De Slag om Korsoen-Tsjerkasy vond plaats van 24 januari tot 16 februari 1944 aan het oostfront van de Tweede Wereldoorlog. De veldslag maakte deel uit van het Sovjet Dnjeproffensief. Het 1e en 2e Oekraïense Front, onder leiding van respectievelijk Nikolaj Vatoetin en Ivan Konev, wisten Duitse troepen van Legergroep Zuid te omsingelen in een gebied nabij de rivier Dnjepr. In de weken daarna probeerden de twee fronten de omsingelde Duitse troepen te vernietigen. De Duitsers probeerden tegelijkertijd uit te breken, wat gecombineerd werd met een ontzetting van buitenaf. Dit leidde tot zware verliezen.

De overwinning van de Sovjets in deze veldslag was een succesvolle toepassing van de diepe operatiedoctrine. Volgens deze doctrine moest een doorbraak van de vijandelijke linies gevolgd worden door de inzet van reservetroepen, die moesten doorstoten naar het strategische achterland van de vijand. De levering van grote hoeveelheden Amerikaanse en Britse vrachtwagens en halfrupsvoertuigen gaven de Sovjettroepen meer mobiliteit dan zij daarvoor hadden. Samen met de mogelijkheid van de Sovjets om grote hoeveelheden eenheden in reserve te houden, gaf dit het Rode Leger de gelegenheid om telkens weer tot ver achter de Duitse frontlinie door te dringen.

Hoewel de gevechten niet leidden tot de ineenstorting van het Duitse front, iets waar de Sovjetbevelhebbers op gehoopt hadden, betekenden ze een groot verlies van het aantal troepen en zware wapens dat de Duitsers ter beschikking hadden. Gedurende de rest van de oorlog brachten de Sovjets grote Duitse eenheden in gevaar, terwijl de Duitsers constant moesten reageren op de ene crisis na de andere. Bewegelijke Sovjet offensieven bleven voor de rest van de oorlog het kenmerk van het Oostfront.

Januari 1944 In de herfst van 1943 hadden de Duitse troepen van veldmaarschalk Erich von Manstein's Legergroep Zuid, waaronder het 8e Leger onder generaal Otto Wöhler, zich teruggetrokken naar de Pantherlinie, een defensieve stelling in Oekraïne die de loop van de Dnjepr volgde. Bij aankomst ontdekten de Duitse soldaten dat de aanleg van deze stelling net begonnen was en dat de fortificaties nog niet waren gebouwd.

Op 1 december 1943 braken de Sovjets door de linie en stak het Rode Leger in groten getale de Dnjepr over. Slechts twee legerkorpsen, het 11e onder generaal Wilhelm Stemmermann en het 42e onder luitenant-generaal Theobald Lieb, wisten een saillant in de nieuwe frontlinie bezet te houden. Deze saillant liep ten westen van Tsjerkasy zo'n 100 kilometer naar het aan de Dnjepr gelegen Kanev, met het dorp Korsoen ongeveer in het midden. Het 1e Oekraïense Front bevond zich aan de linkerzijde en het 2e Oekraïense Front aan de rechterzijde.

Maarschalk Georgi Zjoekov realiseerde zich dat dit de ideale gelegenheid was om Wöhlers 8e Leger te vernietigen, gelijk de vernietiging van het 6e Leger tijdens de Slag om Stalingrad. Zjoekov adviseerde het Sovjet-oppercommando (Stavka) om het 1e en 2e Oekraïense Front een tweevoudige omsingeling te laten uitvoeren: een binnenste linie rond de ingesloten Duitsers en een buitenste linie om eventuele ontzettingspogingen te blokkeren. Ondanks herhaalde waarschuwingen van Manstein en anderen weigerde Hitler de kwetsbare troepen terug te trekken.

Generaal Konev hield op 15 januari in zijn hoofdkwartier een bespreking met zijn commandanten en hun politieke commissarissen om de bevelen van Stavka door te geven. De eerste aanval zou vanuit het zuidoosten uitgevoerd worden door het 53e Leger en het 4e Gardeleger, met het 5e Garde Tankleger in reserve om gebruik te kunnen maken van een eventuele doorbraak. In het geval van een noemenswaardige vooruitgang, zouden deze eenheden geholpen worden door het 52e Leger, het 5e Garde Cavaleriekorps en het 2e Tankleger. Vanuit het noordwesten zou de aanval van Konevs 2e Oekraïense Front ondersteund worden door een aanval van het 1e Oekraïense Front van Vatoetin, dat zou aanvallen met het 27e Leger, 40e Leger en het 6e Tankleger.

