leiden tot strafvermindering als dit verzuim daarnaast ook meebrengt dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden, althans dat hij in zijn verdediging is geschaad.