John Forrest, 1e Baron Forrest van Bunbury GCMG (Bunbury, 22 augustus 1847 – op zee, 2 september 1918) was een Australische ontdekkingsreiziger, de eerste premier van West-Australië en kabinetsminister in Australië zijn eerste federale regering.
Als jonge man verwierf Forrest bekendheid door drie expedities, die hij leidde, naar het West-Australische binnenland. In 1876 ontving hij daarvoor een onderscheiding van de Royal Geographical Society.
Hij werkte zich op tot landmeter-generaal en werd in 1890 de eerste premier van West-Australië, de enige premier van West-Australië als kolonie met zelfbestuur. Zijn bewind zorgde voor tien jaar stabiliteit in een periode van snelle ontwikkeling en demografische groei. Hij liet grootschalige openbare werken uitvoeren en bracht omvangrijke gebieden in cultuur. Forrest zorgde er voor dat West-Australië zich aansloot bij het Australische gemenebest. Hij maakte daarna deel uit van het federale Australische politieke establishment. Hij werd achtereenvolgens minister van communicatie (postmaster-general), minister van defensie, minister van binnenlandse zaken, minister van financiën en waarnemend eerste minister. Van 1901 tot 1906 was hij verbonden aan de Protectionist Party, van 1906 tot 1909 aan de West-Australian Party, van 1909 tot 1917 aan de Commonwealth Liberal Party en van 1917 tot 1918 aan de Nationalist Party of Australia.
Kort voor zijn dood ontving Forrest het bericht dat hij als Baron Forrest van Bunbury werd opgenomen in de Britse adelstand.
Vroege jaren John Forrest was een van tien kinderen van William en Margaret Forrest. Het koppel emigreerde in 1842, als huispersoneel van Dr. John Ferguson, naar West-Australië. Forrest werd geboren op Preston Point nabij Bunbury, in wat toen de Britse kolonie West-Australië was. Binnen de familie stond hij bekend als "Jack". Alexander Forrest en David Forrest waren twee van zijn zeven broers. John Forrest ging tot zijn twaalfde naar de staatsschool in Bunbury en had John Hislop als leerkracht.Hislop was de eerste ex-gevangene die in West-Australië tot leerkracht werd benoemd. Hij werd vervolgens naar Perth gezonden waar hij vanaf januari 1860 aan de Bishop's Collegiate School onderwijs volgde.Sinds 1876 heet de school Hale School. Het is het oudste jongensinternaat van West-Australië.
In november 1863 ging Forrest als leerjongen in dienst bij Thomas Carey, een landmeter die voor de overheid werkte. Toen hij in november 1865 zijn leerperiode beëindigde, werd hij de eerste in de kolonie geboren en opgeleide landmeter. Hij startte zijn carrière bij de overheid, voor het departement ruimtelijke ordening (Engels: Lands and Surveys Department).
Forrest trouwde 2 september 1876 in Perth met Margaret Elvire Hamersley. De familie Hamersley was een rijke familie en het huwelijk betekende voor Forrest een stap omhoog op de sociale en financiële ladder. Tot hun beider teleurstelling bleef het huwelijk echter kinderloos.
Ontdekkingsreizen miniatuur|rechts|John Forrests expedities Tussen 1869 en 1874 leidde Forrest drie expedities naar het gebieden in de West-Australische kolonie die nog niet in kaart gebracht waren. In 1869 leidde hij de vruchtloze zoektocht naar de ontdekkingsreiziger Ludwig Leichhardt in de woestijn ten westen van het latere plaatsje Leonora. Het daaropvolgende jaar bracht hij Edward John Eyre's route van Perth naar Adelaide in kaart. In 1874 leidde hij een expeditie naar de Murchison en vervolgens verder oostwaarts door de onbekende centrale woestenij van West-Australië. Forrest publiceerde in 1875 Explorations in Australia, een verslag van zijn expedities. In 1882 werd hij voor zijn hulp bij het verkennen van het binnenland tot commandant in de Orde van Sint-Michaël en Sint-George (CMG) verheven door koningin Victoria.
