thumb|Pupillen Van 1892 in uniform, een luitenant en twee onderofficieren Troepenkinderen, pupillen en cadettenHet artikel steunt op de onderaan in bronnen vermelde werken. De verwijzingen naar Van Renterghem betreffen de Nederlandstalige editie van zijn werk. waren minderjarigen die, veelal om sociale redenen, in het Belgisch leger opgenomen waren en er een vorming ontvingen. De jongste troepenkinderenDe oude vertaling naar het Nederlands van de oorspronkelijk exclusief Franstalige benaming “enfants de troupe” is “troepskinderen”; hedendaags Nederlands verkiest “troepenkinderen”, naar analogie met andere samengestelde woorden met “troep”. in België waren ooit zeven tot acht jaar. Op hun veertiende jaar werden ze aangeworven voor jarenlange dienst in het leger als muzikant, soldaat, of gegradueerde.

Die leeftijden en verplichtingen evolueerden naarmate de staatszorg voor sociaal behoeftigen toenam en sociale en andere wetten beperkingen oplegden. Troepenkinderen werden later "pupil" (leerling) genoemd en ook oudere kinderen werden opgenomen in het leger, als cadetten. Het statuut van die kinderen veranderde in de loop van de jaren van onbestaand tot wettelijk in detail vastgelegd. In elk geval waren troepenkinderen, pupillen en cadetten onderworpen aan de strenge leefregels eigen aan het militair milieu. Het Belgische leger telde vanaf 1847 tot 1883 zevenhonderd troepenkinderen, en na de Eerste Wereldoorlog, tot 1933, evenveel pupillen. Van 1897 tot 1914 telde het leger tachtig cadetten en vanaf 1919 tot 1991 drie- tot vierhonderd cadetten. De eerste troepenkinderen kregen weinig of geen opleiding. Pupillen kregen een scholing op het niveau van basisonderwijs en lager middelbaar onderwijs, cadetten op het niveau van secundair onderwijs en allen kregen een beperkte militaire opleiding die mettertijd nog verminderde. Het onderwijs was gratis, integendeel. Pupillen en cadetten kregen naast onderdak, kledij en eten een minimale soldij. Daartegenover stond de verplichting die ze aangingen op zeer jonge leeftijd de staat jarenlang te dienen. In de jaren dertig was het mogelijk tegen betaling de cadettenschool te volgen. De toegang tot de school voor troepenkinderen, de pupillenschool en cadettenschool was in elk geval beperkt tot zonen van militairen en van enkele andere categorieën staatspersoneel die slaagden voor het strenge toelatingsexamen. Gezien het overgrote aantal kandidaten waren gedetailleerde voorrangsregels opgesteld in functie van de sociale min of meer precaire situatie van de kandidaat.

De toename van de welvaart en veralgemeend onderwijs, de veranderende levensstijl en gewoonten leidden tot een verminderde interesse voor pupillen- en cadettenschool. Anderzijds, gezien de grote aantallen geschoolde potentiële rekruten was de noodzaak voor het leger ze zelf te scholen stilaan verdwenen. Om die redenen werd de pupillenschool in de jaren dertig gesloten. De cadettenschool zou volgen in de jaren negentig. De onmiskenbare rol van die scholen als motor voor sociale mobiliteit kwam niet ter sprake. De tijdsgeest volgend beperkt de krijgsmacht zich hedendaags tot een vorm van bijscholing voor oudere kandidaten, ook reeds gediplomeerden van het secundair onderwijs, die alsnog een militaire loopbaan nastreven. thumb|De pupillenschool in Aalst thumb|Oorlogsmonument voor de Oud-leerlingen, Troepenkinderen en Pupillen in Aalst

Kinderen onder de wapens in de 17e - 18e eeuwGuy Stevins p. 1-3 Staande troepen waren ondergebracht in kazernes. Ook vrouwen die huishoudelijke en andere diensten leverden aan de troepen, echtgenotes van militairen, hun kinderen en andere kinderen zoals wezen en verlaten kinderen, leefden met de troepen in de kazernes. Zeer jong al trokken de “troepenkinderen” met de eenheid die hen opgenomen had ten strijde als muzikanten, trommelaars of dwarsfluitspelers. Vanaf de ouderdom van ongeveer zestien jaar werden ze als soldaten ingezet voor ondergeschikte taken.

