De Deutscher Ostmarkenverein was een Duitse radicale,Eley 1990, blz. 43 extreem-nationalistischeCraig 1999, blz.289 en xenofobischeFulbrook 2000, blz. 47-48 organisatie. Haar belangrijkste doelen waren de bevordering van de verduitsing van de Polen in Pruisen en de vernietiging van de Poolse identiteit in hun woongebieden, de Pruisische oostprovincies.Evans 2004, blz. 45-47 De organisatie werd in 1934 op last van Adolf Hitler opgeheven en vervangen door de nationaalsocialistische Bund Deutscher Osten.Stern 1961, blz. 199–215

Achtergrond thumb|left|Otto von Bismarck De voorheen Poolse provincies West-Pruisen en Posen waren tussen 1772 en 1814 in het koninkrijk Pruisen opgenomen. Aanvankelijk werd een tweetalig bestuur in stand gehouden maar de druk om naar een nationale staat met één bestuurstaal - het Duits - toe te groeien werd groter, vooral na de actieve deelname van Polen uit de genoemde provincies int de opstanden tegen het Russisch gezag in de overige delen van Polen. De Russische tsaren eisten van de Pruisische koningen solidariteit in het onderdrukken van deze 'bedreiging' van het Europese statensysteem zoals dat in 1815 in Wenen was vastgelegd. Na de Duitse eenwording in 1870 werd de Poolse aanwezigheid in Pruisen temeer een probleem toen de Pruisische Polen zich politiek gingen organiseren en met andere nationale minderheden als Elzassers, Lotharingers en Denen een op nationale rechten afgestemd gemeenschappelijk programma zochten te formuleren. Bij de 'Pruisische' Polen werd het probleem van de Duitse nationale staatsvorming urgenter toen na 1870 de nieuwe Duitse staat ook in conflict kwam met hun kerk: de Rooms-Katholieke Kerk, die weigerde om haar gezag over het onderwijs en over de benoeming van geestelijken te delen met de staat. Dat leidde tot de zogenaamde Kulturkampf in de jaren zeventig en tachtig die overigens ook in Frankrijk speelde en ook daar tot de opheffing van kloosterorden en hun onderwijsinstellingen voerde. In Duitsland werden verantwoordelijke bisschoppen en ook politiek actieve dorpsgeestelijken gedwongen de uitoefening van hun ambt op te geven. Na het midden van de jaren negentig, toen na concessies door Rome de strijd werd gestaakt, werd ze in het oosten voortgezet want daar had de katholieke geestelijkheid de taak op zich genomen om met de zielzorg het Poolse nationale bewustzijn te beschermen en te bevorderen. Inmiddels was het aantal Duitstaligen - in Posen een derde en in West-Pruisen twee derde van de bevolking - in de loop van de eeuw gestaag afgenomen en zag de regering in Berlijn een 'nationaal probleem' groeien. Zij besloot het Pools te verbieden in het openbaar bestuur, het verenigingswezen en het onderwijs, hoewel zij het in de kerk onaangetast moest laten. Ook de emigratie van Duitstaligen - boeren maar vooral ambtenaren - werd naar deze streken bevorderd maar dat vergrootte voorlopig de tegenstellingen. Een en ander vond plaats tegen de achtergrond van de vestiging van een Duits koloniaal imperium.Frankel 2004, blz. 41

De Poolse kwestie bleef tot zijn pensionering belangrijk voor von Bismarck, die de Kulturkampf en ook de beperking van het gebruik van de Poolse taal als beleidsdoelen van de hoogste prioriteit had geïntroduceerd. Met het einde van von Bismarck's heerschappij en de benoeming van zijn opvolger Leo von Caprivi in 1890, werd de nadruk minder op het germaniseringsproces gelegd.Ames 2005, blz. 79-90 De uitwijzing van tienduizenden Poolse arbeiders vanuit de Russische en Oostenrijkse provincies van Polen, waarvan Duitse grootgrondbezitters en industriëlen profiteerden omdat Polen lage lonen accepteerden en zich politiek afzijdig hielden, werd door de conservatieven in Berlijn niet toegejuicht, terwijl de beconcurreerde Duitse arbeiders deze maatregel juist steunden. Lecture 6: Poland 1864–1914" (2004) . Nationalism and Communism in East Central Europe. University of Kansas. [Geraadpleegd op 21 mei 2019]. Gearchiveerd op 28 mei 2020.Eley 1990, blz. 58–67