De zoektocht naar Ludwig Leichhardt In maart 1869 werd Forrest gevraagd een zoektocht te leiden naar de sinds april 1848 vermiste Ludwig Leichhardt. Enkele jaren voordien hadden Aborigines de ontdekkingsreiziger Charles Cooke Hunt verteld dat een groep blanke mannen door Aborigines vermoord was. Later bevestigde een aboriginesgids genaamd Jemmy Mungaro het verhaal. Hij beweerde er bij te zijn geweest. Men ging ervan uit dat het om Leichhardts expeditie ging. Forrest werd gevraagd een expeditie te leiden naar de plaats van het gebeuren, met Mungaro als gids, om er bewijzen te zoeken over Leichhardts lot.
Forrest verzamelde zes mensen rond zich, waaronder de aboriginesgidsen Mungaro en Tommy Windich. Ze verlieten Perth op 15 april 1869 en reisden naar het noordoosten. Ze vertrokken op 26 april uit het meest afgelegen schapenstation. Op 6 mei ontmoetten ze een groep Aborigines die hen aanboden hen naar een plaats te leiden waar veel resten van paarden lagen. Forrests expeditie volgde de Aborigines in noordelijke richting maar na een week werd duidelijk dat ze richting Poison Rocks gingen. Daar had ontdekkingsreiziger Robert Austin in 1854 elf uitgeputte paarden achtergelaten. Forrest richtte zich vervolgens weer naar zijn oorspronkelijke, door Mungaro aangegeven, doel.
De expeditieleden arriveerden op 28 mei op de plaats die ze wensten te onderzoeken. Ze zochten drie weken lang naar aanwijzingen over Leichardts lot, in een vijftienduizend vierkante kilometer groot woestijngebied, ten westen van het latere Leonora. Ze vonden niets en Mungaro gaf toe dat hij niet bij de feiten was aanwezig geweest. Ze beslisten daarop oostwaarts te trekken, zover als hun overblijvende voorraad toeliet. Op 2 juli, na zover als het latere plaatsje Laverton te zijn geraakt, keerde de expeditie langs een meer noordelijk gelegen route terug. Op 6 augustus arriveerden ze in Perth.
De expeditie was honderddertien dagen onderweg geweest. Ze had volgens Forrests berekeningen drieduizendzeshonderd kilometer, door meestal onbekend woestijngebied, afgelegd. Ze had geen spoor van Leichhardt gevonden. Het gebied werd ongeschikt voor landbouw of veeteelt bevonden. Forrest vermeldde wel dat zijn kompas invloed van mineralen in de ondergrond ondervonden had. Hij stelde voor dat de overheid geologen naar het gebied zou sturen om het te onderzoeken. Uiteindelijk bracht de expeditie niet veel op maar ze versterkte Forrests reputatie bij zijn oversten en de koloniale gemeenschap wel.
Grote Australische Bocht Eind 1869 werd Forrest aangeduid om een landroute langs de Grote Australische Bocht te verkennen. De route zou de kolonies van West- en Zuid-Australië verbinden. Edward John Eyre had de oversteek dertig jaar eerder reeds ondernomen. Zijn expeditie was slecht voorbereid en uitgerust. Eyre had er door een tekort aan drinkbaar water bijna het leven bij gelaten. Forrests expeditie zou Eyres route volgen maar beter voorbereid en uitgerust zijn. Daarenboven maakte de recente ontdekking van veilige aanmeerplaatsen in Israelite Bay en Eucla het mogelijk om Forrests expeditie onderweg te bevoorraden. De schoener Adur werd daarvoor gecharterd. Forrests opdracht bestond erin een route uit te tekenen en op te meten die kon gebruikt worden om de kolonies middels een telegraaflijn te verbinden. Hij diende ook na te gaan of het land geschikt was voor extensieve veeteelt.In Australië wordt de term 'pastoralisme' gebruikt om extensieve veeteelt aan te duiden. De veetelers zijn dan 'pastoralisten'.
Forrests expeditie bestond uit zes leden. Zijn broer Alexander was zijn rechterhand. Politieagent Hector Neil McLarty, hoefsmid William Osborn en de gidsen Windich en Billy Noongale vervolledigden het team. Ze hadden vijftien paarden bij zich. De expeditie vertrok op 30 maart 1870 uit Perth en kwam op 24 april toe in Esperance. Het regende geregeld hevig tijdens de tocht.
