Het Amfitheater van Tours, gelegen in het historische centrum van Tours, achter de Kathedraal van Tours, is een monument waar in de oudheid voorstellingen opgevoerd werden.

Het amfitheater werd gebouwd in de eerste eeuw, in de tijd dat Tours, toen bekend als Caesarodunum, de hoofdstad was van het land van de Turones. De gekozen locatie, op de top van een heuvel aan de rand van het gebied dat toen al verstedelijkt was, beschermde het amfitheater tegen het wassende water van de Loire, was gunstig voor de doorstroming van bezoekers en maakte dat het al van ver te zien was, als pronkstuk dat de macht van de stad symboliseerde. De afmeting van het robuuste bouwwerk met zijn ietwat elliptische vorm was naar schatting 122 meter bij 94 meter. Toen het in de tweede eeuw uitgebreid werd naar 156 bij 134 meter, werd het een van de grootste in zijn soort uit het hele Romeinse Rijk, waardoor het ook wel werd aangeduid als het 'architectonisch monster'. In de elfde eeuw was de kolossale afmeting niet meer in verhouding met de omvang van Caesarodunum en de stadstaat van de Turones. In de derde eeuw werd het omgebouwd tot fort en geïntegreerd in de verdedigingsmuur van het laat-Romeinse Rijk, waarvan het in de eerste helft van de vierde eeuw het belangrijkste onderdeel vormde. In de loop van de middeleeuwen raakte het fort geleidelijk in verval en dienden de overblijfselen als ondergrond voor woningen, waardoor het steeds meer aan het zicht onttrokken werd.

Nadat het tot in de negentiende eeuw in de vergetelheid was geraakt, werd het in 1853 herontdekt, dankzij de archeologische vereniging van Touraine (SAT) toen het klimaat in Frankrijk zeer gunstig was voor wetenschapsgenootschappen en archeologische onderzoeken. De kelders van de woningen die op de verdedigingsmuren gebouwd waren, werden vanaf 1962 tot midden jaren 1970 onderwerp van metingen en onderzoeken. Dit werd in de jaren 2000 aangevuld met een grondige studie van de topografische en architectonische ontwikkeling van de wijk door de eeuwen heen. De toevallige ontdekking in diezelfde tijd van nieuwe, tot dan toe onbekende resten was aanleiding om nog oudere archeologische en bibliografische gegevens weer op te pakken, ze opnieuw te interpreteren om zo de geschiedschrijving van het monument aan te passen. Dit hernieuwde onderzoek, dat onder andere het samenstellen van een plattegrond van het amfitheater op 1/1000 en 1/20 van de ware grootte met zich meebracht, was in 2017 nog gaande.

De overblijfselen van het amfitheater van Tours zitten verborgen onder de huizen van de kanunniken van de kathedraal. De tot kelders omgebouwde vomitoria, soms met 2 boven elkaar gelegen niveaus, zijn ontoegankelijk voor publiek. Alleen de straten getuigen nog van het bestaan van het amfitheater: een straat volgt gedeeltelijk de omtrek van de cavea, een andere loopt bijna dwars door de arena. Deze twee straten tonen duidelijk de omtrek van de arena van noordwest naar noordoost. De waaiervormige kavels van de wijk, goed zichtbaar vanuit de lucht of op een kadastraal plan, evenals de nieuwe delen van de muren aan de zuidkant bevestigen dit. Hoewel sommige huizen die gebouwd zijn op de muren van het amfitheater, geclassificeerd zijn als historisch monument, hebben de overblijfselen van het amfitheater echter geen beschermde status. Het gebied rondom de kathedraal waar het amfitheater zich bevond, maakt daarentegen deel uit van het stadsgezicht dat wel beschermd is.