Ontstaansgeschiedenis thumb|Heinrich von Tiedemann-Seeheim In dit maatschappelijke milieu werden een aantal nationalistische organisaties en belangenorganisaties onder de zogenoemde Nationale Verbände opgericht.Eley 1990, blz. VII Veel landeigenaren vreesden dat hun belangen door deze organisaties niet goed genoeg vertegenwoordig zouden worden. De agrarische oppositie, geleid door Ferdinand von Hansemann en andere grootgrondbezitters, organiseerde op 16 september 1894 een mars van 1700 landeigenaren uit Posen naar het landhuis van Otto von Bismarck bij Varzin. Hiermee wilde de organisatoren Von Bismarck tot een zichtbare symbool in een grote demonstratie maken, de Duitse populatie in de Ostmark verenigen in een groter front, het patriotisme aanwakkeren, de belangen van Oost-Pruisen voor het hele Duitse Rijk zichtbaar maken en bovendien te fungeren als een waarschuwing aan het adres van de Rijkskanselarij en het Keizerlijke Paleis.

In navolging van deze manifestatie, besloten Ferdinand von Hansemann, Hermann Kennemann en Heinrich von Tiedemann om op 3 november 1894 de Verein zur Förderung des Deutschtums in den Ostmarken in Posen op te richten. De naamswijziging naar Deutscher Ostmarkenverein vond in 1899 plaats. De organisatie stond onofficieel bekend als H-K-TVerein, naar de achterletters van de drie oprichters. Aanhangers van de organisatie werden daarom (vooral door de Polen) ook Hakatisten genoemd. Het motto van de Hakatisten was:

Tijdens de openingsvergadering in 1894 werd een vergaderingsamenstelling en een algemeen comité bestaande uit 227 leden, waaronder 104 uit de provincie Posen en de provincie West-Pruisen en nog 113 uit andere delen van het Duitse rijk, gekozen.

Het hoofdkwartier in Posen verhuisde in 1896 naar Berlijn. Vijf jaar later stond het ledenaantal op 21.000 en in 1913 op 48.000, hoewel een aantal auteurs beweren dat het ledenaantal toen op 220.000 stond.Blackbourn 2003, blz.324

In tegenstelling tot veel vergelijkbare nationalistische organisaties die in die periode werden opgericht, genoot de Ostmarkenverein relatief nauwe banden met de regering en het lokale bestuur, waardoor de organisatie grotendeels succesvol was. De Ostmarkenverein verzette zich wel tegen Rijkskanselier Theobald von Bethmann Hollweg, die streefde naar modus vivendi met de Polen, en Leo von Caprivi's beleid van versoepeling van anti-Poolse maatregelen. Hoewel van beperkte betekenis en vaak overschat, vormde de organisatie een belangrijk onderdeel van het Duitse antidemocratische pluralistische deel van het politieke landschap van het wilhelminische tijdperk.Fulbrook; Breuilly 1997, blz. 203–206 De beweging onderhield nauwe banden met zowel de Deutschkonservative Partei als Nationalliberale Partei. Acht van de 30 Reichstag-afgevaardigden die tussen 1894 en 1908 bij de Ostmarkenverein hoorden, waren leden van de Deutschkonservative Partei.Tilse 2011, blz. 36

Standpunten Officieel was het doel van de Ostmarkenverein om "het Duits nationalisme in de Ostmark te versterken en verenigen door de heropleving en consolidatie van het Duitse nationale gevoel en de economische versterking van het Duitse volk in het gebied te stimuleren". Echter, bleken deze doelen in de realiteit meer van anti-Poolse aard, namelijk de bevordering van verduitsing omdat de Polen een bedreiging vormden voor de Duitse nationale en culturele integriteit en de veiligheid van de grenzen in het oosten. De vijandigheid die de door velen Hakatisten voor de Polen voelden was gebaseerd op ras. Hoewel Von Bismarck vijandig tegenover het Poolse beleid van Leo von Caprivi stond en nooit een goed woord over de Polen gesproken heeft, was zijn animositeit gebaseerd op staatsredenen en niet op raciale vooroordelen. De Haketisten waren hier van op de hoogte en bagatelliseerden regelmatig Von Bismarck's "ouderwetse noties". Ondanks dit gegeven onderhielden de Haketisten en Von Bismarck nauwe banden.