Spaanse Nederlanden In de Spaanse Nederlanden werden om aan die wantoestanden te verhelpen in 1687 twee militaire scholen voor jonge adolescenten opgericht, een in Oostende en een in Lier. Ze telden elk driehonderd leerlingen, zonen van militairen van tien tot zeventien jaar.Het gaat hier om Spaanse en andere Habsburgse militaire eenheden. Zuid-Nederlandse eenheden als dusdanig bestonden niet. Wezen werden toegelaten vanaf de leeftijd van zeven jaar. Ze werden opgevoed en onderwezen om later als onderofficier te dienen. De leerlingen, die sterk waren in wiskunde en in bouwkunde kregen bijkomende lessen van een ingenieur van het garnizoen. Ze konden vanaf de leeftijd van vijftien jaar toegelaten worden tot de Koninklijke Academie in Brussel.In 1671 werd een bestaand instituut voor de opleiding van adellijke jongeren, omgedoopt tot de “Academia real y militar del exercito de los Paises-Bajos”, (Koninklijke militaire academie van het leger in de Nederlanden) met de opdracht militaire ingenieurs te vormen. Deze Koninklijke Academie bevond zich in Brussel, in de Naamse Straat. Het onderricht werd er aanvankelijk in het Spaans gegeven, en vanaf 1715 in het Frans.

Oostenrijkse Nederlanden Met de Vrede van Utrecht (1713) werden de zuidelijke Spaanse Nederlanden Oostenrijkse Nederlanden. In de Oostenrijkse regimenten gaven kapelaans godsdienstonderwijs en soms ook algemeen onderwijs aan de kinderen van het gehuwd personeel. In 1776 werd met een patentbrief van Keizerin Maria-Theresa in Mesen, op enkele kilometers van Ieper, een Keizerlijk Gesticht opgericht om weeskinderen en dochters van onbemiddelde soldaten en ondergeschikte militairen op te vangen en gratis scholing te geven.Onder Napoleon, was het gesticht een toevluchtsoord voor de weeskinderen van de marine. In 1818, onder Willem van Oranje, kreeg het gesticht het Predicaat Koninklijk. In 1845 bevestigde België zijn bestaan en doelstellingen onder de naam Koninklijk Gesticht van Mesen, met een opvangcapaciteit van tweehonderdvijftig pensionairs. Het Gesticht bleef gedurende de oorlog 1914-1918 functioneren te Saint-Germain-en-Laye. In 1919 werd het geïnstalleerd in Lede. In 2019 bestaat het Koninklijk Gesticht van Mesen nog altijd. Het ressorteert onder het Ministerie van Defensie. De werking is aangepast aan de noden van deze tijd. De sociale zetel is ondertussen verhuisd naar de Louizalaan te Brussel.

In 1782 werd in de schoot van elk infanterieregiment een school opgericht met het doel goed opgeleide onderofficieren te vormen: de zogeheten Korpsacademie. Een vijftigtal jongens tussen zes en achttien jaar kregen er een algemene en militaire scholing. De cavalerieregimenten, de pontonniers, genisten en sappeurs en de gevechtstreinen zonden er hun kinderen, die geschikt waren om toegelaten te worden tot een infanterieregiment.

Frankrijk Een ordonnantie van de Koning van Frankrijk van 1766 liet toe om per compagnie een zoon van een militair vanaf de leeftijd van tien tot zestien jaar op te nemen in de eenheid. De opgenomen jongere kreeg een soldij zoals een soldaat. Vanaf 1788 werden er twee troepenkinderen per eenheid en zestien per regiment toegelaten, weliswaar met slechts een halve soldij. Ze gingen in de leer bij een werkbaas of ze werden gedetacheerd bij de muziekkapel. Wanneer de troep te velde trok werden zij naar een depot gestuurd. Vanaf zestien jaar werden ze contractueel ingelijfd.

Kinderen onder de wapens in het Franse keizerrijkGuy Stevins p. 4-5 Na de Franse Revolutie, in 1791, werden alle regels afgeschaft. Het oorlogsenthousiasme was zo groot dat zelfs heel jonge kinderen het ouderhuis verlieten om zich te laten inlijven in de rijen van in lompen gehulde vrijwilligers die optrokken naar de bedreigde grenzen om het vaderland te verdedigen. De geschiedenis zegt ons niet hoeveel van hen op het slagveld sneuvelden of, uitgeput door lange marsen, achterbleven en omkwamen.