Omsingeling links|miniatuur|250x250px|Het Sovjetoffensief dat de omsingeling bewerkstelligde. Het Sovjetoffensief begon op 24 januari toen Konevs 2e Oekraïense Front de saillant vanuit het zuidoosten aanviel. Een doorbraak werd al snel bewerkstelligd en werd de volgende dag verder uitgebuit door het 5e Garde Tankleger en het 5e Garde Cavaleriekorps. Ondanks dat het Duitse 8e Leger een aanval verwacht had, werden zij alsnog verrast door de inzet van het nieuw gevormde 6e Tankleger. Deze eenheid, die beschikte over 160 tanks en 50 stuks mobiel geschut, was onervaren. Het duurde daardoor langer om de westelijke flank van de saillant te penetreren. Een mobiele groep, onderdeel van de 233e Tankbrigade van het 5e Gemechaniseerde Korps, wist met 50 tanks en 200 met machinegeweren uitgeruste infanteristen op 28 januari Lysjanka in te nemen en de buitenwijken van Zvenyhorodka te bereiken. Daar ontmoetten ze het 20e Tankkorps van het 2e Oekraïense Front. In de daaropvolgende drie dagen vormden de twee tanklegers een dun bemande buitenste ring, terwijl de binnenste ring werd gevormd door het 27e Leger, 52e Leger en het 4e Gardeleger.

De Sovjetcommandanten waren optimistisch over het verloop van de operatie. Stalin was een tweede Stalingrad beloofd en verwachtte er dus ook een. Konev liet weten: "Maak je maar geen zorgen, Kameraad Stalin. De omsingelde vijand zal niet ontsnappen." In het omsingelde gebied bevonden zich bijna 60.000 troepen van zes Duitse divisies, die elk op ongeveer 55% sterkte zaten, samen met een aantal kleinere eenheden. Onder de omsingelde Duitse troepen bevond ze de 5e SS Pantserdivisie Wiking, met de 5e SS Infanteriebrigade Wallonien, het Estste SS infanteriebataljon Narwa en duizenden Russische hulptroepen. Generaal Wilhelm Stemmermann, de commandant van het 11e Legerkorps, kreeg het bevel over de omsingelde troepen. Deze troepen kregen daardoor de benaming Gruppe Stemmermann. De 5e SS Pantserdivisie, met 11.400 soldaten, had de beschikking over 30 inzetbare Panzer III/IV tanks en mobiel geschut. De divisie had verder 47 artilleriestukken, waarvan er 12 mobiel waren.

Duitse ontzettingspogingen miniatuur|Het begin van de ontzettingspoging. Voertuigen van de 1e Pantserdivisie trekken begin februari 1944 richting de omsingelde troepen. Manstein kwam snel in actie en begin februari stonden het 3e en 47e Pantserkorps klaar om de omsingeling te doorbreken. Hitler greep echter in en gaf het bevel om de aanval te veranderen in een poging om de twee Sovjet legergroepen te omsingelen.

Generaal Hermann Breith, commandant van het 3e Pantserkorps, vroeg toestemming om de ontzettingstroepen samen te voegen en een corridor te vormen naar Gruppe Stemmermann. Dit verzoek werd afgewezen en men probeerde de Sovjetlegers te omsingelen. De aanval van de 11e Pantserdivisie, 47e Pantserkorps, kwam aan de zuidoostelijke flank al snel tot stilstand, omdat er maar 27 tanks en 34 stuks gemechaniseerd geschut inzetbaar waren. Het 3e Pantserkorps bleef proberen door te breken, maar op 8 februari was het voor iedereen duidelijk dat de poging mislukt was. Manstein gaf daarop het bevel voor een rechtstreekse aanval in de richting van de posities van Gruppe Stemmermann. Het reorganiseren en verplaatsen van het 3e Pansterkorps duurde echter drie dagen.

Op 11 februari begon Breith aan een aanval met de 16e en 17e Pantserdivisie langs de Gniloy Tikich rivier. Zij wisten in eerste instantie veel vooruitgang te boeken. Zij werden langs hun noordelijke flank ondersteund door de 1e Pantserdivisie en de 1e SS Pantserdivisie Leibstandarte SS Adolf Hitler. Maar naarmate ze verder de Sovjetposities penetreerden, gaf Zjoekov aan Vatoetin opdracht vier tankkorpsen bijeen te brengen en de Duitse voorhoede af te sneden. Ondertussen begon het warmer te worden, waardoor de wegen veranderden in modderpoelen en de Duitse vooruitgang steeds moeilijker werd. De Sovjets hadden hier minder last van, omdat zij gebruik maakten van vier- en zeswiel aangedreven voertuigen.