De propagandistische redenering achter de vorming van de Ostmarkenverein werd gepresenteerd als een nationale Pools-Duitse strijd om de nationaal niet loyale Polen te assimileren. Er werd geargumenteerd dat het Duitse volk twee keuzes had: of de Polen worden met succes verduitst of de Duitsers in het oosten zullen gepoloniseerd gaan worden.Bullivant; Giles; Pape 1999, blz. 27 tussen "oostelijke barbaarsheid" en de "Europese cultuur".

Organisatie De Ostmarkenverein was georganiseerd rondom de persoonlijke leiderschap van Heinrich von Tiedemann. Deze organisatie werd gekenmerkt door aanmatigend autocratische centralisme. Al het verkeer binnen de administratie ging door zijn handen, inclusief de relaties met de overheid en die met de provinciale secretariaten in Posen, Graudenz, Königsberg en Breslau. Hij drong aan op de strikte onderschikking van de voltijdse officieren en hield er een obsessieve verplichting tot geheimhouding op na. Hij beschouwde de afdelingsvoorzitters als loutere agenten van zijn wil en tolereerde nauwelijks enig autonoom lokaal initiatief.

Sociale basis De sociale basis van de pas opgerichte organisatie in 1894 was breed en omvatte een groot aantal mensen. Ongeveer 60% van de vertegenwoordigers van gebieden in Duitsland die voornamelijk door Polen werden bewoond, waren de Pruisische jonkers, de aangelande aristocratie, meestal met oude feodale wortels. De rest bestond uit alle groepen Duitsers uit de middenklasse; ambtenaren (30%), leraren (25%), handelaars, ambachtslieden, protestantse priesters en griffiers.

De leiderschap van de organisatie kwam uit een milieu van Pruisische jonkers en landeigenaren. Echter kwam juist uit deze hoek de meeste weerstand. In eerste instantie hadden de conservatieven van de Pruisische aristocratie hun bedenkingen over de organisatie, maar zij werd in de loop van de tijd actief tegengewerkt door velen van hen. De Ostmarkenverein verzette zich tegen elke immigratie van Polen van het Russische Polen naar Pruisen, terwijl de jonkers juist geld verdienden door seizoensarbeiders vanuit het Russische deel van Polen aan te trekken. Ook de Duitse boeren die voor nieuw opgerichte dorpen in het oosten werden aangeworven door de Königlich Preußische Ansiedlungskommission in den Provinzen Westpreußen und Posen profiteerden rechtstreeks van de 'Polenpolitik'. In de praktijk hadden Polen en Duitsers veel belangen gemeenschappelijk en negeerden zij de nationaal-principiële doelstellingen van de Hakatisten en hun Ostmarkenverein. Een rooms-katholieke minderheid onder de Duitsers, deels tweetaligen, gedroeg zich in feite 'bi-nationaal'.

Dit maakte de Ostmarkenverein tot een organisatie die voornamelijk werd gevormd door de Duitse bourgeoisieAlter 1995, blz.28 en de middenklasse-ambtenaren van het lokale bestuur en niet de Pruisische jonkers.Holborn 1982, blz. 352–355 Andere opvallende groep aanhangers waren de lokale ambachtslieden en zakenlui, wier belangen in gevaar waren gebracht door de Poolse Organische Arbeit. De leden kwamen voort uit alle lagen van de Duitse maatschappij:

26,6%: Ambtenaren 17,6%: Vakmensen 15,7%: Ondernemers 14%: Leerkrachten 10,7%: Landeigenaren 6,5%: Andere beroepen 4,2%: Geestelijkheid 2,7%: Legerofficieren 1,3%: Werklozen 0,7%: Huurders

Invloeden op de maatschappij thumb|vrouw in traditionele Duitse kleding. Posen, circa 1902. Het betrof hier de bewoners van voorheen Duitstalige dorpen, die in het begin van de 19de eeuw door de katholieke kerk en haar onderwijs waren gepoloniseerd. Zij werden in de Duitse propaganda als voorbeeld tentoongesteld om te waarschuwen tegen de 'dreigende polonisering'.