Het amfitheater in de oude stad Caesarodunum in de vroeg-Romeinse tijd Caesarodunum werd waarschijnlijk gesticht tijdens de regeerperiode van Augustus of Tiberius tussen 10 v.Chr. en 20 of 30 n.Chr. en lag in de vallei tussen de Loire en Cher, het gebied waar nu Tours ligt. Bij de stichting omvatte de stad een gebied dat begrensd werd door de Loire in het noorden, een loodrechte lijn vanaf de Loire via de place de la Victoire en een lijn die het rond-point des Français-Libres in het noordoosten verbond met de kruising Rue Marceau en boulevard Béranger in het zuidwesten. Van dit gebied, dat 80 hectare besloeg, was het gedeelte aan de oevers van de Loire het meest verstedelijkt. Caesarodunum beschikte over openbare monumenten, zo werden er een tempel, twee thermale baden, twee aquaducten, een brug en het amfitheater aangetroffen. Ongetwijfeld zijn er nog meer gebouwen te ontdekken. De stad kende zijn hoogtijdagen tijdens de vroeg-Romeinse tijd in de 2e eeuw, waarna het in het laat-Romeinse Rijk kromp tot het gebied in en rond de vesting, waarvan het amfitheater de basisstructuur vormde.

Een zorgvuldig gekozen locatie miniatuur|Het amfitheater (in bruin) zoals op de huidige plattegrond van de stad.

Het amfitheater is gebouwd in het noordoosten van de oude stad, praktisch aan de rand van de bebouwde kom en pal aan de zuidoostkant van de huidige kathedraal. De keuze voor deze locatie is geen toevallige: hij voldeed aan de topografische, planologische en politieke eisen. Aan de topografische eisen, omdat archeologen na lang discussiëren ervan overtuigd raakten dat het amfitheater op een door de natuur gevormde heuvel gebouwd is. Omdat het amfitheater gedeeltelijk in de heuvel is ingebouwd, hoefden de architecten minder te metselen en kon het zo beter beschermd worden tegen overstromingen. De heuvel van 51 meter hoogte waar het amfitheater op gebouwd is, lag midden op de alluviale vlakte die in de oudheid 41 meter boven het Franse zeeniveau lag en waar Caesarodunum gesticht werd. De locatie voldoet ook aan de planologische eisen omdat, net als in veel Gallo-Romeinse steden, de bouw van het amfitheater van Tours veel ruimte in beslag nam in een stad die al in aanbouw was.

Het bood zoveel plaatsen dat er niet alleen bezoekers uit Caesarodunum konden komen, maar ook van buiten de stad. In 1948 meende Jacques Boussard dat het ongeveer 6000 personen kon ontvangen, en die hypothese werd in 1979 overgenomen door Henri Galinié en Bernard Randoin. Door de vrije ruimte rondom het monument kon een dergelijke mensenmenigte zich voor en na een voorstelling gemakkelijk verplaatsen. Ten slotte was de locatie ook in politiek opzicht geschikt omdat het amfitheater een monument moest zijn dat de stad al van verre zichtbaar maakte en zo de rijkdom en macht van Tours toonde. Dit werd hier bereikt door het monument buiten de dichtbevolkte stad en op een heuvel te bouwen.

De geschiedenis van het monument Studies die tot het einde van de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn uitgevoerd, toonden een relatief homogeen gebouwd monument dat in één enkele periode was gebouwd, mogelijk rond het begin van de 2e eeuw. Een inhuldiging door keizer Hadrianus bij zijn bezoek aan de Touraine in 122 werd zelfs genoemd. Maar door de werkzaamheden die aan het begin van de 20e eeuw waren verricht, kwam er iets heel anders aan het licht: een eerste amfitheater werd namelijk gebouwd in de 1e eeuw, uitgebreid in de 2e eeuw en voorzien van eigen verdedigingswerken in de derde eeuw. Vervolgens werd het rond het jaar 350 gebruikt als basis voor de verdedigingswerken van Tours in het vroeg-Romeinse Rijk. Dit laatste feit, waarvan het reeds bekende principe eerst niet ter discussie werd gesteld, zou nu ook opnieuw geïnterpreteerd worden.

Het oorspronkelijke amfitheater miniatuur|Binnenzijde van de muur van het westelijke vomitorium van het amfitheater op de kruising van het oorspronkelijke deel (achtergrond) en de uitbreiding ervan (voorgrond). miniatuur|left|Toegangstrap tot de arena vanaf het vomitorium aan de zuidwestelijke zijde.

miniatuur|Detail van de toegang tot een van de vomitoriaBovenkant van een sokkel (gegoten kapiteel) en voetstuk van de boog. miniatuur|Boog boven het secundaire zuidwestelijke vomitorium.

