Conrebbersweg is een woonwijk in Emden, genoemd naar een laatmiddeleeuwse konings- of handelsweg in Oost-Friesland.

De oorspronkelijke Conrebbersweg (ook wel Konrebbersweg) is op zijn beurt genoemd naar de legendarische 8e-eeuwse Friese koning Radboud. Er waren meerdere wegen die deze naam droegen; daarnaast zijn er in Oost-Friesland enkele Radbodsbergen, waar Radboud volgens de sagen begraven zou zijn.

De Conrebbersweg liep vanaf het haventje bij de Knock aan de Eems naar Emden via de voormalige herberg Doodshörn, Leegeweg 100A te Emden-Twixlum. (tegenwoordige een boerderij) bij Twixlum, waar een brug over het Knockstertief lag. Volgens een bericht uit 1831 liep hij vanaf dat punt vijf kwartier gaans (6 à 7 km) kaarsrecht naar het oosten, om dan naar Emden af te buigen.Fridrich Arends, ‘Die alten Wege in Ostfriesland’, in: Neues Vaterländisches Archiv (1831), dl. 1, p. 36-96, hier p. 39. De Conrebbersweg is nog altijd voorhanden; hij wordt onderbroken door de rondweg rond Emden en eindigt in de gelijknamige stadswijk.Ostfriesische Landschaft: Flurnamensammlung, trefwoord Conrebbersweg (geraadpleegd 28 november 2023). Dit betreft wegtracés in het dorpsgebied van Twixlum en Larrelt. Het eerste deel van de Conrebbersweg bij Rysum en Loquard, zoals afgebeeld op 16e-eeuwse kaarten, is niet traceerbaar.

Volgens de sagen werden de Radboudswegen gebruikt door koning Radboud en had hij ze laten aanleggen. Een 19e-eeuwse theorie stelt dat deze wegen naar de middeleeuwse vergaderplaats bij de Upstalsboom leidden. Een andere theorie stelt dat het om heilige wegen uit de prehistorie gaat. Veel van deze verhalen moeten echter met een flinke korrel zout worden genomen.

De archeoloog Herre Halbertsma stelt dat de Konrebbers- of Roboderwegen in de regel "van niets naar nergens lopen".Herrius Halbertsma, Frieslands oudheid. Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, Utrecht 2000, p. 246. Het ging volgens hem om dichtgeslibde riviertjes, natuurlijke kreekruggen of zandruggen die waren verborgen onder het veen.

In de meeste gevallen, zoals de Conrebbersweg bij Emden, was echter wel degelijk sprake van een herkenbaar wegtracé. De Conrebbersweg was 8 tot 10 meter breed en voorzien van sloten aan weerszijden. Hij maakte vermoedelijk deel uit van een middeleeuwse handelsweg of Stadsweg van Emden naar Groningen, waarlangs ten minste sinds de 15e eeuw veetransporten plaatsvonden. Aurich was een belangrijke markt voor rundvee, dat in de nazomer naar Groningen werd gedreven om daar voor de verkoop te worden afgemest. De oversteekplaats bij de Knock (Knocka) wordt al genoemd in 1285, het veer bij Oterdum in 1451, het haventje ter Koncken in 1464.

Ook de middeleeuwse handelsweg of Oldeweg van Emden naar Leer staat sinds de 18e eeuw bekend als Conrebbersweg.In 1564 was uitsluitend sprake van den olden wech. Johann Hermann Diedrich Möhlmann, Kritik der Friesischen Geschichtschreibung überhaupt und der des Dr. Onno Klopp insbesondere, Emden 1863, p. 184.Ostfriesische Landschaft: Flurnamensammlung, trefwoorden Conrebbersweg (von Emden nach Leer) en Tergast, Alter weg (geraadpleegd 28 november 2023). Deze maakte oorspronkelijk deel uit van de zogenaamde , die in de middeleeuwen van Münster via Rheine naar Emden en vandaar naar Norden leidde. Oudfriese teksten uit de 11e of 12e eeuw maken al melding van drie handelswegen die vanuit het binnenland naar de steden Stavoren, Emden en Jever liepen. Deze Friese weg speelde eveneens een belangrijke rol bij de veehandel. Een nevenroute was kennelijk de Tjaddeweg in het Rheiderland, die vanaf Jemgumkloster tot Ditzum te reconstrueren is, maar oorspronkelijk mogelijk doorliep tot Nesserland bij Emden.

Ook de Lüdeweg of Knechteweg, die van Papenburg via Völlen, Ihrhove en Breinermoor door het laagland achter de Eemsoever liep, stond soms bekend als Conrebbersweg. Hij sloot aan bij de handelsweg tussen Leer en Oldenburg. Aan deze handelswegen herinnert de straatnaam Conrebbersweg te Ihrhove, Leer en Neermoor.

