Het Koningin Emmaplein is een plein en rotonde aan de rand van het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. Het drukke verkeersplein maakt deel uit van de Maastrichtse singelring. Het plein wordt gedomineerd door de Sint-Lambertuskerk en heeft een gevarieerde bebouwing van voornamelijk herenhuizen en etagewoningen uit eind 19e, begin 20e eeuw.
Naamgeving, ligging en verkeer Het Koningin Emmaplein is genoemd naar Emma van Waldeck-Pyrmont (1858–1934), die van 1879 tot 1890 koningin-gemalin der Nederlanden was, en van 1890 tot 1898 koningin-regentes. De naam van het plein uit 1903 past in een reeks vernoemingen van leden van het Koninklijk Huis: Willemspark (1881; thans Villapark), Wilhelminasingel (1892) en Julianaplein (1909; thans Keizer Karelplein). Andere singelnamen verwijzen meer in het algemeen naar soevereinen: Prins Bisschopsingel, Hertogsingel, Statensingel en Fransensingel.Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 38: 'Prins Bisschopsingel'; p. 43: 'Hertogsingel'; p. 52: 'Statensingel'; p. 58: 'Fransensingel'; p. 72: 'Wilhelminasingel'.
Het plein ligt aan de westelijke rand van het Maastrichtse stadscentrum en vormt daar de grens tussen de centrumbuurten Kommelkwartier en Statenkwartier, en de buurten Mariaberg en Brusselsepoort in Maastricht-West.Het plein zelf behoort in zijn geheel bij het Statenkwartier; de pleinwanden worden tot de vier aangrenzende buurten gerekend. Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 48. Het plein heeft de vorm van een ruit (eigenlijk een gekanteld vierkant), waarop zes straten aansluiten. Bij de oostelijke en zuidelijke punt zijn dat de Brusselsestraat en de Hertogsingel; aan de westelijke en noordelijke punt sluiten telkens twee straten aan, respectievelijk de Sint Annalaan en de Victor de Stuersstraat, en de Pastoor Habetsstraat en de Statensingel. Laatstgenoemde straat vormt met de Hertogsingel een bijna rechte hoek (iets meer dan 100°); de enige hoek in de Maastrichtse singelring.
Het Koningin Emmaplein ligt min of meer in het verlengde van de Brusselsestraat, eeuwenlang de belangrijkste oost-westroute in Maastricht, die rechtstreeks van en naar de enige Maasovergang bij de Sint Servaasbrug leidde. Als onderdeel van de Ring Maastricht en kruispunt van drukke verkeerswegen is het een van de drukste verkeersknooppunten in Maastricht. Het plein is ingericht als rotonde zonder verkeerslichten, met een rondlopend middendeel voor het doorgaand verkeer en vrijliggende ventwegen daaromheen, die de vierkante vorm van het plein volgen. Het middendeel bestaat uit twee rijbanen (inclusief voorsorteerstroken). Aan twee zijden bevinden zich extra busbanen en bushaltes. De ventwegen zijn voorzien van voetpaden en doen aan twee zijden tevens dienst als fietspaden en parkeerstroken. Tussen de hoofdrijbanen en de ventwegen liggen aan drie zijden groenstroken met bomen en heesters. Midden op het plein ligt een groot, rond plantsoen. Het bestaat uit een grasveld met laagblijvende bomen en segmentboogvormige bloemperken.
Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond het Koningin Emmaplein loopt tot eind 19e eeuw parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd het plein aangelegd als onderdeel van een rustige singelweg, die door de bouw van twee extra Maasbruggen in de tweede helft van de 20e eeuw transformeerde tot een van de hoofdverkeersstructuren in Maastricht.
thumb|Brusselsepoort met stadswal en ravelijn. De blauwe kleur van de gracht suggereert ten onrechte dat er water in stond (Braun & Hogenberg, 1588) thumb|Brusselsepoort met buitenwerken (Maquette van Maastricht, ca. 1750) thumb|Gecompliceerde poorttoegang via bruggen over de avancée (in 1770 gesloopt) en bochtige tunnel door het Brusselsbastion (detail maquette) Vestinggordel (tot 1867) Eind 13e eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur te krap. Door de bouw van een tweede enceinte werden de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden binnen de ommuurde stad gebracht. De muur was pas omstreeks 1500 voltooid.De stadspoorten waren waarschijnlijk ouder dan de muren van de tweede enceinte. Waarschijnlijk werden de poorten al voor 1300 gebouwd. Ze zouden aanvankelijk met elkaar verbonden zijn geweest door een aarden wal met palissades. Zie ook Ubachs/Evers (2005), p. 532, en Morreau (1979), pp. 34, 92. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever). In het westelijk deel verving de Brusselsepoort (ook Nieuwe Tweebergenpoort genoemd) de Oude Tweebergenpoort, die met de te handhaven eerste stadsmuur een functie behield als secundaire verdedigingsgordel. Aan de veldzijde van de nieuwe stadspoort lag een droge gracht, die iets ten oosten van het huidige Koningin Emmaplein liep.Morreau (1979), pp. 6-7, 96.
Na het beleg van Maastricht door Parma in 1579 werd buiten de Brusselsepoort een vrijliggend ravelijn en iets ten zuiden daarvan een avancée aangelegd (A en B op de maquette hiernaast). In 1638 verrees ten noorden van het ravelijn het Brusselsehoornwerk (C). In de 16e en 17e eeuw werden op strategische plaatsen achter de stadsmuur cavaliers of katten opgeworpen, verhoogde platforms met ruimte voor extra geschut. De uit 1636 daterende kat op het poortravelijn bij de Brusselsepoort werd in 1686 vervangen door een halfronde kat op het bastion Brussel. De kat bleek in 1748 de kleinste van de stad met ruimte voor drie kanonnen.Morreau (1979), p. 99. Binnen de stadsmuren lag bij de Brusselsepoort een kazerne.
Dat deze buitenwerken bij lange na niet voldeden bleek bij het beleg van 1673, toen de stad in minder dan twee weken door Lodewijk XIV werd ingenomen. De Franse vestingbouwer Vauban stelde diverse verbeteringen voor, waarvan een deel tijdens de vijf jaar durende bezetting werd gerealiseerd. Enkele tientallen meters buiten de Brusselsepoort kwam in 1674/75 het lunet Condé (D) tot stand.Morreau (1979), pp. 155-163. In 1686 verving het Brusselsebastion (A) het poortravelijn. Twee jaar later verrees zuidelijk hiervan het bastion Engeland (E).Morreau (1979), pp. 74-76. Op de door de Fransen omstreeks 1750 gebouwde Maquette van Maastricht zijn deze werken duidelijk te herkennen.
Kort na het vertrek van de Fransen presenteerde militair ingenieur Pieter de la Rive (1694-1771) zijn ambitieuze plannen voor de modernisering van de vestingwerken op de linker Maasoever. Bij de Brusselsepoort verdween de avancée en het hoornwerk, en verrezen in 1771/72 drie nieuwe werken: voor het Brusselsebastion de couvre-face Raad van State, aan de noordzijde het bastion Staten-Generaal en ten zuiden van het vernieuwde lunet Condé het lunet Vroenhof.Morreau (1979), pp. 179-190.
