De Cappella degli Scrovegni is een museum en historische christelijke kapel in de Italiaanse stad Padua. Ze is genoemd naar de opdrachtgever, Enrico degli Scrovegni, en is beroemd om de frescocyclus waarmee Giotto haast het hele interieur heeft beschilderd in 1303-1305. Daarin vat hij in 39 afzonderlijke scènes de hele Heilsgeschiedenis samen, vanaf het huwelijk van Maria's moeder Anna tot de hemelvaart van Christus en het Laatste Oordeel. De frescocyclus wordt beschouwd als Giotto's belangrijkste werk; zijn invloed op de schilderkunst was zo groot dat de eerste helft van de 14e eeuw in de kunstgeschiedenis wordt omschreven als de "Giotto-tijd". Sinds 2021 staan Padua's veertiende-eeuwse frescocycli op de Unesco-Werelderfgoedlijst.

Naam De huidige eigenaar van de kapel, de stad Padua, duidt haar steeds aan als de Cappella degli Scrovegni.In het Italiaans is degli, uitgesproken [delji], de samentrekking van voorzetsel de, van, en lidwoord gli, de (meervoud), met de betekenis "van de". Scrovegni wordt uitgesproken [skro-ven-ji] met klemtoon op de -ven-. Die naam is de meest gebruikelijke, naast vroegere benamingen die nog voorkomen.Zie onder meer Spiazzi A.M. en Borsella S., in de literatuurlijst Het betreft de namen: Cappella dell'Arena, de Arenakapel. Deze naam verwijst naar de locatie waar ze werd gebouwd: evenals het nu verdwenen palazzo van de familie Scrovegni volgt de gevel de ringmuur van de arena van het voormalige Romeinse amfitheater.Van dat Romeinse amfitheater van Padua is de ringmuur overigens het enige resterende gedeelte, en zelfs die muur is onvolledig bewaard: het gedeelte dat samenviel met de holle gevel van het palazzo van de Scrovegni is samen met dat palazzo verdwenen. Chiesa di Santa Maria dell'Annunziata of kortweg Chiesa dell'Annunziata, Kerk van de Annunciatie. Dit was de oorspronkelijke benaming: aanvankelijk was ze namelijk opgedragen aan Maria-Boodschap, de Annunciatie. Oratorio di Santa Maria della Carità, het Oratorium van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid.In een pauselijke bul van 1 maart 1304 verleende paus Benedictus XI een aflaat aan de bezoekers van dit Oratorium "Virginis de Caritate", zoals hij de kapel daarbij noemt. Zie Wolf N., p. 33, in de literatuurlijst

Geschiedenis Stichting De kapel werd in de eerste jaren van de 14e eeuw gebouwd in opdracht van Enrico degli Scrovegni, telg van een schatrijke familie uit Padua. Ze was via een zijdeur toegankelijk vanuit het palazzoZie Padova, la cappella degli Scrovegni. Gearchiveerd op 7 juni 2023. dat Enrico in diezelfde periode liet bouwen op de ruïnes van het Romeinse amfitheater in zijn stad. De decoratie van de kapel vertrouwde hij toe aan Giotto di Bondone, die faam had verworven als schilder met zijn werk in Assisi, Rome, Rimini en in Padua zelf.In Assisi had Giotto reeds gewerkt aan de fresco's in de basiliek van Sint-Franciscus; in Padua aan de basiliek en het klooster van Sint Antonius, en aan het Palazzo della Ragione. Zie het kopje Kunsthistorisch belang. De keuze van deze kunstenaar moest bijdragen aan het prestige van de familie en leiden tot de uitbreiding van haar invloed in de stad.

De Degli Scrovegni waren grootgrondbezitters en bankiers, die grote rijkdom hadden vergaard door woekerrente te eisen voor de kredieten die zij aan stadsgenoten verleenden. Vandaar de volksetymologische verklaring voor de familienaam,In feite is de naam afgeleid van Peta de Scrufa, een grondgebied tussen Padua en Venetië dat eigendom was van de familie Saurelli. Deze werd vanaf het midden van de 13e eeuw officieel naar dit grondgebied genaamd. Zie (it) Treccani, l'Enciclopedia Italiana, s.v. Scrovegni, geraadpleegd op 13 maart 2020. die zou zijn afgeleid van het Italiaanse woord scrofa, zeug.Het beeld vergelijkt de woekeraar met een vraatzuchtig zwijn dat de eigendommen van zijn medeburgers verslindt. Het wapenschild van de familie draagt dan ook een zeug van azuur op een wit veld.