Troepenkinderen In 1799 voerde Napoleon de vroegere regels voor de aanwezigheid van kinderen in de legers weer in. In elke compagnie van het leger zouden twee troepenkinderen soldij krijgen. Het moesten jongens zijn, minstens tien jaar oud, voortgesproten uit het wettelijke huwelijk van een vrouw, verbonden aan een militair korps met een militair in actieve dienst of gesneuvelde. De kinderen van de soldaten hadden voorrang op deze van de onderofficieren, die op hun beurt voorrang hadden op de kinderen van de officieren. Per regiment werden één officier, twee onderofficieren en vier korporaals belast met het toezicht en de intellectuele, fysieke en militaire opvoeding van de kinderen. Vanaf veertien jaar mochten ze ingelijfd worden in de muziekkapel van het korps. Eens zestien jaar oud mochten ze vrijwillig dienst nemen als volwaardig militair.

De Franse schilder Nicolas-Toussaint Charlet heeft met een tekening de triestige bestaansvoorwaarden van deze troepenkinderen geschetst.Yvan Van Renterghem p. 212Hij heeft ze afgebeeld in hun reglementaire tenues, geknipt uit afgedankte uniformen, met een te grote sjako op hun hoofd en opgehoopt in een eng, kaal en oncomfortabel lokaal in de kazerne. Een oude korporaal geeft hen les in schabouwelijk Frans.

In 1809 werd verboden de troepenkinderen op veldtocht mee te nemen.

Koninklijke Kwekelingen en Keizerlijke Garde In Nederland werden gedurende de Franse tijd wezen en gevonden of achtergelaten kinderen ondergebracht in het leger. Twee compagnies van “Koninklijke Kwekelingen” werden opgericht, voor kinderen van zeven tot veertien jaar en voor kinderen van veertien tot zeventien jaar. Ze waren gekleed in verstelde en aangepaste oude Hollandse uniformen. Vanaf twaalf jaar droegen de kwekelingen een wapen, een dragondergeweer voorzien van bajonet.

Later werden de kinderen verzameld in een “Korps van de Keizerlijke Pupillen” of “Pupillen van de Keizerlijke Garde” gelegerd in Versailles. Het was een regiment bestaande uit tien compagnies en telde in totaal bijna tweeduizend kinderen. Het verdween in 1814 met het einde van het Eerste Franse KeizerrijkOp 20 maart 1811werd in Wenen een zoon van Napoleon geboren, Napoleon II, bekend als de koning van Rome. Op 18 augustus 1811, stelde de Keizer de Pupillen voor aan zijn "Oude Garde": “Soldaten van mijn Oude Garde, zie hier uw kinderen. Hun vaders lieten hun leven in de strijd aan uw zijde, U zult hun plaats innemen. In U zullen zij tegelijk een voorbeeld en een steun vinden. Weest voogden voor hen! Door U na te volgen, zullen het dapperen zijn, door naar uw raadgevingen te luisteren, zullen zij de beste soldaten van de wereld worden! Ik heb hen de hoede van mijn zoon toevertrouwd, zoals ik U gevraagd heb om op mij te waken. Met hen heb ik niets te vrezen. Ik vraag Uw vriendschap en bescherming voor hen”.

BelgischeIn Nederlands-Indië bestond in 1845 een “Korps Pupillen” en in Nieuwersluis staat een gebouw van 1877 met de naam “pupillenschool”. kinderen onder de wapens (1838-1914)Guy Stevins p. 6-7 Na de onafhankelijkheid van België bestond het Belgische leger uit de eenheden uit de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, heringericht met de hulp van Franse officieren. De lagere rangen waren zeer slecht betaald. Weduwen en wezen van militairen kregen geen enkele toelage. In de kazernes woonden ook gezinnen.In de Belgische rijkswachtkazernes woonden tot in de twintigste eeuw ook gezinnen. Getrouwde vrouwen hielden er een drankgelegenheid open, deden de was, maakten eten klaar. Men noemde hen: “femmes de compagnie”. Naar Franse traditie hadden de Belgische regimenten, zonder enige wettige regeling daaromtrent, kinderen in hun rangen.

Troepenkinderen (1838-1847)Van Renterghem p. 4 Met het Koninklijk BesluitVerderop afgekort als KB. 2809 van 9 maart 1838 werd die toestand geregulariseerd. Alle korpsen van het leger mochten een aantal kinderen in hun rangen opnemen onder de naam “Enfants de Troupe”, "Troepenkind", in totaal maximum zeshonderd, verdeeld over infanterie, bereden troepen, artillerie, genie, depots, werklieden.