Na een rustperiode en bevoorrading vertrok de expeditie op 9 mei uit Esperance. Ze kwam negen dagen later in Israelite Bay aan. De expeditieleden vonden onderweg zeer weinig voedsel voor de paarden, en geen permanente waterbronnen, maar slaagden erin voldoende regenwater in plassen in rotsholten te vinden. Ze werden verplicht zich naar de plaats, waar Eyre in 1841 water had gevonden, te haasten, meer dan tweehonderdveertig kilometer verder. Ze vonden er water en verkenden de omgeving. Ze bereikten Eucla uiteindelijk op 2 juli. In Eucla bevoorraden ze zich en verkenden het binnenland waar ze goede weidegronden vonden. Op 14 juli vertrokken ze voor de laatste etappe van de expeditie, door het onbewoonde gebied tussen Eucla en het eerste Zuid-Australische veestation. Tijdens die laatste etappe vonden ze amper water en dienden vijf dagen en nachten door te reizen. Ze ontmoetten de eerste tekenen van beschaving op 18 juli en bereikten Adelaide op 27 augustus.
Een week later gingen ze aan boord van een schip richting West-Australië en bereikten Perth op 27 september. Ze werden met twee recepties geëerd. Een receptie werd georganiseerd door de Perth City Council en de andere receptie, een burgerbanket, vond plaats in de Horse and Groom Tavern. Tijdens zijn toespraken was Forrest bescheiden en bracht hulde aan de inspanningen van de expeditieleden. Hij verdeelde een overheidsdonatie onder hen.
Forrests tocht langs de Grote Australische Bocht was een van de best georganiseerde en geleidde expedities van die tijd. Als een gevolg daarvan deed de expeditie de tocht in vijf maanden, in goede gezondheid en zonder één paard te verliezen. Dit in tegenstelling tot Eyre die er twaalf maanden over deed. In dat opzicht was de expeditie een succes.
De tastbare resultaten waren echter minder positief. De expeditie was niet ver van Eyres route afgeweken en hoewel ze een groot gebied verkend had vond ze slechts een klein gebied dat geschikt was als weidegrond. Forrest keerde met een tweede expeditie, bestaande uit dezelfde mensen, terug naar het gebied tussen augustus en november 1871. Ze vond bijkomende weidegronden ten noordnoordoosten van Esperance.
Het centrum van West-Australië miniatuur|rechts|Forrests expeditie verlaat Perth, 1874 In augustus 1872 werd Forrest gevraagd een expeditie vanuit Geraldton naar de bron van de Murchison te leiden en vervolgens verder oostwaarts, door het onbekende centrum van West-Australië, tot aan de telegraaflijn die Darwin met Adelaide verbond. Het doel was de aard van het centrum van West-Australië en nieuwe weidegrond voor extensieve veeteelt te ontdekken.
Forrests expeditie bestond wederom uit zes leden, waaronder zijn broer Alexander en de gids Windich. Ze namen twintig paarden en voedselvoorraad voor acht maanden met zich mee. De expeditie vertrok in Geraldton op 1 april 1874. Ze ontmoetten het laatste veestation twee weken later. Op 3 mei betraden de expeditieleden het onbekende gebied. Ze ontdekten geschikte weidegronden in de omgeving van de bovenloop van de Murchison. Tegen eind mei reisden ze echter door droog gebied en vonden moeilijk drinkwater. Gelukkig ontdekten ze op 2 juni Weld Springs, volgens Forrest "een van de beste bronnen van de kolonie". Op 13 juni werd de expeditie er aangevallen door een grote groep Aborigines waarop Forrest er een aantal beschoot.
Voorbij Weld Springs werd het weer moeilijker om drinkwater te vinden en tegen 4 juli overleefde de expeditie dankzij occasionele regenbuien. Tegen 2 augustus bevonden de expeditieleden zich in kritieke toestand door het drinkwatertekort. Ze hadden reeds een aantal paarden achtergelaten. Forrests notities geven aan dat de expeditieleden zichzelf op dat moment weinig overlevingskansen toeschreven. Enkele dagen later werden ze gered door een regenbui. Op 23 augustus bevonden de expeditieleden zich weer in dezelfde kritieke situatie. De helft van de paarden was op sterven na dood toen ze Elder Springs ontdekten.