De kapel was bedoeld als grafkapel voor Enrico en zijn afstammelingen.Zowel Enrico zelf als zijn echtgenote en twee kleinkinderen werden er begraven: zie Cappella degli Scrovegni, geraadpleegd op 18 september 2019. Vaak wordt gesteld dat Enrico de kapel zou hebben laten oprichten als boetedoening voor het wangedrag van zijn vader Rinaldo (voluit: Reginaldo) di Ugolino, die was overleden tussen 1288 en 1290.Deze verklaring voor de stichting van de kapel volgt die van een plaatselijke historicus uit 1560. Zie Wolf N., opere citato p. 30. Deze laatste was een gewetenloos woekeraar die vele families van Padua geruïneerd had. Hij was zo berucht dat hij door Dante in zijn Divina Commedia wordt gesitueerd in de zevende ring van het Inferno: de dichter herkent Rinaldo Scrovegni aan het familiewapen dat is afgebeeld op de geldbuidel die om zijn nek hangt.Dante verbleef vanaf 1306 enige tijd in Padua en kon daar de faam van Rinaldo opvangen.Dante, Inferno XVII v. 60-70: Poi, procedendo di mio sguardo il curro vidine un’altra (…) e un che d’una scrofa azzurra e grossa segnato avea lo suo sacchetto bianco, mi disse: "(…) Con questi Fiorentin son padoano (…).”

De stichter droeg de kapel op aan Maria-Boodschap. Deze keuze houdt zeker verband met Enrico Scrovegni's lidmaatschap van de gaudenten, een orde die was opgericht om woekeraars te bestrijden en de verering van Maria te verspreiden.Banzato D., o.c. p. 23. Wikipedia biedt verdere informatie over de orde van de Frati Gaudenti.De vroomheid van Enrico contrasteert met de woekerwinsten die ook hij als bankier maakte. Hij werd door een tijdgenoot dan ook getypeerd als een schijnheilige bedrieger. Zie Wolf N., o.c. p. 30. De opdracht aan Maria blijkt overduidelijk uit de decoratie van het interieur, en tevens uit de feestdag waarop ze werd gewijd: de eerste inwijding van het bouwwerk in 1303 vond vermoedelijk plaats op 25 maart, de dag waarop de katholieke kerk de Boodschap aan Maria herdenkt. Dat ook de plechtige inwijding in 1305 (na de voltooiing van Giotto's frescocyclus) op dezelfde feestdag plaatsvond, mag als zeker worden beschouwd.Zie Padova, la cappella degli Scrovegni. In andere studies wordt een afwijkende datum opgegeven voor de eerste inwijding; voor de definitieve inwijding vermelden de meeste bronnen de datum van 25 maart 1305. Gearchiveerd op 7 juni 2023.

Hoewel de kapel initieel als familiekapel was bedoeld, werd ze reeds in de beginperiode opengesteld voor de publieke eredienst, wat in 1305 leidde tot protest van de monniken van het nabijgelegen augustijnenklooster.Wolf N., o.c. p. 33.

Verval en restauratiecampagnes Weinig is bekend over de historie van de kapel tot aan het begin van de 19e eeuw.Zie Cappella degli Srovegni: il restauro. In 1827 werd het palazzo van de Scrovegni afgebroken,Het palazzo was al eeuwenlang geen eigendom meer van de Scrovegni's: vanaf het einde van de 15e eeuw behoorde het toe aan de familie Foscari, nadien aan de familie Gradenigo. Zie Urbani M., o.c. p. 140. maar de kapel bleef wel gespaard. In 1881 werd ze bij notariële akte aangekocht door de stad Padua, die er begin 21e eeuw nog steeds de eigenaar van is. Daarbij werd ze ook onttrokken aan de eredienst.