Konev gaf opdracht aan het 4e Gardeleger en het 5e Garde Cavaleriekorps om het omsingelde gebied in de nacht van 5 op 6 februari in tweeën te splitsen. De aanval zou zich richten op de plek waar de twee omsingelde Duitse legerkorpsen met elkaar in verbinding stonden. Toen de aanval begon, was de bedoeling ervan al snel duidelijk bij Stemmermann en Lieb. Stemmermann gaf de 5e SS Divisie bevel een tegenaanval uit te voeren. Samen met de 72e Infanteriedivisie brachten de Sovjetaanval tot een halt. Het Rode Leger deed tussen 7 en 10 februari nog een poging, maar deze aanval werd bemoeilijkt door bevoorradingsproblemen. De aanval van het 3e Pantserkorps langs de Gniloy Tikich rivier maakte de aanvoerlijnen van Veatoetin's 6e Tankleger een stuk langer. De Rode Luchtmacht probeerde enkele eenheden via de lucht te bevoorraden. Ondanks deze logistieke problemen slaagden eenheden van het 2e Oekraïense Front erin op 10 februari Korsoen te naderen, waardoor het omsingelde gebied verkleind werd tot een omvang van 9 bij 11 kilometer.

Duitse manoeuvres in het omsingelde gebied Op 11 februari zette het 3e Pantserkorps zijn aanval naar het oosten door. Zij wisten de Gniloy Tikich rivier te bereiken en een klein bruggenhoofd aan de andere oever te vestigen. Zij konden echter niet verder oprukken, wat erop neerkwam dat Gruppe Stemmermann een weg naar buiten zou moeten vechten.

Beide partijen beseften dat de Duitse ontzettingspogingen in een cruciale fase waren beland. Ondanks aanmoedigen door Sovjet propaganda, hadden vrijwel geen omsingelde Duitse militairen zich overgegeven. Zjoekov besloot onderhandelaars te sturen met voorwaarden voor overgave. Maar Stemmermann en Lieb weigerden hiermee in te stemmen.

miniatuur|Junkers Ju 52/3m transportvliegtuigen op het vliegveld van Korsoen, januari 1944. De Duitse luchtmacht zette ondertussen een luchtbrug in voor zowel de omsingelde troepen als de ontzettingsmacht. Op 28 januari zette het 8e Luchtkorps 832 transporttoestellen, 478 bommenwerpers, 58 duikbommenwerpers en 168 jachtvliegtuigen in. Hiervan gingen 32 transportvliegtuigen, 13 bommenwerpers en 5 jachtvliegtuigen verloren. Nadat het vliegveld van Korsoen op 12 februari werd verlaten, werden de voorraden per parachute neergelaten.

De Luftwaffe leverde 314.000 liter benzine, 868 ton munitie en vier ton medische spullen aan de omsingelde troepen en 325 ton munitie, 281.000 liter benzine en 24 ton voedsel aan de voorhoedes van de ontzettingstroepen. Daarnaast evacueerde men 4.161 gewonden vanaf het vliegveld bij Korsoen. De leveringen bezorgden echter maar de helft (78 ton) van de dagelijkse benodigdheden (150 ton) aan de omsingelde troepen.

Stemmermann begon zijn troepen in het noorden van het gebied terug te trekken om een aanval naar het zuiden te kunnen uitvoeren om zo de ontzettingstroepen tegemoet te komen. De omsingelde troepen wilden de dorpen Novo Buda, Komarovka, Khilki en Shanderovka in het zuidwesten innemen zodat ze een goede springplank hadden voor de uitbraakpoging. Op 11 en 12 februari namen elementen van de 72e Infanteriedivisie Novo-Buda en Komarovka in. In de avond van 15 februari wisten ze ook Khilki in te nemen. Van alle Duitse divisies in het omsingelde gebied droeg de 5e SS Pantserdivisie het meeste bij aan de uitbraakpoging, omdat zij de enige mobiele eenheid was en hierdoor snel verplaatst kon worden om mogelijke doorbraken van de Sovjets te stoppen.

Het omsingelde gebied was naar het zuiden verplaatst en bevond zich nu nabij het dorp Shanderovka. Deze nederzetting werd ingenomen door troepen van de 72e Infanteriedivisie, daarna heroverd door eenheden van het Sovjet 27e Leger en uiteindelijk opnieuw veroverd door het regiment Germania van de 5e SS Pantserdivisie. Bij het vallen van de nacht op 16 februari was het 3e Pantserkorps de voorhoede van Gruppe Stemmermann tot op zeven kilometer genaderd.

Uitbraakpoging miniatuur|Drukte op de wegen.