Bij de kasteelruïne van de in het huidige Wilhelmshaven bevond zich volgens een kaart uit 1692 een voormalige landweg die K[önig] Robotes of Robodes wech werd genoemd en zuidwaarts naar de Robodes Werff liep.Georg Sello, ‘Radbod-Erinnerungen’, in: Upstalsboom-Blätter 10 (Emden 1921/22), p. 1-16, hier p. 6-7. Waldemar Reinhardt, 'Die Entwicklung der Wasserläufe im Gebiet zwischen Maade und Jadebusen seit dem Mittelalter und ihr Zusammenhang mit dem Deichbau', in: Oldenburger Jahrbuch 103 (2004), p. 9-29, afbeelding op p. 24. Hiernaar is Robodesweg in de wijk genoemd.

Bronnen uit de 19e eeuw maken verder nog melding van een Röbbels- of Rabbelsweg te Manslagt (kennelijk de huidige Rottevallsweg)G. Jansen te Gandersum, 'Geehrte Redaction!', in: Ostfriesisches Monatsblatt 6 (1878), p. 381-382. en van enkele Roboder- of Conrebberswegen in het laagland ten zuidwesten van Aurich. De Rapelsberg bij Varel-, vermeld in 1793, wordt soms in verband gebracht met een middeleeuwse route door het hoogveen.Georg Sello, ‘Radbod-Erinnerungen’, in: Upstalsboom-Blätter 10 (Emden 1921/22), p. 1-16, hier p. 8.

In Hinte werd een nieuwe straat Radbodweg genoemd. Aurich, Berumbur, Norden en Esens hebben een Radbodstraße, Emden een Radbodplatz.

Geschiedenis thumb|Kaart van het verdronken Reiderland uit 1574, hier in de gedrukte versie van Johannes Fabricius, 1592, zoals overgenomen in de atlassen van Joan Blaeu. Boven de Rebberti Regis Via. Elders op de kaart is ook de voortzetting naar Groningen getekend. Een Konig Rebbeldes wech, Rabbodes weg, Redboldes weghe of Rebbyes wech bij Groß-Midlum, Westerhusen en Emden wordt voor het eerst genoemd in 1448.Arend Remmers, Mittelalterliche Flurnamen in Ostfriesland, online-publicatie, Ostfriesische Landschaft, Aurich 2011, p. 52. Eggerik Beninga, Volledige Chronyk van Oostfrieslant, ed. Eilhardus Folkardus Harkenroht, Emden 1723, p. 605 (noot). Hij wordt afgebeeld op de fantasierijke Dollardkaart van Jacob van der Mersch uit 1574 (namelijk als Konink Rebberts wech alias Rubbodi) en op de hierop gebaseerde kaart van Oost-Friesland door Johannes Florianus uit 1592.De originele Dollardkaart uit 1574 is niet bewaard gebleven, wel een gedetailleerde tweedegraads-kopie uit 1574 door de wiskundige Jacob van Cleeff, 1827(Rijksuniversiteit Groningen uklu 01-17-12). De kopie uit de atlas Trifoleum Aureum noemt de weg als Via Koninck Rubberti wech en Via Rabbarti R. De gedrukte van Johannes Florianus uit 1592 (herdr. 1595) heeft de bijschriften Rebberti regis via en Via.

Het verhaal ging dat koning Radboud ooit een burcht op het eiland Bant had bezeten. Dit was een hallig-eiland voor de kust bij Norden, dat in de 17e eeuw in zee is verdronken. Hier zou het beginpunt van de Radboudsweg zijn geweest. Deze sage duikt omstreeks 1550 voor het eerst op bij de kroniekschrijver Eggerik Beninga. Deze schrijft dat Rebbolt, naar wiens naam de weg verwijst, in het Latijn Riggoldus of Rabbodus werd genoemd. Hij was "een wret boese tiranne" van Deense of Noorse afkomst. De Oudfriese bronnen berichten dat hij de inwoners dwong stroppen om hun hals te dragen en lage buitendeuren te bouwen, waardoor ze telkens voor de koning van het Noorden moesten bukken. Vanuit zijn kasteel voer hij naar Noorwegen en weer terug:Bouwede ock ein starck huis in Oestfreeslandt an de sze (zee-) kant by enem vlecke Norden, de Bandt genömet, to welchem he mit schepen to und aff ut Norwegen reysen kunde.Eggerik Beninga, Cronica der Fresen, ed. Louis Hahn en Heinz Ramm, Aurich 1961-1964, dl. 2, p. 806; vgl. p. 809 ("umtrent Norden an den Bandt, dar köninck Rebbolt syn huus getimmert und gewaent hadde"). Zo ook dl. 1, p. 142, 153. De kroniek is pas in 1706 voor het eerst verkorte vorm en in 1723 in zijn geheel uitgegeven.