Tegen het einde van de 18e eeuw was de kapel in slechte staat: het gebouw vertoonde grote scheuren en barsten, regenwater sijpelde naar binnen, er ontstond uitbloei, de kleuren van de verflaag werden dof en vervaagden.Spiazzi A.M., o.c. p. 69. Het azuur verpulverde en de gouden aureolen waren zwart geworden. Vooral het Laatste Oordeel op de binnenzijde van de voorgevel was sterk aangetast, dit ten gevolge van de instorting van de 15e-eeuwse portiek: de bepleistering was op diverse plaatsen weg of dreigde los te komen. Over een aantal scènes waren rasterlijnen aangebracht om er kopieën van te maken; in andere zaten gaten van de spijkers die daar ooit in waren geslagen om de kapel op feestdagen te versieren met tapijten. Restauraties waren uitgevoerd, maar niet altijd even vakkundig: sommige scènes waren helemaal herschilderd, soms met ruwe penseelstreken of op de droge bepleistering i.p.v. al fresco.Pellegrini F., Spiazzi A.M. en Borsella S., o.c.

Vanaf 1869 werden nauwgezette restauraties uitgevoerd. In 1881 werd de kapel aangekocht door de stad Padua, en snel daarna werden de restauraties voortgezet tot in 1897. In het midden van de 20e eeuw volgde een nieuwe restauratiecampagne waarbij men een experimentele techniek heeft toegepast die mettertijd echter desastreus bleek.Basile G., o.c. p. 92.

In de jaren 1988-2000 werden het gebouw en de chemische en biologische vervuiling van de fresco's grondig onderzocht, waarna de fresco's in 2001-2002 werden gerestaureerd door een ploeg van 65 restaurateurs.Het aantal van 65 wordt vermeld in de reportage van de reeks Ulisse: il piacere della scoperta. Gearchiveerd op 28 mei 2022. Om te voorkomen dat stof (dat vaak vermengd is met vervuilende elementen) en waterdamp de fresco's opnieuw zouden aantasten, werd het microklimaat in de kapel beschermd door een luchtzuiveringsinstallatie en de inrichting van een zogenaamde technologisch uitgeruste toegangsruimte ("Corpo tecnologico attrezzato di accesso"): een soort sas waar de bezoekers een poos moeten verblijven voor ze toegang krijgen tot de kapel.

Architectuur miniatuur|De westgevel en de zuidzijde van de kapel|alt= Het gebouw is veel groter dan de benaming Cappella doet vermoeden. Het bestaat uit een enkel schip waarop het koor aansluit. Het schip heeft een lengte van 20,88 m en is 8,41 m breed en 12,65 m hoog; het gewelf ervan is tonvormig. Het koor waar het altaar staat, is nagenoeg vierkant (4,49 × 4,31 m). De vijfhoekige apsis verlengt het koor en wordt achteraan door twee schuine muren taps versmald. Boven de apsis steekt de klokkentoren van bescheiden hoogte uit. De sacristie komt via een deur uit in het koor.

De kapel is overeenkomstig de christelijke gewoonte zo gesitueerd dat het koor naar het oosten is gericht. De oorspronkelijke ingang bevindt zich in de voorgevel aan de westzijde, maar wordt niet meer gebruikt. De noordelijke wand van het schip is volledig gesloten. Het daglicht valt binnen door het drieledige gotische raam in de voorgevel, zes smalle boogramen aan de zuidzijde, twee in de schuine muren van de apsis en een klein rond venster in de muur daartussen. De overgang tussen romaanse en gotische bouwkunst blijkt uit de voorgevel, waar een rondboog drie spitsboogramen overspant, en uit het samengaan van een tongewelf boven het schip met een kruisribgewelf boven het koor en de apsis.

Onder het schip was een ondergrondse ruimte gelegen met dezelfde oppervlakte, die was ingericht als refter voor de gaudenten.Zie Giotto en de kunst in Padua in de 14e eeuw. La Cappella degli Scrovegni p. 157.

In de 15e eeuw werd tegen de voorgevel aan een portiek gebouwd, maar die werd niet heropgericht nadat ze was ingestort in 1817.Basile G., o.c. p. 91. Deze portiek is nog te zien op een aquarel uit het begin van de 19e eeuw: zie Mazzocco L., o.c. p. 141. Eveneens in de 15e eeuw werden op de buitenzijde van de gevel fresco's aangebracht die evenmin bewaard zijn.V. Donvito, o.c. p. 142-143.

Frescocyclus Auteur en uitvoering