Het amfitheater van Caesarodunum behoort tot het oudste soort amfitheaters. Dat heeft niet zozeer te maken met de vroege datering van het monument, maar dit soort wordt als massief gekenschetst, net als de amfitheaters in Samarobriva (Amiens), Octodurus (Martigny, Zwitserland) en Emerita Augusta (Merida, Spanje). In deze bouwwerken worden de cavea niet gedragen door muren en pilaren, zoals wel het geval is in de Arena van Nîmes, maar op een wal die van de buitenkant van het amfitheater schuin afloopt richting de arena. In Tours zou deze wal gedeeltelijk kunnen bestaan uit de afgegraven grond van de heuvel waar de arena op gebouwd is. Toeschouwers moesten plaatsnemen op de met gras begroeide helling, maar de wal kan ook houten tribunes gehad hebben. De ontdekking van deze tribunes zou, als ze al ooit bestaan hebben, heel bijzonder zijn, omdat geen van de gevonden overblijfselen op het bestaan van stenen rijen banken heeft gewezen. Metselwerk is tot het strikte minimum beperkt: de buitenmuur, de muur van de arena, de galerijen van de in- en uitgangen, deels uitgegraven in de heuvel, de trappenhuizen en hooguit enkele steunmuren voor de wal.

Bij de laatste stand van het onderzoek en op basis van documenten die in 2017 gepubliceerd zijn, was de geschatte lengte van het min of meer elliptische amfitheater in de vroegste fase van zijn bestaan 112 meter, en de breedte 94 meter. De geschatte oppervlakte was 8270 m2. De afmetingen van de arena werden geschat op 68 bij 50 meter, met een oppervlakte van 2670 m². De cavea konden minimaal 14.000 toeschouwers herbergen. Het monument beschikte over acht vomitoria. De vier belangrijkste vomitoria leidden naar de arena en naar een nog onbekend gedeelte van de cavea. De andere vier leidden via trappen naar het middelste gedeelte van de cavea en waren voorzien van een grote boog in grof metselverband die op bewerkte kapitelen steunden. De noordelijke en zuidelijke vomitoria hadden een gewelfhoogte tussen de 7,5 en 8 meter en een breedte van 4,90 meter. De westelijke en oostelijke vomitoria, die iets minder imposant waren, hadden een hoogt van 6,80 hoog en een breedte van 2,50. De secundaire vomitoria die toegang gaven tot de tussenliggende trappen zijn nog minder breed. Waarschijnlijk waren er nog acht toegangen, bestaande uit dubbele trappen tegen de buitenmuur van het amfitheater, waarmee het hoogste punt van de cavea bereikt kon worden, net als in Aginnum (Agen) of Segodunum (Rodez), en vergelijkbaar met het amfitheater van Pompeï. De ligging van het amfitheater lijkt overeen te komen met het stratenplan van de stad en de linkeroever van de Loire in de oudheid. De breedteas loopt in westelijke richting en ging over in de weg die waarschijnlijk de decumanus maximus van de stad was, de lengteas liep parallel aan de dwarsstraten.

De ingangen van de vomitoria zijn opgebouwd uit grote blokken die met haakse verbindingen in elkaar zijn gezet. De steunmuren zijn voorzien van bewerkte kapitelen die een romaanse boog dragen. De stadswallen van Tours uit de vroeg-Romeinse tijd bevatten veel herbruikte grote blokken die waarschijnlijk afkomstig zijn uit de gevelmuur van het amfitheater. De rest van het amfitheater, inclusief muren en gewelven, is waarschijnlijk gebouwd van kleine gecementeerde kalkzandstenen (opus vittatum) met onregelmatige voegen, zonder toevoeging van terracotta, die in beton verzonken blokken steen omsloten.

De vroegste vorm van het amfitheater dateert uit de tweede helft van de 1e eeuw, dus ten minste vijftig jaar na de stichting van Caesarodunum. Het lijkt erop dat de meeste monumenten van Tours in deze periode zijn gebouwd. Deze datering zou betekenen dat het amfitheater ongeveer 50 jaar ouder was dan geopperd in andere hypotheses die eerder naar voren werden gebracht. Dit is gebaseerd op een vergelijking van de architectonische elementen van het amfitheater van Tours met die van Amiens, Autun of Saintes, waarvan de datering vaststaat.

Het vergrote amfitheater miniatuur|Detail van het gewelf van de westelijke vomitorium van het uitgebouwde amfitheater. (A) gewelf uit de 1e eeuw. (B) gewelf uit de 2e eeuw. (C) middeleeuwse restauratie.