Een andere kroniekschrijver, Ernst Friedrich von Wicht, bericht omstreeks 1583 dat koning Radboud vanaf zijn kasteel langs de Via Radbodi over het wad en door het water naar het vasteland reisde. Vanaf het eiland kon hij - zo vulden anderen aan - snel wegvluchten naar zijn woonplaats Stavoren of naar het mysterieuze eiland Fosetesland (Helgoland), dat men aanvankelijk op Ameland of Juist, of in de Wezermonding meende te kunnen zoeken.In de vroegmoderne literatuur was er verwarring waar het eiland Fosetesland te zoeken. In Friesland dacht men gewoonlijk aan Ameland, uin Oost-Friesland ook wel aan Juist (waarvan de naam werd verbonden met de god Jovis), elders in Noord-Duitsland eerder aan Helgoland, een mening die zich later in de literatuur heeft doorgezet. Eggerik Beninga dacht aan het gebied tussen Wezer en Elbe en verbasterde de naam Forsterlandt tot Worsterlandt (= Land Wursten).

Of deze verhalen algemeen bekend waren, of dat het om geleerde fantasie ging, weten we niet. Abel Eppens vertelt in 1584 dat het bij onweer flink kon spoken langs de Koninck Rabboti wech bij Emden. Deze Koninck Rebberswech liep volgens hem aan de oostkant van de stad verder langs het Joedenkerckhoff te Uphusen.De kroniek van Abel Eppens tho Equart, 1911, dl. 1, p. 888-889; dl. 2, p. 391. Ook zijn landgenoot Johan Rengers van ten Post kende het verhaal van de Koning Radbods wech, waarlangs de noormannen vanaf de Knock via Larrelt en Groß-Midlum landinwaarts waren getrokken.Johan Rengers van ten Post, Werken, ed. H.O. Feith, Groningen 1852, dl. 1, p. 34. Rengers beroept zich op een notitie van de edelman Nikolaus te Borssum. Een landregister uit de 17e eeuw spreekt over de Koningk Robbers wegk.Siebrand Meyer, Kurtze Erörterung des ehemaligen Religions-Wesens der Teutschen, Leipzig 1756, p. 147.

De predikant en oudheidkundige Jakob Isebrands Harkenroht gebruikt in 1712 voor het eerst het woord Konrebbersweg. Ter deezer plaatse by de Knok staande/ moet ik ook net een woord aanroeren / dat hier ontrent de Friesse konink Radbodus zijn eigen weg in Friesland over de Eems naa't Eiland Fostilandia gehad hebbe / in Konrebbersweg nog bekent.Jakobus Isebrandus Harkenroht, Oostfriesse Oorsprongkelykheden. Van alle steden, vlekken, dorpen, rivieren, enz. van Oostfriesland en Harlingeland, Emden 1712, p. 75.Zijn broer hoorde van de bewoners van het eiland Nesserland in de haven van Emden dat Radboud ook daar zijn weg had gehad, waarvan men het verloop nog kon aanwijzen. Daarnaast bracht Eilhardus in 1721 ook de Rabbelsberg bij Dunum, waarover Jakob al had geschreven, in verband met de Friese koning.Eilardus Folcardus Harkenroht, Kerkrede over Oostfrieslands Kersvloed den 25. December des jaars 1717, aangetoont uit Psalm 107: v. 33.34, Emden 1721, p. 176-177, 312. Jakobus Isebrandus Harkenroht, Oostfriesche Oorsprongkelykheden, 2e dr., Groningen 1731, dl. 1, p. 230-231, 316. Hij zorgde er verder voor dat Beninga's kroniek met het verhaal over het kasteel in de Eemsmonding in 1723 in druk verscheen.

Hofkapelaan Johann Friedrich Bertram berichtte in 1735 over een Konrebbers Weg "in den Wolden", dat is het laagland bij Aurich. Ook in Völlen trof hij zo'n Konrebbers Weg, waarvan hij meende dat die via Stickhausen, Uplengen en Friedeburg naar Jever had gelopen, of wellicht nog verder. In de heruitgave van het boek uit 1787 wordt ook Marienhafe genoemd.Johann Friedrich Bertram, Geographische Beschreibung des Fürstenthums Ost-Friesland und des angräntzenden Harlinger-Landes, Aurich 1735, p. 74, 92 (UB Göttingen). Dez., Geographische Beschreibung des Fürstenthums Ostfriesland und angränzenden Harrlingerlandes, bewerkt door C.H. Normann, Aurich 1787, p. 149, 172-173, 190, 193. Normann was onderwijzer te Norden. Deze plaats vormde volgens een ambtelijk rapport uit 1735 het eindpunt van een (veronderstelde) middeleeuwse processieweg voor de Mariaverering, de Oldeweg of Koenrebbers-Weg, die bij de te Leer begon en via naar het te Nüttermoor liep. Ambtman Stephan Ketteler van Leerort meende dat de Plytenberg de meest verheven plaats van Oost-Friesland was, omdat hier volgens hem al sinds mensenheugenis manifestaties werden gehouden. Deze opmerking verscheen in 1758 vor het eerst in druk.