In 1772 volgde Carel Diederik du Moulin (1728-1793) De la Rive op als directeur van het Departement van Fortificatiën van Overmaze, waaronder de vesting Maastricht ressorteerde. Ook hij maakte plannen om de Hoge Fronten te verbeteren, met name het deel tussen de Brusselsepoort en de Lindenkruispoort, vanaf 1773 door zijn opvolger François de Veye uitgevoerd (Linie van Du Moulin). Bij de Brusselsepoort werden verbeteringen aan bestaande vestingwerken uitgevoerd, waarbij het lunet Condé werd vervangen door de couvre-face Louise (1775) en ten noorden daarvan het lunet Utrecht (1773) werd gebouwd.Morreau (1979), pp. 191-204. De in de 17e en 18e eeuw tot stand gekomen buitenwerken in de Hoge Fronten waren alle voorzien van een uitgebreid mijnenstelsel. Deze zogenaamde "kazematten" (Maastrichts: "katsj"), merendeels uit de tweede helft van de 18e eeuw, zijn onder het Koningin Emmaplein en de aanpalende buurten vrijwel ongeschonden bewaard gebleven en waren tijdens de Tweede Wereldoorlog als schuilgelegenheid in gebruik.Morreau (1979), pp. 283-318.
thumb|Deels voltooide singelstructuur, ca. 1895, met onbebouwde Statensingel, Hertogsingel en Sint Annalaan. Het Emmaplein bestaat nog nauwelijks thumb|Omgeving Koningin Emmaplein met tramlijnen, bebouwde en onbebouwde percelen, 1914 thumb|Het plein met perken gezien naar het centrum, 1910. Rechts de tram
Singelweg (1867–1950) Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 werd de vesting Maastricht in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. De Brusselsepoort en het Brusselsbastion werden in het najaar van 1868 afgebroken; de andere buitenwerken van de Hoge Fronten volgden tussen 1868 en 1925.In de directe omgeving van het Koningin Emmaplein werden de couvre-face Louise (1868) en het bastion Engeland (1869/69) het eerst gesloopt. Daarna volgden het bastion Staten-Generaal (1875/1925), de couvre-face Raad van State (1875/1877/1910), het lunet Vroenhof (1891) en het lunet Utrecht (1911). Morreau (1979), pp. 97, 187-189, 204.
Al in 1867 kwam de ontmantelingscommissie met een eerste schets voor de uitleg van de stad. De gemeente Maastricht kwam in hetzelfde jaar met een "Project van percees en boulevards". Beide plannen gingen uit van een singel- of boulevardstructuur rondom de ontmantelde stad, zoals dat door de rijksingenieur F.W. van Gendt voor de meeste voormalige vestingsteden werd voorgesteld. Van Maastrichtse zijde waren achtereenvolgens de stadsarchitecten A. Cuypers, J.H. Nivel en vanaf 1873 W.J. Brender à Brandis verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen. Pas met laatstgenoemde kwam er schot in de plannen.De trage uitvoering van de plannen kan worden toegeschreven aan de hoge kosten die met het bouwrijp maken van de vestingterreinen gemoeid waren en de moeizame verhouding met het Departement van Oorlog, dat grote delen van de vestingwerken in reserve hield. Ook de krapte van de gemeentegrenzen vormde een belemmering. Daarnaast was Maastricht in de 19e eeuw een relatief arme stad en viel de verkoop van kavels in de Stationsbuurt en het Villapark, waarmee de gemeente hoopte de kosten te dekken, tegen. Martin (2000), pp. 213-214, 238. Begonnen werd met het noordwestelijk deel, aangezien daar de belangrijkste industrieën gevestigd waren, die in die tijd in Maastricht het primaat hadden.Al in 1867 en 1868 deden de drie grootste bedrijven een aanvraag tot uitbreiding van hun fabrieksterreinen op de voormalige vestinggronden. Tot 1881 zou alleen verkoop van gronden aan bedrijven plaatsvinden. Martin (2000), pp. 208-209. Tussen 1874 en 1876 kwamen de huidige Statensingel, Frontensingel en Fransensingel tot stand. Van het zuidelijk deel van de 'boulevard' werd aanvankelijk slechts een klein deel in het Villapark aangelegd; de aanleg van de Hertogsingel moest tot 1891-93 wachten en het westelijk deel van de Prins Bisschopsingel tot 1920.Martin (2000), pp. 201-208, 211-216.Jenniskens (1995), p. 104.